RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16-064024-25; 16-364309-24 (gev. ttz); 16-048896-25 (gev. ttz); 16-033623-22 (tul) en 16-119812-24 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juni 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in het [verblijfplaats] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1ZITTING De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2025. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. S. Mirshahi; de advocaat van de verdachte: mr. R.P. van der Graaf; de benadeelde partij: dhr. [benadeelde] 2TENLASTELEGGING De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: 16-364309-24 op 15 november 2024 in Utrecht ramen en een wasbak van [instelling] heeft vernield; 16-064024-25 op 28 februari 2025 in Utrecht ramen van [instelling] heeft vernield; op 28 februari 2025 wederrechtelijk is binnengedrongen bij [instelling] , locatie [locatie] , terwijl hem de toegang tot die locatie was ontzegd; 16-048896-25 op 14 februari 2025 in Utrecht ruiten van de woning en autoruiten en/of de auto van [aangever 1] heeft vernield en/of beschadigd; op 14 februari 2025 in Utrecht autoruiten en/of de auto van [aangever 2] heeft vernield en/of beschadigd; op 14 februari 2025 in Utrecht autoruiten en/of de auto van [aangever 3] en [benadeelde] heeft vernield en/of beschadigd; op 14 februari 2025 in Utrecht de auto van [aangever 4] heeft beschadigd. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3BEWIJS EN DE BEWEZENVERKLARING 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. 3.2. Het standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft geen bewijsverweer gevoerd en heeft de beoordeling van het bewijs aan de rechtbank overgelaten. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1 De bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat de verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd. Zij gebruikt daarvoor de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.Deze bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 16-364309-24 en 16-064024-25 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , genummerd PL0900-2024363489-7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 15 november 2024 omstreeks 01:00 uur werden wij, verbalisanten, gestuurd naar de ' [locatie] ' van [instelling] in Utrecht. Wij hoorden aanrijdend van het Operationeel Centrum dat bewoner [verdachte] zelf had gebeld naar 112 omdat hij daar de boel aan het slopen was. Toen wij ons dienstvoertuig ter plaatse tot stilstand brachten, zagen wij een man op ons dienstvoertuig af komen lopen. Wij zagen dat hij zijn handen omhooghield en dat hij stil ging staan voor ons dienstvoertuig. Ik herkende deze persoon direct als [verdachte] . Wij hoorden diverse bewoners van [locatie] tegen ons zeggen dat wij hem moesten aanhouden omdat hij alle ruiten had vernield. Ik vroeg aan [verdachte] waarom er twee stoeptegels op de oprit lagen. Wij, beide verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen dat hij hier nog niet aan toe was gekomen en dat deze stoeptegels bestemd waren voor zijn eigen woning. Daarop hoorden wij [verdachte] zeggen dat hij het hele terrein had gehad en dat hij ook dingen van zijn eigen woning kapot had gemaakt. Op enig moment bespraken wij, beide verbalisanten, dat onze collega foto's zou maken van de kapotte ramen. Wij hoorden [verdachte] hierop, uit zichzelf, zeggen dat 'zij dan nog wel even bezig zou zijn, omdat hij bijna alles had gehad'. Wij zagen dat [verdachte] bloed aan zijn handen had en dat één van zijn nagels gebroken was. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , genummerd : PL0900-2024363489-8, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 15 november 2024 omstreeks 01:00 uur werden wij, verbalisanten, gestuurd naar de ' [locatie] ' van [instelling] in Utrecht. Ik zag dat de collega's in gesprek waren met [verdachte] . Daarop liepen wij naar de ingang van het hoofdgebouw. Wij zagen dat er meerdere ruiten van het hoofdgebouw kapot waren. Ook zagen wij dat er in de gang een stoeptegel op de grond lag. Tegenover het hoofdgebouw, aan de kant van de binnenplaats van het terrein, staan twee grote houten schuren. Ik zag dat er twee ruiten van de schuur waren vernield. Ik liep samen met de begeleider eerst naar een gebouw waar [instelling] een klein kantoor heeft. Ik zag dat er twee ruiten vernield waren van het gebouw. Vervolgens liep ik samen met de begeleider naar de woning van [verdachte] . Ik zag dat de wasbak in zijn badkamer was vernield. Ik zag dat er scherven van de wasbak op de grond lagen. