RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/586328 / HA ZA 25-17 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, advocaat: mr. R.H. Bouwman, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde] GMBH, te [vestigingsplaats 2] (Zwitserland), gedaagde partij, advocaat: mr. B.C.R. Zalm. Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd en gedaagde wordt aangeduid als [gedaagde] . 1De procedure 1.1. De rechtbank beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding van 11 december 2024 met 3 producties,- de conclusie van antwoord van 2 april 2025 met 6 producties, - de op 7 juli 2025 door [eiseres] ingebrachte productie 4, - de op 8 juli 2025 door [gedaagde] ingebrachte producties 5 tot en met 7. 1.2. Op 18 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aan de kant van [eiseres] was de heer [A] (hierna: de heer [A] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Bouwman. Aan de kant van [gedaagde] is mevrouw [B] (hierna: [B] ) verschenen, bijgestaan door mr. Zalm. Mr. Bouwman heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. Daarna is vonnis bepaald. 2De kern van de zaak 2.1. [eiseres] en [gedaagde] hebben een geschil over beëindiging van een mondeling gesloten duurovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde] redactionele foto’s en artikelen ter beschikking stelde voor een tijdschrift dat [gedaagde] uitgaf, en over de vraag of [gedaagde] inbreuk maakt op de auteursrechten van [eiseres] op dit materiaal. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een vergoeding aan [eiseres] is verschuldigd voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de duurovereenkomst. De andere vorderingen van [eiseres] worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. 3De achtergrond van het geschil De samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] en het ontstaan van het geschil 3.1. [eiseres] geeft in Nederland twaalf keer per jaar een tijdschrift over klassieke auto’s uit, genaamd ‘ [naam 1] ’. [gedaagde] gaf ook een tijdschrift over klassieke auto’s uit, namelijk ‘ [naam 2] ’, dat zes keer per jaar in Zwitserland verschijnt. Vanaf 2010 spraken [eiseres] en [gedaagde] mondeling af (hierna: de Overeenkomst) dat de DTP-afdeling van [eiseres] tegen betaling van CHF 3.000,- per editie van ‘ [naam 2] ’ dtp-werkzaamheden voor [gedaagde] zou uitvoeren. Ook nam [gedaagde] tegen betaling van CHF 1.750,- per editie van ’ [naam 2] ’ redactionele artikelen en foto’s over van [eiseres] . Hiervoor kwam [B] over naar Nederland waar ze op het kantoor van [eiseres] redactionele artikelen en foto’s uit het gehele archief van [eiseres] kon uitzoeken om te gebruiken voor ‘ [naam 2] ’, waaronder alle edities van ‘ [naam 1] ’ en andere (auto)tijdschriften van [eiseres] . 3.2. In de loop van 2022 is afgesproken dat de dtp-werkzaamheden vanaf ‘ [naam 2] ’-editie 2/2023 niet meer door [eiseres] zouden worden uitgevoerd. Vanaf dit moment leverde [eiseres] alleen nog redactionele artikelen en foto’s uit ‘ [naam 1] ’ aan [gedaagde] , tegen betaling van CHF 2.000,- per editie van ‘ [naam 2] ’. De redactionele artikelen en foto’s waaruit [B] kon kiezen werden vanaf dat moment aan [B] ter beschikking gesteld door middel van een open account en de keuze was beperkter dan voorheen. 3.3. Eind 2023 ruzie is er ruzie tussen de heer [A] en [B] ontstaan, en is de samenwerking tussen hen geëindigd. Daarna heeft [gedaagde] in 2024 volgens [eiseres] redactionele artikelen en foto’s die [eiseres] aan [gedaagde] in het kader van hun samenwerking ter beschikking had gesteld voor de website van ‘ [naam 2] ’ (hierna: de Website) gebruikt, en heeft zij oude, al uitgebrachte, edities van ‘ [naam 2] ’ digitaal ter beschikking gesteld. Op 1 februari 2025 heeft [B] ‘ [naam 2] ’ verkocht. De vorderingen van [eiseres] 3.4. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de Overeenkomst onregelmatig opgezegd door geen opzegtermijn te hanteren. Ook stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde] inbreuk maakt op het auteursrecht op redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] , door deze na opzegging van de Overeenkomst voor ‘ [naam 2] ’ (digitaal) te gebruiken. 