RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats: Lelystad Parketnummers: 16/109141-25 & 16/228305-25 (gev. ttz.) Tegenspraak Vonnis van de meervoudig kamer van 19 november 2025 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [2006] in [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [verblijfplaats] , hierna te noemen: de verdachte. 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 5 november 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. F. Koolhof; de advocaat van de verdachte: mr. J.A.C. van den Brink, advocaat in Almere; de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : mr. W. Vahl, advocaat in Barneveld. 2Tenlastelegging De rechtbank heeft de feiten die bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/109141-25 en 16/228305-25 genoemd worden, in die genoemde volgorde genummerd als feit 1 en feit 2. De beschuldiging over feit 1 is op de pro forma zitting van 18 juli 2025 gewijzigd. De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 27 december 2024 in Lelystad samen met anderen en met geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een iPhone 16 en/of € 1.700,- van [slachtoffer 1] heeft gestolen, waarbij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; dit is subsidiair tenlastegelegd als openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg; feit 2 op 9 april 2025 in Lelystad opzettelijk 3,25 gram cocaïne in zijn bezit heeft gehad. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte van feit 1 volledig vrij te spreken. De advocaat van de verdachte voert daartoe verschillende verweren aan over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. Of de verdachte schuldig is aan feit 2 laat de advocaat aan het oordeel van de rechtbank over. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen feit 1 primair De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan. 3.3.2 Bewijsoverwegingen feit 1 primair Inleiding Op 27 december 2024 vond in Lelystad een ontmoeting plaats tussen de aangever en getuige [slachtoffer 2] (hierna: de getuige) enerzijds, en de verdachte met drie onbekend gebleven personen anderzijds. Vaststaat dat de verdachte en de aangever via Telegram een afspraak hebben gemaakt, zodat de aangever vuurwerk van de verdachte kon kopen, waarvoor hij contant geld bij zich had. Ook staat vast dat de ontmoeting uitmondde in geweld, waarbij de aangever letsel opliep. De verklaringen verschillen over wie het geweld heeft gebruikt en op welke manier dat is gebeurd. De aangever en de getuige stellen dat zij door vier mannen met messen en een kettingslot zijn aangevallen. De verdachte verklaart dat slechts één man geweld heeft gebruikt, terwijl hijzelf met twee anderen is weggerend voordat het geweld begon. Hij zou geen mes of kettingslot bij zich hebben gehad en evenmin bij een ander hebben gezien. Betrouwbaarheid verklaringen aangever en getuige De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van de aangever en de getuige betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die de aangever en de getuige bij de politie, en later bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, op hoofdlijnen consistent zijn en elkaar hierin onderling ondersteunen. Ook vinden deze verklaringen op onderdelen steun in de verklaring van de verdachte en in andere bewijsmiddelen in het dossier, waardoor zij ook objectief verifieerbaar zijn. Het is de rechtbank opgevallen dat de verklaringen van de aangever en de getuige op punten verschillen, zowel onderling als ten opzichte van hun eerdere verklaringen. Maar in de kern verklaren de aangever en de getuige consistent over een diefstal met geweld, gepleegd door in ieder geval vier personen. De verklaringen vinden ook steun in objectief bewijs. Zo ondersteunt het bij het slachtoffer geconstateerde letsel de omstandigheid dat geweld is gebruikt. Voor de overtuiging weegt mee dat uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat hij op internet zoektermen heeft ingevoerd met onder meer woorden als ‘overval lelystad’, ‘lelystad straatroof’, ‘2 mannen gewond geraakt’ en ‘steekincident griend 2024’. Deze zoektermen passen bij het incident en duiden erop dat er wel degelijk goederen zijn weggenomen, dat er een mes in het spel was en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Verder oordeelt de rechtbank dat de verklaringen van de verdachte niet consistent zijn en geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zo heeft de verdachte bij zijn eerste politieverhoor verklaard helemaal niets te weten van een mogelijke straatroof op 27 december 2024 en zich niet te herinneren wat hij die dag heeft gedaan, terwijl hij bij de RC heeft verklaard dat hij toen alleen een verkoopafspraak heeft gemaakt maar zelf niet ter plaatse is geweest. Tijdens de behandeling van de gevangenhouding in raadkamer heeft verdachte verklaard dat hij wel ter plaatse is geweest en dat er een gevecht is ontstaan nadat één van de jongens heel boos werd. Op de zitting van 5 november 2025 heeft hij weer verklaard dat hij heeft gehoord dat er ruzie ontstond maar dat hij al was weggelopen voordat het gevecht begon en hij het gevecht dus niet heeft gezien. Gezien het voorgaande vindt de rechtbank de verklaringen van de verdachte niet betrouwbaar. Conclusie De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever en de getuige. De rechtbank oordeelt dat hun verklaringen op wezenlijke punten betrouwbaar zijn, ook waar zij spreken over het gebruik van messen en een kettingslot, en is er op grond daarvan overtuigd dat een diefstal met geweld in vereniging heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte als mededader betrokken was. De rechtbank oordeelt tot slot dat het letsel van de aangever niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat geen medische gegevens over mogelijk blijvend letsel, noch over de aard en noodzaak van eventueel medisch ingrijpen. Ter onderbouwing van het letsel heeft de benadeelde partij in zijn vordering een geschrift overgelegd waarin het letsel aan het oog van de aangever wordt beschreven. Het is echter niet duidelijk of dit geschrift is opgesteld door een medisch deskundige, zoals een optometrist, nu het overgelegde stuk afkomstig lijkt van een opticien. