← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:6090

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5242 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , zonder bekende vaste woon – of verblijfplaats, verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist. van de gemeente Zeist. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet onder meer een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift overleggen en (zo mogelijk) een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na het bieden van een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. 2.
  4. Bij het verzoekschrift van 12 september 2025 is het (inleidend) bezwaarschrift niet overgelegd. Uit het ingediende verzoek en nadien ingestuurde brieven en stukken valt ook niet op te maken op welk specifieke besluit van een bestuursorgaan het verzoek betrekking heeft. De rechtbank heeft verzoekster meermaals verzocht om daarover duidelijkheid te verschaffen. Daarnaast heeft de rechtbank bij brieven van 23 september 2025, 1 oktober 2025 en 7 oktober 2025 verzocht om het geconstateerde verzuim te herstellen. Bij brief van 7 oktober 2025 is een termijn gesteld tot en met 14 oktober
  5. 2.
  6. Verzoekster heeft binnen die termijn geen afschrift van het bezwaarschrift overgelegd. Verzoekster heeft geen gegronde reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Conclusie en gevolgen
  7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.