3.5. Op grond hiervan vordert [eiseres] – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen: tot betaling van een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst; tot betaling van € 77.980,-, het totaalbedrag van facturen 2024-003, 2024-005 en 2024-0018; tot betaling van een boete voor het onrechtmatig gebruik van het materiaal van [eiseres] ; om binnen vijf dagen na datum vonnis ervoor zorg te dragen dat alle foto’s van [eiseres] en waarop [eiseres] auteursrecht heeft, van de website van [gedaagde] , dan wel van de website van ‘ [naam 2] ’ worden gehaald, en ervoor zorg te dragen dat er geen digitale publicaties meer worden aangeboden van oude gedrukte exemplaren van ‘ [naam 2] ’ die het auteursrechtelijk materiaal van [eiseres] bevatten; in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.6. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat neerkomt op afwijzingen van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van [gedaagde] . 3.7. Op de stellingen en het verweer zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4De beoordeling van de vorderingen De vordering onder a. wordt toegewezen, de overige vorderingen worden afgewezen 4.1. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst toewijzen. De overige vorderingen zal de rechtbank afwijzen. Waarom dat zo is, wordt hierna uitgelegd. Voordat de rechtbank hier nader op ingaat, zal zij beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in deze zaak en welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is bevoegd 4.2. Omdat [gedaagde] in Zwitserland is gevestigd en de vorderingen van [eiseres] daarmee een internationaal karakter hebben, moet eerst (ambtshalve) worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om over het inhoudelijke geschil van partijen te oordelen. 4.3. Volgens [eiseres] heeft de Zwitserse rechter in principe rechtsmacht op grond van artikel 4 van de Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo), maar is de Nederlandse rechter bevoegd omdat [eiseres] en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst hebben afgesproken zakelijke conflicten voor te leggen aan een Nederlandse rechtbank. Dit heeft volgens [eiseres] te maken met het feit dat [B] van Nederlandse komaf is. 4.4. [eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een expliciete forumkeuze in de zin van artikel 25 Brussel I bis-Vo. Voor de toepassing van deze bepaling is het voldoende dat een forumkeuze is overeengekomen waarin het gerecht van een lidstaat wordt aangewezen. Omdat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete forumkeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, heeft [eiseres] volgens de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan en is niet vast komen te staan dat de Overeenkomst een expliciete forumkeuze voor de Nederlandse rechter bevat. 4.5. [gedaagde] meent eveneens dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van zowel de vordering met betrekking tot de vergoeding voor het opzeggen van de Overeenkomst, als de vorderingen die betrekking hebben op de vermeende auteursrechtinbreuk, maar voert daartoe andere gronden aan. [gedaagde] baseert deze bevoegdheid op grond van artikel 5 lid 1 sub a (ten aanzien van de vordering met betrekking tot de vergoeding voor het opzeggen van de Overeenkomst) respectievelijk artikel 5 lid 3 (ten aanzien van de vorderingen met betrekking op de vermeende inbreuk op het auteursrecht) van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Verdrag van Lugano). 4.6. De rechtbank stelt vast dat de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] moet worden beantwoord aan de hand van het Verdrag van Lugano omdat Nederland en Zwitserland allebei partij zijn bij dit verdrag, het Verdrag van Lugano van toepassing is op burgerlijke zaken (artikel 1 lid 1 Verdrag van Lugano) en bij samenloop met de Brussel I bis-Vo het Verdrag van Lugano van toepassing is (artikel 64 lid 2 sub a Verdrag van Lugano en artikel 73 lid 1 Brussel I bis-Vo). 4.7. Op grond van artikel 24 Verdrag van Lugano is het gerecht van een door het Verdrag van Lugano gebonden staat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, tenzij zijn verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten of als er een ander gerecht bestaat dat op grond van artikel 22 Verdrag van Lugano exclusief bevoegd is. Op grond van de processtukken is tussen partijen niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, en dit is tijdens de mondelinge behandeling ook door partijen bevestigd. Gelet hierop heeft [gedaagde] door te verschijnen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten, die bevoegdheid aanvaard. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het inhoudelijke geschil van partijen te oordelen. Het toepasselijke recht 4.8. Omdat de vorderingen van [eiseres] een internationaal karakter hebben, moet ook worden vastgesteld welk recht van toepassing is. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de op de vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst en de overige vorderingen die zijn gebaseerd op de vermeende auteursrechtinbreuk door [gedaagde] . Op de vordering onder a. tot betaling van een schadevergoeding is Nederlands recht van toepassing 4.9. De vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst is een vordering die gebaseerd is op een overeenkomst, waarbij de Nederlandse rechter het toepasselijke recht moet vaststellen aan de hand van de verwijzingsregels van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die na 17 december 2009 zijn gesloten (artikel 28 Rome I), wat bij de Overeenkomst het geval is. 4.10. Volgens [eiseres] hebben [eiseres] en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst afgesproken dat bij een conflict Nederlands recht van toepassing is. [eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I, die uitdrukkelijk wordt gedaan of duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Omdat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete dan wel impliciete rechtskeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, heeft [eiseres] volgens de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan en is niet komen vast te staan dat de Overeenkomst een rechtskeuze voor Nederlands recht bevat. 4.11. Als er geen sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I, geldt op grond van de hoofdregel in artikel 4 lid 2 Rome I dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] dat de kenmerkende prestatie, te weten het ter beschikking stellen van de door [eiseres] vervaardigde redactionele artikelen en foto’s (waarbij [B] eerst bij [eiseres] op kantoor kwam om artikelen en foto’s uit te kiezen en zij later foto’s en artikelen kon uitkiezen door middel van een open account waarin [eiseres] de redactionele artikelen en foto’s had geplaatst) en het aanvankelijk verrichten van dtp-werkzaamheden, plaatsvond in Nederland. Die prestatie moest namelijk verricht worden door [eiseres] , die in Nederland gevestigd is. 4.12. De uitzondering op de hoofdregel dat als uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, het recht van dat andere land van toepassing is (artikel 4 lid 3 Rome I), doet zich hier niet voor: omdat uit het geheel van de omstandigheden niet duidelijk blijkt dat de Overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land dan Nederland, het land waar de kenmerkende prestant [eiseres] gevestigd is, komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederlands recht op de vordering tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst van toepassing is. Op de vorderingen onder b t/m d is Zwitsers recht van toepassing 4.13. De vorderingen van [eiseres] onder b tot en met d zijn gebaseerd op een vermeende auteursrechtinbreuk door [gedaagde] . Hier is sprake van niet-contractuele verbintenissen. Aangezien de schadebrengende feiten van na de datum van inwerkingtreding van deze internationale regeling (11 januari 2009) zijn, dient het toepasselijke recht dan ook in beginsel te worden gevonden aan de hand van de conflictregels van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Zwitsers recht van toepassing is op grond van artikel 8 lid 1 Rome II, op grond waarvan het recht van toepassing is van het land waarvoor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten wordt gevorderd (de lex loci protectionis). 4.14. Volgens [eiseres] hebben zij en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst afgesproken dat bij een conflict Nederlands recht van toepassing is. [eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 14 Rome II, die uitdrukkelijk wordt gedaan of duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Dit is in dit geval echter niet mogelijk. Afgezien van het feit dat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete dan wel impliciete rechtskeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, kan op grond van artikel 8 lid 3 Rome II namelijk niet door middel van een rechtskeuze worden afgeweken van het recht dat op grond van dit artikel van toepassing is. 4.15. De rechtbank wijst erop dat Rome II voorrang verleent aan internationale overeenkomsten die voor bijzondere onderwerpen van niet-contractuele aard conflictregels bevatten, zo volgt uit artikel 28 lid 1 Rome II. De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (hierna: BC) is zo’n bijzonder verdrag. Dit verdrag regelt namelijk in artikel 5 lid 1 het toepasselijke recht. Het uitgangspunt van de Berner Conventie (hierna: BC) is dat auteurs in landen die niet hun land van oorsprong zijn, de rechten genieten die de wetten aan de eigen onderdanen verlenen (artikel 5 lid 1 BC). Dus net als in artikel 8 lid 1 Rome II het geval is, is de zogenaamde lex protectionis, ofwel het recht van het land waarvoor bescherming wordt gevraagd, van toepassing. 