RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Lelystad Parketnummer: 16/193516-24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudig kamer van 7 november 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [1991] in [geboorteplaats] (Italië), wonende aan de [adres] , [woonplaats] , hierna: de verdachte. 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 28 maart 2025 en 15 oktober 2025. Het onderzoek is gesloten op 7 november 2025. Op de zittingen van 28 maart 2025 en 15 oktober 2025 waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M.M. Rademaker; de advocaat van de verdachte: mr. R.I. Takens, advocaat in Amsterdam; de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] : mr. F.M.M. Buijs, advocaat in Amersfoort. 2Tenlastelegging De beschuldiging is op de zitting van 28 maart 2025 aangepast. De aangepaste beschuldiging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 10 juni 2024 in Laren samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden; feit 2 op 10 juni 2024 in Laren samen met anderen, met gebruik van geweld en/of bedreiging met geweld, de pincode van de pinpas van [slachtoffer] heeft gestolen om vervolgens geld te kunnen pinnen. De rechtbank merkt wat betreft feit 2 op dat de officier van justitie is uitgegaan van de diefstal van meerdere goederen, althans enig goed. Gezien de opgesomde handelingen die de verdachte volgens feit 2 worden verweten, gaat de rechtbank uit van de diefstal van enig goed, namelijk de pincode van de pinpas. De volledige tekst van de beschuldiging, met daarin de voornoemde opgesomde handelingen, staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd. De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie voor de beschuldiging ook is uitgegaan van de oorspronkelijke beschuldiging, waarin een derde feit was opgenomen. Op 28 maart 2025 is een vordering tot wijziging van de beschuldiging ingediend, welke vervolgens door de rechtbank is toegewezen. De gewijzigde beschuldiging — opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van die zitting — bevat geen derde feit. Volgens de officier van justitie is feit 3 door de wijziging per ongeluk weggevallen, maar de rechtbank moet uitgaan van het proces-verbaal. De rechtbank zal daarom alleen feit 1 en 2 beoordelen zoals opgenomen in de gewijzigde beschuldiging. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft over feit 1 de rechtbank verzocht om het zesde gedachtestreepje ( [slachtoffer] met zijn handen aan het plafond vast te maken) niet bewezen te verklaren, althans anders te interpreteren, omdat deze tekst niet goed aansluit bij wat aangever heeft verklaard. Ten aanzien van feit 2 heeft de advocaat van de verdachte vrijspraak bepleit, omdat de verdachte niet met het plan is gekomen om de pincode te stelen en hij ook niet aanwezig was in de woning op het moment dat dit gebeurde. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan. 3.3.2. Bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2 Inleiding De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat zich heeft afgespeeld tussen de avond van 10 juni 2024 en de middag van 11 juni 2024 in een vrijstaand huis in Laren. Volgens aangever [slachtoffer] is hij door de verdachte en de twee medeverdachten, op 10 juni 2024 vanaf 23:00 uur de hele nacht en ochtend van 11 juni 2024 in zijn woning vastgehouden en mishandeld. De aangever zou verf hebben gestolen en de verdachten wilden deze verf terugkrijgen of hiervoor gecompenseerd worden. De aangever werd de volgende dag rond 15:00 uur door de politie gevonden op ongeveer vijftien minuten loopafstand van zijn woning, met letsel aan onder andere zijn hoofd, duct tape in zijn haar en een touw om zijn rechterpols. Betrouwbaarheid verklaring aangever De rechtbank oordeelt allereerst dat de verklaring van de aangever betrouwbaar en bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die de aangever bij de politie en later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, op hoofdlijnen consistent zijn. De aangever heeft op sommige punten weliswaar verschillend verklaard, maar meerdere door hem genoemde feiten en omstandigheden worden bevestigd door andere (objectieve) bewijsmiddelen in het dossier en ook deels door de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van aangever en is, omdat de verklaringen van aangever door andere objectieve bewijsmiddelen worden ondersteund, dan ook van oordeel dat die verklaringen als uitgangspunt kunnen dienen bij de verdere beoordeling van het tenlastegelegde. Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast op basis van de verklaring van de aangever, ondersteund door objectief bewijs, zoals weergegeven in de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen. Alle drie de verdachten zijn in de avond van 10 juni 2024 het huis van de aangever binnengegaan. De aangever is vervolgens meermalen en op meerdere plekken geslagen en geschopt, vooral op zijn hoofd en rug. Hij was met touw, tie wraps en duct tape aan handen en voeten vastgebonden. Vervolgens is hij naar de woonkamer gebracht. In de woonkamer is de aangever met zijn handen aan het plafond vastgemaakt middels een touw dat aan het plafond was bevestigd. Op enig moment beschikten de verdachten over de pinpas van aangever en wilden ze zijn pincode weten om geld op te nemen van de bank. Aangever heeft gezegd dat hij daarvoor eerst zijn moeder moest bellen om toestemming te vragen. Nadat de aangever zijn moeder in de ochtend van 11 juni 2024 rond 7:00 uur had gebeld, heeft hij de pincode aan de verdachten gegeven, omdat ze hem anders bleven slaan. Vervolgens verliet medeverdachte [medeverdachte 1] de woning om geld te pinnen met de pas van de aangever. