← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:6084

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3400 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. K. Loef), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 20 januari

  1. Overwegingen
  2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
  3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  4. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 20 januari
  5. Verweerder moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. Op 10 februari 2025 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan de werkgever van eiseres een loonsanctie is opgelegd. De behandeling van een WIA-aanvraag wordt dan opgeschort. De behandeling wordt weer hervat op het moment dat verweerder vaststelt dat de tekortkoming die heeft geleid tot loonsanctie is hersteld. Dit is gebeurd op 11 april
  6. Op dat moment gaat de resterende beslistermijn weer lopen. De beslistermijn liep daarom af op 16 mei
  7. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling al op 14 mei 2025 heeft ontvangen en de beslistermijn toen nog niet was verstreken. De ingebrekestelling is daarom prematuur ingediend. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb is geen sprake. Dit heeft tot gevolg dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
  8. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiseres het beroep ten onrechte heeft ingesteld komt zij niet in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Dit staat in artikel 102, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA. Artikel 64, achtste lid, van de Wet WIA.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.