4.16. Omdat [eiseres] bescherming van haar in auteursrecht in Zwitserland vordert, is op grond van de lex protectionis Zwitsers recht van toepassing op de vorderingen onder b tot en met d, aldus [gedaagde] . [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat volgens haar Nederlands recht van toepassing is op deze vorderingen omdat de website (ook) in Nederland kon worden bekeken, de (eerder verschenen) edities van ‘ [naam 2] ’ daarop digitaal beschikbaar waren en daardoor ook in Nederland konden worden gelezen (via een abonnement) en [B] (aanvankelijk) bij [eiseres] op kantoor kwam om redactionele artikelen en foto’s voor ‘ [naam 2] ’ uit te zoeken. 4.17. De rechtbank beslist als volgt. De door [eiseres] gestelde vermeende inbreuken op haar auteursrecht hebben plaatsgevonden in Zwitserland via de Website van [gedaagde] . Dat in Nederland inbreuk op haar auteursrecht heeft plaatsgevonden, is onvoldoende door [eiseres] onderbouwd. ‘ [naam 2] ’ is een tijdschrift dat zich richt op de Zwitserse markt. Nergens is uit gebleken dat de Website (ook) op Nederland is gericht. Ook is de Website niet in de Nederlandse taal gesteld en [eiseres] heeft ook niet onderbouwd dat de Website door consumenten in Nederland is bezocht, al dan niet om digitale edities van ‘ [naam 2] ’ (die in Zwitsers Duits zijn opgesteld) te bekijken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat bescherming wordt gevraagd voor een vermeende auteursrechtinbreuk die plaatsvindt in Zwitserland, en wordt de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] beheerst door Zwitsers recht. 4.18. De rechtbank merkt hierbij nog op dat partijen zich over toepassing van Zwitsers recht op de vorderingen onder b tot en met d in hun processtukken niet hebben uitgelaten, maar dat zij op de mondelinge behandeling hebben aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Zwitsers recht toepast als zij tot de conclusie komt dat dit recht op de voorgenoemde vorderingen van toepassing is. De rechtbank vindt het daarom niet nodig dat partijen zich nog verder over toepassing van het Zwitserse recht op de vorderingen onder b tot en met d uitlaten. [gedaagde] heeft de Overeenkomst onregelmatig opgezegd en [eiseres] heeft recht op schadevergoeding 4.19. De rechtbank stelt voorop dat partijen geen schriftelijke overeenkomst hebben gesloten. [eiseres] legt aan haar vordering tot betaling van een schadevergoeding ten grondslag dat de Overeenkomst kwalificeert als een mondeling tot stand gekomen duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. [gedaagde] heeft deze kwalificatie niet betwist. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de Overeenkomst onregelmatig opgezegd doordat de opzegging niet schriftelijk gebeurde en er geen opzegtermijn is gehanteerd. De relevante vragen zijn: is de Overeenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd? Heeft [gedaagde] de Overeenkomst opgezegd? Zo ja, was [gedaagde] gerechtigd om de Overeenkomst te beëindigen op de manier waarop zij dat heeft gedaan? De rechtbank zal deze vragen hieronder beantwoorden. De Overeenkomst is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd 4.20. Het belangrijkste kenmerk van duurovereenkomsten is dat deze niet verplichten tot eenmalige, voorbijgaande prestaties, maar – gedurende bepaalde of onbepaalde tijd – tot prestaties die gedurende zekere tijd voortduren, herhaald worden of elkaar opvolgen. Zoals iedere overeenkomst, komt een duurovereenkomst in beginsel tot stand door aanbod en aanvaarding. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW). Het antwoord op de vraag of een duurovereenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Zo kan, onder omstandigheden, een langdurige handelsrelatie in het kader waarvan opeenvolgende transacties worden verricht, na verloop van tijd uitgroeien tot een duurovereenkomst (raamovereenkomst) voor onbepaalde tijd. Voor de beantwoording van de vraag of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.