RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/574 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Grijpstra), en Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht (gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 17 juli 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
- Op 7 augustus 2023 en op 5 februari 2024 heeft verweerder verweerschriften ingediend.
- Eiseres heeft gereageerd op de verweerschriften. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen
- Op 17 juli 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen een besluit waarbij aan haar een bedrag van € 4.555,- is toegekend. Eiseres stelt dat dit bedrag in 2022 is uitbetaald, maar dat zij geen schriftelijke besluitvorming heeft ontvangen. Op 23 november 2023 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Bij besluit van 30 januari 2024 heeft verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend.
- De rechtbank stelt vast dat het door eiseres genoemde bedrag van € 4.555,- aan haar is uitgekeerd op basis van de definitieve beschikking compensatie toeslagen van 6 juni 2022 met kenmerk UHT-DC
- Dit volgt onder meer uit het beroep van eiseres met zaaknummer UTR 23/3067, dat gelijktijdig met dit beroep op zitting is behandeld. Met dat besluit heeft verweerder aan eiseres een bedrag van € 131.212,- aan compensatie toegekend. Het nog verschuldigde deel van dit bedrag na aftrek van de reeds ontvangen voorlopige compensatie, is het bedrag van € 4.555,- en dat bedrag is in juni 2022 ook aan eiseres uitgekeerd.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om op het bezwaar van eiseres te beslissen, is overschreden. Bij brief van 23 november 2023, ontvangen door verweerder op 28 november 2023, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 26 januari 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Bij aparte dwangsombeschikking van 30 januari 2024 heeft verweerder aan eiseres de maximale bestuurlijke dwangsommen toegekend, maar een beslissing op het bezwaar is nog niet genomen.
- Het beroep niet tijdig beslissen is gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen
- Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
- Over de vraag welke beslistermijn realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling.
- Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 6 juni 2022 de definitieve beschikking genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 17 juli
- De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is aangevangen op 18 juli 2023 en verliep op 20 november
- Sindsdien zijn meer dan 60 weken verstreken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.
- De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar kort gezegd een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig. Bestuurlijke dwangsom
- Verweerder stelt dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb in deze zaak van toepassing is en heeft bij besluit van 30 januari 2024 de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend. De rechtbank zal zich hier dan ook verder niet over uitlaten. Proceskosten en griffierecht
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt in die zaak. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn op zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,
- Toegekend wordt € 907,-.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli
- griffier rechter De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2025:1301.