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. 3.3.3 Bewijsmiddelen feit 2 De verdachte bekent dat hij feit 2 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Gelet hierop volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 5 november 2025; een proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025; - een kennisgeving van inbeslagneming van 9 april 2025; - een proces verbaal van onderzoek verdovende middelen van 16 april 2025, met daarbij als bijlage opgenomen de uitslag van het NFI-onderzoek. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 primair: op 27 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (iPhone 16) en een geldbedrag van 1700 euro, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - via Telegram Marketplace een afspraak te maken met die [slachtoffer 1] en - vervolgens naar de afgesproken locatie te gaan met messen en - de deur van de bestuurderskant open te trekken en - een mes in de richting van [slachtoffer 2] te tonen en te zwaaien en- de woorden toe te voegen: 'waar is het geld' en - tegen de benen van die [slachtoffer 2] te trappen en - die [slachtoffer 1] tegen de auto te duwen en - de woorden toe te voegen: 'geef dat kanker geld', en - vuistslagen te geven tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen en - met een kettingslot tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en - een mes in de richting van die [slachtoffer 1] te tonen en te zwaaien, welk geweld lichamelijk letsel, te weten een opgezwollen oog(kas), voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad; feit 2 op 9 april 2025 te Lelystad, opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,25 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd met aanvullend: een locatieverbod en -gebod, in combinatie met elektronische monitoring en de voorwaarde dat het gebruik van een telefoon door de verdachte wordt gereguleerd, namelijk dat hij slechts één telefoon mag gebruiken en geen gebruik mag maken van Telegram en TikTok; - een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte jong is, nooit eerder in een gevangenis heeft gezeten en dat het voorarrest van zeven maanden veel impact op hem heeft gehad. De verdachte wil zijn leven beteren. De advocaat heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf. De advocaat heeft de rechtbank verzocht om geen voorwaarde op te leggen over de telefoon van de verdachte. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten Toen de aangever en de getuige naar de afgesproken locatie gingen in de veronderstelling dat zij vuurwerk zouden kopen, werden zij onverwacht aangevallen door vier personen. De aangever en de getuige moesten zich verdedigen, maar waren in de minderheid. Daarnaast waren de belagers gewapend, wat tot nog meer angst bij de aangever en de getuige moet hebben geleid. Het plotselinge en berekende geweld had één duidelijk doel: geld buitmaken. De verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven dat hij zich niet bekommerde om de gevolgen voor anderen. Als gevolg van het geweld heeft de aangever letsel aan zijn oog opgelopen, waarvan hij nog steeds hinder ondervindt. Ook heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, waardoor van gewetensbesef geen sprake is. Daarnaast had de verdachte twaalf bolletjes cocaïne in zijn bezit, en werd in zijn kamer een weegschaal aangetroffen. Dit doet vermoeden dat de verdachte zich ook bezighield met de handel in harddrugs, ondanks de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en de criminaliteit die gepaard gaat met de handel in verdovende middelen. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft over de persoon van de verdachte kennisgenomen van: - het strafblad van de verdachte van 14 oktober 2025; - een reclasseringsrapport over de verdachte van 9 juli 2025. Justitiële documentatie Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij op 2 april 2025 is veroordeeld voor het bezit van vuurwerkgerelateerde goederen (categorie II, onderdeel 7 van de Wet Wapens en Munitie) tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 175 dagen voorwaardelijk. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening, nu de verdachte – ondanks deze veroordeling met een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel als waarschuwing – opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Reclasseringsrapport De reclassering constateert dat de verdachte, mede door de huidige hechtenis, meer gemotiveerd lijkt te raken om mee te werken aan interventies. Het is de reclassering beter gelukt om een open gesprek met de verdachte te voeren, nu hij zijn eigen aandeel in het handelen in vuurwerk erkent en de risico’s die daarmee gepaard gaan. De reclassering adviseert toezicht met verschillende bijzondere voorwaarden, waaronder de mogelijkheid om tijdens het toezicht, indien noodzakelijk, te bepalen dat de verdachte begeleid moet gaan wonen. Strafkader Voor de rechtbank ligt voor de strafoplegging het zwaartepunt bij de diefstal met geweld in vereniging. