← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:6062

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5521 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (gemachtigde: mr. C.C. Corsten en mr W. van der Leij). Samenvatting

  1. Eiser heeft een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Zijn verzoek ziet op openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de [adres] in [plaats] en recreatieve routes in het natuurgebied ’t Hol/Vuntus/Wijde Blik, waaronder de [adres] . Het college heeft openbaarmaking van documenten deels geweigerd. In beroep gaat het voornamelijk nog om de door het college uitgevoerde zoekslag. Eiser stelt dat die zoekslag niet toereikend is en het college niet alle onder zijn verzoek vallende documenten heeft overgelegd. Aan de hand van de door eiser aangevoerde gronden beoordeelt de rechtbank of het college een voldoende zoekslag heeft gemaakt en volledig aan eisers verzoek tegemoet is gekomen. 1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college nog bij derde partijen relevante documenten had moeten proberen te achterhalen. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  2. Eiser heeft op 5 februari 2021 een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.
  3. Het college heeft op 26 april 2021 beslist op eisers verzoek. Omdat de beslissing niet ondertekend was, heeft verweerder op 27 september 2021 (primaire besluit) een herziene beslissing genomen.
  4. Nadat eiser een beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar heeft ingediend, heeft het college op grond van de Wet open overheid (Woo) op 20 december 2022 (bestreden besluit 1) alsnog beslist op eisers bezwaren. Het college is in dat besluit onder overlegging van één nieuw document bij het herziene besluit van 27 september 2021 gebleven. Ook heeft het college eiser de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend.
  5. Eiser heeft aanvullende gronden van beroep ingediend. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
  6. Daarna heeft het college op 6 maart 2024 op grond van de Woo een herstelbesluit (bestreden besluit 2) genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft eisers beroep mede betrekking op dit herstelbesluit. Bestreden besluit 2 bevat een aanvullende motivering op bestreden besluit 1 en vervangt bestreden besluit 1 voor zover dat ziet op het weglakken van (kort gezegd) persoonsgegevens.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
  8. De in de procedure openbaar gemaakte documenten zijn genummerd 1 tot en met
  9. Het bestreden besluit
  10. Het college stelt in bestreden besluit 2, dat zij na een nadere intensieve zoekslag in de interne systemen geen andere documenten heeft aangetroffen dan al eerder aan eiser zijn verstrekt. Het college heeft de volgende zoektermen gebruikt: “ [locatie] ”, “ [adres] ” “Zaaknummer [nummer 1] (Wob verzoek) en [nummer 2] ”, de naam van het externe bureau en namen van oud-collega’s die in het verleden bij de behandeling van dit dossier betrokken zijn geweest.
  11. Het college heeft daarnaast aangegeven niet meer te beschikken over de originele documenten 1 tot en met
  12. Het college heeft de gelakte documenten 1 tot en met 63 opnieuw beoordeeld en aanvullend gelakt en per aanvullend weggelakt gedeelte de weigeringsgrond aangeven. Mocht er eerder te veel gelakt zijn dan kan het college dat wegens een gebrek aan originele documenten niet herstellen. Het college heeft de documenten 64 tot en met 103 opnieuw beoordeeld, gelakt en aangegeven op welke weigeringsgrond dat is gebeurd. Het college heeft overal waar is gelakt dat gedaan met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Volgens het college weegt voor de gelakte informatie het belang van privacy zwaarder dan het belang van openbaarmaking. De weggelakte informatie bevat persoonsgegevens van ambtenaren die niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden, medewerkers van Natuurmonumenten en Oostelijke Vechtplassen. In de gelakte stukken is duidelijk af te leiden bij welke organisatie de medewerker werkzaam is.Tot slot heeft het college van een aantal documenten (genummerd 5, 10, 11, 20, 31, 36, 43, 57 en 61) te kennen gegeven dat zij daar niet meer in enige vorm over beschikt. Beoordeling door de rechtbank Het beroep wegens het niet tijdig beslissen
  13. Omdat het college alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser, heeft eiser geen belang meer bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Wel moet het college reeds hierom het betaalde griffierecht vergoeden. Omvang van het geding en ontbrekende (originele) stukken
  14. Ter zitting heeft eiser bevestigt dat hij zijn gronden met betrekking tot de zoekslag ook handhaaft tegen bestreden besluit 2 en daarnaast dat het op de weg van het college ligt om documenten die zij niet kunnen vinden bij andere instanties op te vragen. Voorts handhaaft eiser de grond tegen het weglakken van persoonsgegevens. Daarnaast is ter zitting besproken dat zich op dit moment de situatie voordoet dat eiser met de op aanvraag en bezwaar verstrekte stukken over meer stukken beschikt dan het college, terwijl een deel van die stukken volgens het college te weinig zijn gelakt. Partijen hebben bevestigd dat dit buiten de onderhavige zaak om geprobeerd wordt op te lossen en buiten de omvang van dit geschil valt. De beroepsgronden -Zoekslag
  15. Eiser voert aan dat het college zijn verzoek te beperkt heeft opgevat en dus niet volledig daarop heeft beslist. Eiser wijst ter onderbouwing naar de concrete voorbeelden die hij eerder al hierover heeft aangedragen. Niet is duidelijk in welke systemen is gezocht en welke zoekopdracht daarbij is meegegeven.
