← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5819

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Lelystad zaaknummer: C/16/584293 / FL RK 24-1156 Echtscheiding Beschikking van 14 juli 2025 in de zaak van: [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.C. Mens, tegen [de vrouw] , zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Nederland, hierna te noemen: de vrouw. 1De procedure 1.

  1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 18 november 2024; het openbaar betekeningsexploot van 9 december 2024 en de publicatie daarvan in de Staatscourant van 12 december 2024, Nr. [nummer] . 1.
  2. De vrouw heeft binnen de daarvoor gestelde termijn geen verweerschrift ingediend. 1.
  3. Een zitting heeft niet plaatsgevonden. 2Waar de procedure over gaat 2.
  4. Partijen zijn op [datum] 2002 met elkaar getrouwd in [plaats] , [locatie] (Colombia). 2.
  5. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Colombiaanse nationaliteit. 2.
  6. De man verzoekt de rechtbank om: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; te verklaren voor recht dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Colombiaans recht van toepassing is en de woning van de man te [woonplaats] aan de [adres] niet in een gemeenschap van goederen valt en de man gerechtigd is deze woning zonder toestemming van de vrouw te verkopen; subsidiair, ingeval de rechtbank van mening is dat de woning wel in een gemeenschap van goederen valt, aan de man vervangende toestemming te verlenen om de woning zonder toestemming van de vrouw te verkopen en aan een derde notarieel te leveren, dan wel een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank juist acht. 3De beoordeling De echtscheiding 3.
  7. De rechtbank is bevoegd om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, omdat de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevindt en hij tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek hier verblijft. Het Nederlands recht is daarop van toepassing. 3.
  8. De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De man vindt namelijk dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. Rechtsmacht en toepasselijk recht op het huwelijksvermogensstelsel 3.
  9. Op grond van artikel 5 lid 1 van de Verordening huwelijksvermogensstelsels (hierna: HuwvermVo) brengt rechtsmacht in de scheidingszaak rechtsmacht met zich mee om te beslissen op een verzoek met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel. Deze laatste bevoegdheid is echter afhankelijk van een overeenkomst tussen de echtgenoten indien het gerecht waar het verzoek om echtscheiding aanhangig is gemaakt het gerecht is van de lidstaat waarvan de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft en onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek gedurende ten minste één jaar heeft verbleven. Dit is hier het geval. Het is de rechtbank niet gebleken dat er een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten tussen de echtgenoten. Dit betekent dat geen rechtsmacht kan worden ontleend aan artikel 5 HuwvermVo. Ook kan geen rechtsmacht worden ontleend aan de artikelen 6, 7, 8 en 9 HuwvermVo. 3.
  10. De rechtbank kan zich op grond van artikel 10 HuwvermVo slechts bevoegd verklaren ten aanzien van het onroerend goed, omdat het onroerend goed van de man in Nederland is gelegen. De rechtbank beoordeelt vervolgens welk recht van toepassing is op het verzoek van de man. 3.
  11. De rechtbank past het Colombiaanse recht toe, omdat op grond van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk bepalend is. Partijen hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit. De man heeft uitgelegd dat partijen na het sluiten van het huwelijk in Colombia hebben gewoond en dat de vrouw nooit in Nederland heeft gewoond. De beslissing 3.
  12. De rechtbank zal voor recht verklaren dat de woning van de man te [woonplaats] aan de [adres] niet in enige gemeenschap van goederen valt en de man gerechtigd is deze woning zonder toestemming van de vrouw te verkopen. Hierna zal de beslissing worden uitgelegd. 3.
  13. De man heeft voor het huwelijk van partijen, op 2 november 1993, een perceel grond gelegen in [plaats] in gebied 2.R.1.c. in eigendom verkregen (bekend als de woning aan de [adres] in [woonplaats] ). 3.
  14. Op grond van het Colombiaanse huwelijksvermogensrecht bestaat er gedurende het huwelijk een ‘sociedad conyugal, wat neerkomt op een stelsel van ‘virtuele’ gescheiden vermogens, omdat iedere echtgenoot tijdens het huwelijk vrije beschikking behoudt over de goederen die hij heeft ingebracht en later verkrijgt. Wanneer het huwelijk beëindigd wordt, wordt de ‘sociedad conyugal’ geliquideerd. Tot die gemeenschap behoren in feite alle aanwinsten die gedurende het huwelijk zijn opgebouwd. Buiten de gemeenschap van aanwinsten, vallen goederen waarop een van de echtgenoten vóór het huwelijk reeds een (goederenrechtelijke) titel had. 3.
  15. De rechtbank gaat voor de inhoud van het Colombiaanse recht ook uit van de informatie uit Bergmann / Ferid e.a. Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht: “Tijdens het huwelijk heeft elke echtgenoot het vrije beheer en de beschikking over zowel de goederen die hem of haar toebehoorden op het moment van het huwelijk als die hij of zij in het huwelijk heeft ingebracht. Alsmede datgene wat hij later heeft verworven of op enigerlei wijze verkrijgt; in geval van ontbinding van het huwelijk of indien de vereffening van het huwelijkspartnerschap anderszins volgens het burgerlijk wetboek moet plaatsvinden, wordt ervan uitgegaan dat de echtgenoten deze gemeenschap hebben gevormd vanaf het moment van het huwelijk, en moet de vereffening dienovereenkomstig plaatsvinden.” 3.
  16. Hieruit leidt de rechtbank af dat, naar Colombiaans recht, de woning van de man in [woonplaats] als gevolg van het huwelijk niet tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap is gaan behoren en dat de waarde van de woning niet verrekend dient te worden. 3.
  17. De rechtbank wijst het verzoek van de man voor het overige af. De rechtbank kan niet voor recht verklaren dat op het gehele huwelijksvermogensregime van partijen het Colombiaans recht van toepassing is, omdat de rechtbank alleen bevoegd is om een beslissing te nemen over het onroerend goed. Uitvoerbaar bij voorraad 3.
  18. De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
  19. Een verklaring voor recht kan over het algemeen niet uitvoerbaar worden verklaard, omdat het meestal een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd. In dit geval is het een uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed of de bevoegdheid daarover te beschikken betreft. Uit artikel 3:17, lid 1, aanhef en onder e, BW volgt dat een dergelijke uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers als deze onherroepelijk is of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Daaruit leidt de rechtbank af dat uitvoerbaar bij voorraadverklaring mogelijk is in dit geval. 4De beslissing De rechtbank: 4.
  20. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 2002 in [plaats] , [locatie] (Colombia); 4.
  21. verklaart voor recht dat de woning van de man te [woonplaats] aan de [adres] niet in enige gemeenschap van goederen valt en de man gerechtigd is deze woning zonder toestemming van de vrouw te verkopen; 4.
  22. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft; 4.
  23. wijst de verzoeken van de man voor het overige af. Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli
  24. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 3 sub a onder v Brussel II-ter Artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 1:151 BW. Artikel 5 lid 2 sub a HuwvermVo.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.