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bleven bij de aangever in de woning. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vervolgens diezelfde ochtend bij de Geldmaat in Laren om 9:34 uur € 600,- van de rekening van de aangever gepind. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] terug was van het pinnen, hebben de verdachten de woning van de aangever verlaten. Pas nadat de verdachten alle deuren op slot hadden gedaan en waren vertrokken, kon de aangever zijn handen en voeten losmaken en via een raam ontsnappen. De verdachten wilden niet dat de aangever de woning zou kunnen verlaten. Vervolgens is de aangever rond 15.00 uur door de politie gewond aangetroffen op de [adres] in [woonplaats] . Hij had twee blauwe ogen, bloed in de mond, meerdere sneeën in zijn handen, een voetafdruk op zijn linker rug zijde en een voetafdruk op zijn rechterflank. Daarnaast had de aangever touw om zijn rechterpols, een spanband om zijn linkerenkel die met een haak aan de broeksband vast zat, zwart duct tape in het haar en vers bloed op de capuchon. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de aangever de hele nacht en ochtend in zijn woning is vastgehouden en dat daarbij op verschillende momenten geweld tegen hem is gebruikt waarbij de verdachten op enig moment het doel hadden om de pincode van zijn pinpas te verkrijgen. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Dit geldt zowel ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving als ten aanzien van de diefstal van de pincode. De verdachten zijn alle drie naar de woning van de aangever gegaan met het plan om verf dat door de aangever zou zijn gestolen terug te vinden of op een andere manier gecompenseerd te worden. Alle drie de verdachten hebben immers tegenover de politie over dit conflict over verf verklaard en uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatberichten blijkt ook dat de verdachten naar de woning van de aangever zijn gegaan om het verfconflict op te lossen en daarbij gebruik hebben gemaakt van geweld. De verdachten zijn in de bewuste nacht alle drie lange tijd in de woning aanwezig geweest en hebben in wisselende samenstelling op de aangever gepast. Gedurende deze tijd is de aangever vastgebonden, geschopt en geslagen en is zijn pincode gestolen. Op enig moment zijn de deuren van de woning op slot gedaan zodat de aangever niet kon ontsnappen. Daarnaast hebben zij allen getalsmatig en gevoelsmatig een overwichtssituatie gecreëerd, waaraan de aangever niet kon ontsnappen. Tot slot heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] het geldbedrag van de rekening van de aangever gepind en het geld vervolgens aan de medeverdachte [medeverdachte 2] overhandigd, wat ook blijk geeft van de samenwerking tussen de verdachten. De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte niet in de woning was op het moment dat de aangever zijn pincode moest afstaan, maar volgens de eigen verklaring van de verdachte van 15 november 2024 was hij dat wel. Hierin zegt de verdachte immers dat hij de aangever heeft horen zeggen dat zijn moeder gebeld moest worden voor het verkrijgen van de pincode. Deze verklaring past ook bij wat de aangever hierover heeft verklaard. Conclusie Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals hierna in rubriek 3.4 is omschreven. De verdachte wordt partieel vrijgesproken voor het onder feit 2 tenlastegelegde onderdeel met een stalen pijp tegen het lichaam slaan. De aangever heeft hierover wisselend verklaard en het gebruik van een stalen pijp volgt niet uit objectief (steun)bewijs. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1: op of omstreeks 10 juni 2024 te Laren tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - de deur van de woning van die [slachtoffer] op slot te draaien, - de telefoon van die [slachtoffer] af te pakken, - die [slachtoffer] te knevelen, - de handen van die [slachtoffer] op zijn rug vast te binden, - de voeten van die [slachtoffer] vast te binden en - die [slachtoffer] met zijn handen aan het plafond vast te maken; feit 2: omstreeks 10 juni 2024 te Laren, tezamen en in vereniging met anderen, enig goed, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door - die [slachtoffer] tegen het hoofd en het lichaam te slaan, - de handen van die [slachtoffer] op zijn rug vast te binden, - de voeten van die [slachtoffer] vast te binden, - die [slachtoffer] met zijn handen aan het plafond vast te maken, - met geschoeide voet tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en - met druk of dreigementen hem te dwingen zijn moeder te bellen en de code te krijgen teneinde geld te kunnen pinnen. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de algemene voorwaarde dat de verdachte zich binnen deze proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte voert aan dat de straf gematigd moet worden, omdat, naast de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de verdachte alleen nog de diefstal van de pincode wordt verweten. De advocaat heeft verder onder verwijzing naar verschillende uitspraken over wederrechtelijke vrijheidsberoving aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is. De advocaat heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met aftrek, en eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachten hebben het slachtoffer in zijn eigen woning geslagen, geschopt, vastgebonden en voor een lange tijd van zijn vrijheid beroofd. Uit de slachtofferverklaring blijkt onder meer dat het slachtoffer nog steeds angstig is en moeite heeft om mensen in vertrouwen te nemen. Ook ondervindt hij nog steeds pijn en kan hij sommige nachten zijn ogen niet sluiten vanwege geluiden die hem angstig en bezorgd maken. De verdachten zijn gedurende de lange tijd dat zij het slachtoffer van zijn vrijheid hebben beroofd op geen enkel moment tot bezinning gekomen. Sterker nog, het slachtoffer is pas vrijgekomen, nadat hij zelf wist te ontsnappen. Het is zorgelijk dat de verdachten de feiten hebben gepleegd om een ruzie over verf. De verdachte heeft daarnaast geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven en beweert dat het slachtoffer vrijwillig zijn pincode zou hebben afgestaan. Ook heeft hij het slachtoffer een leugenaar genoemd. Van enige vorm van gewetensbesef is dan ook niet gebleken. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft over de persoon van de verdachte kennisgenomen van zijn strafblad van 20 maart 2025. Hieruit is gebleken dat hij in 2021 in Italië is veroordeeld voor huiselijk geweld en/of huiselijke bedreiging tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw ernstige geweldsfeiten te plegen. Strafkader Gelet op de aard en ernst van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet, oordeelt de rechtbank dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend is. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving (gevolgd met een diefstal) bestaat geen oriëntatiepunt. Daarom heeft de rechtbank gekeken naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar, passend is. Hierop zal in mindering worden gebracht de tijd die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht. Aan de verdachte wordt een grotere gevangenisstraf opgelegd dan de twee medeverdachten, omdat alleen bij de verdachte sprake is van recidive van geweldsfeiten. De rechtbank komt uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank uitgaat van een ander uitganspunt op basis van vergelijkbare zaken en ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde diefstal enkel is uitgegaan van de diefstal van de pincode. Tenuitvoerlegging van de straf De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 6Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 24.232,24. Dit bedrag bestaat uit € 9.232,24 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: kosten wegslepen bus: € 1.255,-; ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 70,-; weggenomen geld: € 600,-; ziekenhuiskosten: € 391,30; kosten nieuwe documenten: € 62,50; weggenomen goederen: € 4.693,48; kosten vervangen sloten bus: € 2.159,96. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Ook heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en verschillende materiële schadeposten. De advocaat heeft ten aanzien van de immateriële schade, onder verwijzing naar vergelijkbare uitspraken, aangevoerd dat een bedrag tussen de € 2.000,- en € 3.000,- passend en toewijsbaar is. 6.4. Oordeel van de rechtbank Materiële schade De ziekenhuiskosten De ziekenhuiskosten zijn, volgens de bijgeleverde facturen, kosten van één jaar na de bewezen verklaarde feiten. Gelet op het tijdsverloop oordeelt de rechtbank dat het noodzakelijk is dat de benadeelde partij de vordering hieromtrent nader onderbouwt om vast te stellen dat de kosten daadwerkelijk het gevolg zijn van het strafbare handelen van de verdachte. Dit zou echter een aanhouding van de strafzaak vereisen, en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft deze materiële schadepost daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan voor dit deel bij de burgerlijke rechter worden ingediend. De kosten voor nieuwe documenten, de weggenomen goederen en de kosten voor het vervangen van de sloten en het wegslepen van de bus De rechtbank oordeelt met betrekking tot deze schadeposten dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft deze materiële schadeposten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het weggenomen geldbedrag en de ziekenhuisdaggeldvergoeding Het weggenomen geldbedrag van € 600,- en de ziekenhuisdaggeldvergoeding komen voor vergoeding in aanmerking. Het weggenomen geldbedrag en de ziekenhuisdaggeldvergoeding staan in rechtstreeks verband met het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde. De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 600,- en € 70,- daarom toewijzen. Immateriële schade Op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Dat het slachtoffer door toedoen van de verdachte en zijn mededaders lichamelijk letsel heeft opgelopen, volgt uit de bewijsmiddelen. Dat betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft voor de hoogte van de vergoeding rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel, zoals dat tot op heden bekend is. De rechtbank zoekt aansluiting bij de vergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, wat leidt tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien op dit moment de eindsituatie van het letsel nog niet bekend is. Dit betekent dat de benadeelde partij zijn vordering voor het overige deel op een later moment alsnog kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Totale schade en wettelijke rente De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 5.670,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2024 (omdat de feiten duurden tot de ochtend van 11 juni 2024) tot aan de dag van volledige betaling. Hoofdelijkheid De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat zowel de verdachte als zijn mededaders tegenover de benadeelde partij voor het hele toegewezen bedrag aansprakelijk zijn. Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.670,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 juni 2024 tot de dag van volledige betaling. Als de verdachte niet betaalt, zal deze verplichting worden aangevuld met 63 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling door de verdachte en/of (een van) zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.