  16. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2024:367), volgt dat een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk moet maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat het college in bestreden besluit 2 inzicht heeft gegeven in de gebruikte zoektermen. Uit bestreden besluit 2, noch uit bestreden besluit 1, volgt welke systemen zijn geraadpleegd, of er een schifting is gemaakt en welke vragen relevante personen hebben meegekregen. Bestreden besluiten 1 en 2 zijn daarmee onvoldoende gemotiveerd en het beroep is daarom gegrond.
  17. Ter zitting heeft het college wel antwoord gegeven op deze vragen: er is duidelijk gemaakt in welke systemen is gezocht, op welke wijze dat is gebeurd, dat er geen verdere schifting heeft plaats gevonden en dat er geen bij het dossier betrokken personen meer werkzaam zijn uit de tijd waarop het verzoek ziet, reden waarom zij geen specifieke vragen hebben meegekregen. Met deze nadere toelichting is de rechtbank van oordeel dat het college de gemaakte zoekslag alsnog voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen in zoverre in stand.
  18. Niet is in geschil dat het college in het verleden over meer relevante stukken heeft beschikt, maar de rechtbank acht het gelet op de toelichting over de uitgevoerde zoekslag en het vertrek van betrokken ambtenaren niet ongeloofwaardig dat bepaalde documenten niet meer onder het college berusten. - Documenten bij derden
  19. Eiser heeft aangevoerd dat het college verplicht was om ook bij derde partijen na te gaan of zij nog over relevante stukken beschikken. Het college heeft ter zitting verklaard niet bij derde partijen, zoals de Vereniging Natuurmonumenten (Natuurmonumenten) of de Provincie Utrecht (provincie), stukken te hebben gevorderd.
  20. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 4.2, tweede lid, van de Woo volgt dat het college verplicht is om informatie, die onder haar had horen te berusten, te vorderen bij diegene die over de informatie beschikt. Vast staat dat dit niet is gebeurd, terwijl uit het voorgaande volgt dat er meer informatie is geweest die onder het college berustte en daar ook hoorde te berusten. Daarom kunnen de bestreden besluiten niet in stand blijven en dient het college alsnog bij derden na te gaan of daar voor het verzoek relevante informatie is.
  21. Ter zitting is nader besproken bij welke partijen relevante informatie zou kunnen berusten voor het verzoek van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat het wanneer het college bij Natuurmonumenten en de provincie nagaat of daar nog relevante informatie berust, waarover het college niet (meer) beschikt. Het college heeft ter zitting expliciet gevraagd aan de rechtbank om te formuleren welke (zoek)vraag dan bij derde partijen moet worden neergelegd, in het geval dat de rechtbank van oordeel zou zijn dat bij derden nog informatie moest worden gezocht. De rechtbank kan aan dat verzoek niet voldoen, omdat het onvoldoende zicht heeft op (mogelijke) informatie die bij de derde partijen berust. De rechtbank dringt er bij partijen op aan dat zij in goed overleg formuleren wat er aan de provincie en Natuurmonumenten wordt gevraagd, om te voorkomen dat er een nieuwe gang naar de rechter nodig blijkt. - Weglakken
  22. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat er ten onrechte namen of e-mailextensies zijn weggelakt, dat het college niet motiveert waarom er wordt gelakt en dat hij niet kan controleren of terecht is besloten om een en ander weg te lakken. Het college heeft aangevoerd dat met bestreden besluit 2 overal juist is weggelakt, dat het telkens gaat om persoonsgegevens, maar dat telkens wel duidelijk blijft vanuit welke instantie een bericht afkomstig is.