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een straatroof met licht geweld is, zonder dat sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met: de ernst van de het feit zoals hiervoor omschreven; dat de diefstal in vereniging heeft plaatsgevonden; dat gelet op de hiervoor genoemde eerdere veroordeling, sprake is van recidive en dat de verdachte ook wordt veroordeeld voor het bezit van harddrugs. De verdachte heeft inmiddels zeven en een halve maand in voorarrest vastgezeten. Hoewel het voorgaande maakt dat de feiten reden genoeg zijn om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zal de rechtbank, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en omdat hij al wel een lange tijd in voorarrest heeft gezeten, anders beslissen. De rechtbank ziet, in het kader van speciale preventie, aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hiermee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijk ernstige) strafbare feiten te begaan. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en omdat de rechtbank het zware letsel niet bewezen oordeelt, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, zonder de juiste hulp en begeleiding, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, verklaart de rechtbank de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar. De rechtbank zal niet de door de officier van justitie gevorderde locatieverbod en -gebod met elektronische monitoring opleggen als bijzondere voorwaarde. Er zijn volgens de rechtbank geen aanwijzingen dat er nog contact zal plaatsvinden tussen de verdachte en de aangever. Ook zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarde opleggen die ziet op het gebruik van een telefoon door de verdachte, gelet op het gegeven dat onvoldoende duidelijk is geworden hoe dit praktisch vormgegeven dan wel gehandhaafd kan worden. Tot slot, zal de rechtbank, om de verdachte eens te meer duidelijk te maken en te laten voelen wat de consequenties zijn van de keuzes die hij heeft gemaakt en het strafwaardige van zijn handelen, een taakstraf opleggen, voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien verdachte die taakstraf niet naar behoren uitvoert. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen. 6Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair) [slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 11.875,- voor feit 1 primair, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.875,- voor vergoeding van materiële schade en € 10.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen: 1. weggenomen geldbedrag: € 1.700-; 2. vergoeding voor het vervangen van de beschadigde jas en broek: € 175,-. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie laat de beslissing over de vordering van de benadeelde partij over aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij de rechtbank verzocht om bij een (gedeeltelijke) toewijzing te bepalen dat de vordering hoofdelijk wordt toegewezen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleitte vrijspraak voor feit 1. Over de jas en de broek is volgens de advocaat niet gebleken waarom dit niet gereinigd had kunnen worden. Over de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat zwaar lichamelijk letsel en de psychische gevolgen van het ten laste gelegde feit onvoldoende zijn onderbouwd. Tot slot heeft de advocaat verzocht om bij een eventuele toewijzing van immateriële schade het bedrag sterk te matigen. 6.4. Oordeel van de rechtbank Materiele schade Het gedeelte van de vordering dat ziet op het weggenomen geldbedrag is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 primair bewezenverklaarde. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de vergoeding voor het vervangen van de beschadigde jas en broek niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. De vordering bevat enkel foto’s van vervuilde en versleten kleding, maar onvoldoende is gebleken dat dit het gevolg is van het bewezenverklaarde. Evenmin is duidelijk of daadwerkelijk sprake is van schade, dan wel slechts van vervuiling die door het wassen van de kleding kan worden verholpen. Gelet hierop is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanheft en sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie gering oogletsel, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het letsel, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af. Totale schade en wettelijke rente De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 4.700,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Hoofdelijkheid De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat zowel de verdachte als zijn mededaders tegenover de benadeelde partij voor het hele toegewezen bedrag aansprakelijk zijn. Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 4.700,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot de dag van volledige betaling. Als de verdachte niet betaalt, zal deze verplichting worden aangevuld met 57 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling door de verdachte en/of (een van) zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.