← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:5924

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/891 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser, (gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak), en Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Bij uitspraak van 30 mei 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 23 juli 2024 een besluit op de aanvraag van eiser te nemen. Op 13 februari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Alvorens in te gaan op de overwegingen omtrent het beroep niet tijdig beslissen, merkt de rechtbank het volgende op. Uit het beroepschrift en het dossier volgt onduidelijkheid over de vraag of beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot het bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag óf tegen het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot de aanvraag bij de CWS. Verweerder heeft in haar verweerschrift aangegeven ervan uit te gaan dat onderhavige procedure betrekking heeft op het niet tijdig beslissen met betrekking tot het bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank volgt deze keuze niet. Zij oordeelt dat de onderhavige procedure betrekking heeft op het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot de aanvraag bij de CWS en licht dit als volgt toe.
  2. In het beroepschrift wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank met zaaknummer 24/
  3. Deze uitspraak heeft – zoals verweerder ook aangeeft in haar verweerschrift – betrekking op het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot de aanvraag bij de CWS. In de uitspraak is echter per abuis opgenomen dat het om een beroep niet tijdig beslissen in een bezwaarprocedure tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag gaat. Echter, voor beide partijen was destijds duidelijk dat de uitspraak betrekking had op het niet tijdig beslissen met betrekking tot de aanvraag bij de CWS. Dat in de onderhavige zaak sprake is van een (tweede) procedure omtrent het niet tijdig beslissen met betrekking tot de aanvraag bij de CWS, volgt volgens de rechtbank tevens uit de (recente en tweede) beroepsprocedure die eiser heeft gevoerd wegens het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot het bezwaar tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Hierin is op 16 december 2024 (zaaknummer 24/5879) uitspraak gedaan.
  4. De rechtbank behandelt dit beroep dan ook als een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen van verweerder met betrekking tot de aanvraag bij de CWS. Niet tijdig beslissen
  5. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 30 mei 2024 een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
  6. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op 23 juli 2024 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op de aanvraag van eiser.
  7. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen
  8. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.
  9. Gelet op de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus
  10. Verweerder moet daarom in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een besluit over de werkelijke schade bekend maken. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak.
  11. De rechtbank overweegt dat in haar vorige uitspraak eenzelfde lijn is gevolgd, en dat dat niet heeft geleid tot besluitvorming van verweerder.
  12. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of bij tweede beroepen niet tijdig beslissen in werkelijke schade zaken nog steeds aansluiting kan worden gezocht bij de Afdelingsuitspraak van 23 augustus 2023 of dat er aanleiding is een nadere termijn te bepalen. 11.1 De rechtbank overweegt dat uit artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat een aanvraag bij de CWS kan worden ingediend nadat verweerder een besluit heeft genomen over de integrale beoordeling. Uit de voorlichting van de overheid volgt evenwel dat er een aanvraag bij de CWS kan worden ingediend na een ‘definitieve’ compensatiebeschikking. De rechtbank in Rotterdam heeft in een uitspraak over een eerste beroep niet tijdig beslissen op een aanvraag bij de CWS verweerder gevraagd om de gang van zaken bij aanvragen werkelijke schade nader toe te lichten en daarbij in te gaan op de vraag wanneer de aanvraag door de CWS precies in behandeling wordt genomen, en of er pas een besluit door de CWS wordt genomen nadat er een beslissing op een eventueel bezwaar is genomen inzake de herbeoordeling. De beantwoording van deze vragen heeft die rechtbank aan haar uitspraak gehecht. 11.2 Uit die beantwoording leidt deze rechtbank af dat er in sommige gevallen aanleiding kan bestaan voor de CWS om de uitkomst van het bezwaar tegen de integrale beoordeling af te wachten. CWS maakt daarbij een onderscheid tussen bezwaren tegen de hoogte van de compensatiebeschikking en bewaren tegen afgewezen KOT jaren. In dat laatste geval wordt de behandeling van het verzoek bij CWS waar mogelijk aangehouden. Wanneer er beroep wegens niet tijdig beslissen wordt ingesteld in een zaak van CWS waarbij ook bezwaar tegen afgewezen jaren is gemaakt, wordt dit bezwaar niet afgewacht. Er wordt dan voor gekozen de zaak zo snel mogelijk af te ronden. 11.3 De rechtbank stelt vast dat het in onderhavige zaak op basis van het dossier niet duidelijk is of het bezwaar van eiser tegen de integrale beoordeling de CWS aanleiding heeft gegeven die bezwaarprocedure af te wachten en de behandeling van de aanvraag om werkelijke schade aan te houden. Op basis van voorgaande beantwoording zou het een en ander echter volgens verweerder niet (meer) moeten leiden tot een aanhouding van de behandeling, nu sprake is van een beroep niet tijdig beslissen.
  13. Gelet op hetgeen is weergegeven onder 11.1 tot en met 11.3 en gelet op het gegeven dat de stand van zaken omtrent de afhandeling van de aanvraag van eiser bij de CWS op dit moment niet inzichtelijk is en eiser niet gebaat is bij een voor verweerder te krappe besluitvormingstermijn, zal de rechtbank vooralsnog aansluiten bij de termijnen genoemd in de Afdelingsuitspraak.
  14. Omdat er inmiddels meer dan zes weken zijn verstreken sinds verweerder het verweerschrift heeft ingediend, en hij gelet op de datum van deze uitspraak anders niet de door de Afdeling gehanteerde minimum termijn van zes weken de tijd heeft, stelt de rechtbank de termijn waarop verweerder een besluit moet nemen op uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak.
  15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 50,- per dag dat de termijn overschreden worden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de onderbouwing hiervan naar de uitspraak van 25 oktober
  16. Bestuurlijke dwangsom
  17. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank stelt vast dat in haar uitspraak van 30 mei 2024 reeds is overwogen dat verweerder bij besluit van 21 maart 2024 de maximale dwangsom van € 1.442,- heeft toegekend. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten. Proceskosten en griffierecht
  18. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,
  19. Toegekend wordt € 453,
  20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april
  21. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2023:
  22. Uitspraak van 12 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:
  23. ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.