  23. De rechtbank is van oordeel dat met bestreden besluit 2 voldoende is gemotiveerd waarom bepaalde passages zijn weggelakt. Anders dan eiser lijkt te veronderstellen hoeven namen van ambtenaren en andere medewerkers die niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden, niet openbaar gemaakt te worden. De rechtbank heeft steekproefsgewijs gecontroleerd of juist is weggelakt en dat was telkens het geval. Eiser heeft daarnaast geen concrete voorbeelden gegeven waarbij volgens hem onjuist is gelakt of bijvoorbeeld niet meer te herleiden viel van welke instantie een e-mail afkomstig was. Voor zover eiser ook heeft betoogd dat er op plekken te weinig persoonsgegevens zijn weggelakt, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij die klacht.De grond over het weglakken slaagt dus niet. Het verzoek om schadevergoeding.
  24. Eiser komt, nu hij daarom heeft gevraagd, in aanmerking voor een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
  25. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. In totaal gaat het dus om twee jaar.
  26. In deze zaak is het bezwaarschrift op 5 november 2021 door het college ontvangen. Dit betekent dat tot de datum van deze uitspraak de procedure (afgerond) drie jaar en negen maanden heeft geduurd. De termijn van twee jaar is dus met één jaar en negen maanden overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond naar twee jaar. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Hierdoor bestaat aanspraak op een schadevergoeding van € 2.000,-.
  27. De bezwaarfase heeft meer dan een jaar geduurd. De beroepsfase heeft ruim twee jaar geduurd. De termijnoverschrijding wordt dus toegerekend aan zowel de beroepsfase als de bezwaarfase. De rechtbank houdt bij de toerekening verder nog rekening met de omstandigheid dat in de beroepsfase veel vertraging is ontstaan doordat het college vanaf het eerste verzoek van de rechtbank van 19 april 2024 om een verweerschrift in te dienen en vragen te beantwoorden diverse keren uitstel heeft gevraagd en niet eerder dan 20 december 2024 een verweerschrift heeft ingediend en op 6 maart 2025 nog een herstelbesluit heeft ingediend. Daarom dient het college het volledige bedrag van € 2.000,- te vergoeden. Conclusie en gevolgen
  28. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Het college moet wel het griffierecht vergoeden, omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing.
  29. De rechtbank is van oordeel dat het college bij Natuurmonumenten en de provincie informatie had moeten vorderen die zij niet langer onder zich heeft, maar wel bij die instanties berust. Het beroep gericht tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 is (ook) daarom gegrond. De rechtbank vernietigt bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of er zelf een beslissing over te nemen. Dit omdat de rechtbank onvoldoende zicht heeft op welke stukken onder het oorspronkelijke Wob-verzoek vallen en mogelijk bij deze instanties berusten. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat alleen het college een nieuw onderzoek kan doen en de afhandeling van de zaak hierdoor niet sneller zal gaan.
  30. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor 3 maanden.
  31. Eiser heeft buiten reiskosten geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gemaakt. Eiser krijgt op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een vergoeding van reiskosten. De rechtbank stelt de vergoeding op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Bpb in samenhang met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in Strafzaken vast op € 20,72 (37 kilometer x 2 x € 0,28). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 gegrond; - vernietigt bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 voor zover daarin is nagelaten informatie vallend binnen het oorspronkelijke Wob-verzoek te vorderen bij Natuurmonumenten en de provincie; - draagt het college op binnen 3 maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt het college tot het betalen van € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiser; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;- veroordeelt het college tot betaling van € 20,72 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli
  32. De griffier is buiten staat te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.