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 18 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Rechter-commissaris: Bij [instelling] bent u de komende tijd niet welkom begrijp ik. Verdachte: Kunt u er niet voor zorgen dat ik weer terug kan? Rechter-commissaris: Daar heb ik geen invloed op. Wilt u verder nog iets zeggen? Verdachte: Ik heb de politie ook gezegd dat ze beter konden komen omdat ik een aantal dingen had vernield. Een proces-verbaal van aangifte van huisvredebreuk van [aangever 5] namens [instelling] , genummerd 250228-1152-890, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 28 februari 2025 zat ik samen met mijn collega in het kantoor van [instelling] in Utrecht. Ik zag middels de camera's die hangen op het terrein [verdachte] het terrein op lopen. Het is mij bekend dat [verdachte] een ontzegging heeft voor het pand en het gehele terrein wat toebehoort aan het bedrijf [instelling] . Deze ontzegging is ingegaan op 15 november 2024 naar aanleiding van een vernieling. Ik zag op de camera's dat [verdachte] over het terrein liep in de richting van de ingang. Ik zag vervolgens dat [verdachte] voor het raam van het kantoor stond. Ik zag dat [verdachte] weer weg liep. Ik zag dat [verdachte] terug kwam lopen met een stoel in zijn handen. Ik zag dat [verdachte] met deze stoel op het raam sloeg. Ik zag dat het raam barste. Ik zag dat hij met de stoel tegen een ander raam sloeg. Ik zag dat dit raam kapot barste. Ik zag dat het raam geheel gebroken was. Ik voeg de ontzegging bij de aangifte toe als bijlage. Een pand/terrein ontzegging, als bijlage gevoegd bij de aangifte van [aangever 5] , genummerd 250228-1152-890, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Bedrijf: [instelling] , locatie [locatie] , Utrecht Ontzegging aan: [verdachte] U heeft in de nacht van 14 op 15 november vernielingen gepleegd bij [instelling] [locatie] . U heeft meerdere ramen ingegooid, waaronder de ramen van de gang (.......). U heeft vernielingen gepleegd in uw chalet. Naar aanleiding van deze vernielingen is u de toegang tot het terrein van [instelling] locatie [locatie] ontzegd tot nog nader te bepalen datum. Mocht u desondanks toch [locatie] betreden, dan maakt u zich schuldig aan huisvredebreuk, artikel 138 Wetboek van Strafrecht. Ook zullen we de politie bellen en aangifte doen. Datum uitreiking: 15 november 2024. Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 6] namens [instelling] , genummerd PL0900-2025064678-14, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 28 februari 2025 was ik werkzaam bij de opvanglocatie genaamd: ' [locatie] ' van ' [instelling] '. Ik zat samen met mijn collega op het kantoor en had zicht op de camerabeelden van het terrein. Ik zag op de beelden dat [verdachte] het terrein op kwam lopen. Ik ben toen door het raam van ons kantoor gaan kijken en ik zag dat [verdachte] het pand betreden had en dat hij de gang in kwam en voor het raam van ons kantoor kwam staan. Ik zag vervolgens dat [verdachte] weg liep en enkele ogenblikken terug kwam met een stoel. Ik zag dat [verdachte] de stoel vastpakte en met de stoel tegen het raam is gaan slaan. In dit raam zitten alleen barsten.Ik zag dat [verdachte] ook het raam aan de buitengevel geraakt heeft met dezelfde stoel. Dit raam is vernield. 16-048896-25 Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 1] , genummerd PL0900-2025047729-6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik woon aan de [adres 1] in [plaats] . Op 14 februari 2025, omstreeks 00:28 uur, hoorde ik een doffe knal. Ik hoorde dat er iemand tegen de voordeur aan trapte. Ik hoorde dat er iets door mijn voorruiten werd gegooid, en hierdoor het glas op de grond viel. Ik hoorde een persoon schreeuwen. Ik herkende gelijk dat dit mijn zoon [verdachte] was. Ik hoorde dat de vernieling doorging, door meerdere doffe klappen en glas gerinkel. Niet veel later heeft de politie [verdachte] verderop in de straat aangehouden. Omstreeks 00:35 uur zag ik dat er twee voorramen van mijn woning vernield waren. Ik zag dat er ook twee ramen met glas in lood, die boven de andere ramen zitten, vernield waren. Ik zag dat de ruit boven mijn voordeur, ook vernield was. Ik zag later dat er, in mijn woonkamer, een steen lag. Ik zag dat er ook in de gang een steen lag. Omstreeks 00:40 uur, zag ik dat de achterruit van mijn auto vernield was. Ik had mijn auto geparkeerd voor mijn voordeur. Ik zag dat er naast mijn auto, nog twee auto's vernield waren. Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 2] , genummerd PL0900-2025047752-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik woon aan de [adres 2] te [plaats] . Op 14 februari 2025, omstreeks 00:25 uur, hoorde ik een harde klap. Ik keek uit het raam en zag daar de zoon van de overbuurvrouw. Ik zag dat hij met een steen een raam van de woning tegenover mijn woning aan het ingooien was. Ik zag dat hij daarna naar onze personenauto liep en een steen door de achterruit gooide. Ik zag dat hij daarna naar de personenauto naast onze auto liep en deze ook vernielde met een steen. Ik zag dat hij daarna naar de geparkeerde auto aan de andere kant van onze auto liep en hier ook een steen door de achterruit heen gooide. Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 3] namens [benadeelde] , genummerd PL0900-2025047899-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte namens [benadeelde] Gisteren [de rechtbank begrijpt: op 13 februari 2025] kwam ik rond 23.00 uur aan t.h.v. de [adres 2] in [plaats] . Op 14 februari 2025 omstreeks 09.00 uur kwam ik aan bij de auto van mijn ouders. Toen ik dichterbij het voertuig kwam zag ik dat: - de vooruit beschadigd was. - het glas was naar binnen toe ingedeukt was. - boven het achterportier een deuk zat met hierin krassen. - op de ruit van het achterportier aan de bestuurderszijde ook een beschadiging zat. - de ruit van het achterportier aan de bijrijderszijde niet meer aanwezig was. - onder de handgreep van het achterportier aan de bijrijderszijde lag een steen. Een proces-verbaal van aangifte van vernieling van [aangever 4] , genummerd PL0900-2025048166-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 10 februari 2025 parkeerde ik mijn auto in een parkeervak aan de [straat] , ter hoogte van nummer [nummer] . Op 13 februari heb ik mijn auto voor het laatst onbeschadigd gezien. Op 14 februari, omstreeks 03:00 uur, kwam ik thuis. Ik zag bij een huis in de straat dat de ruiten kapot waren. Vervolgens draaide ik mij om en zag mijn auto staan. Ik zag dat de volgende schade aan mijn auto was aangebracht: - een deuk van ongeveer 15 tot 20 centimeter en - lakschade aan het metaal onder de kentekenplaat op de achterbumper. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , genummerd PL0900-2025047729-12, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 14 februari 2025 werd ik wakker gemaakt door mijn partner en hoorde ik glasgerinkel. Wij liepen naar de voorkant van de eerste verdieping met uitzicht op de straat. Toen zagen wij [verdachte] (de zoon van de overbuurvrouw op nummer [nummer] ) heen en weer lopen en stenen oprapen en gooien. Ik zag dat hij stenen aan het oprapen was van de grond en dat hij die tegen de ruiten aangooide bij nummer [nummer] . Ik zag dat hij daarna met stenen aan het gooien was naar auto's. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2025047729-2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 14 februari 2025 kwamen wij ter plaatse op de [straat] in Utrecht. Ik zag dat er één persoon in de straat, ter hoogte van nummer [nummer] stond. Ik zag dat hij een voorwerp, dat leek op een steen, in zijn handen vasthield. Ik herkende hem als [verdachte] . 3.3.2 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: 16-364309-24 op 15 november 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ramen en een wasbak, toebehorende aan [instelling] , heeft vernield; 16-064024-25 1. op 28 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ramen en/of ruiten, toebehorende aan [instelling] , heeft vernield; 2. op 28 februari 2025 te Utrecht in het besloten lokaal, in gebruik bij [instelling] , locatie [locatie] , wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 15 november 2024 schriftelijk de toegang tot die locatie ontzegd; 16-048896-25 1. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning en een ruit van een auto, toebehorende aan [aangever 1] , heeft vernield; 2. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto, toebehorende aan [aangever 2] , heeft vernield; 3. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk autoruiten en een auto, toebehorende aan [benadeelde] , heeft vernield en beschadigd; 4. op 14 februari 2025 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [aangever 4] , heeft beschadigd. Het overige wat in de beschuldiging staat kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: 16-364309-24, 16-064024-25, feit 1 en 16-048896-25, feiten 1, 2, 3 en 4 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen; 16-064024-25, feit 2 in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen. 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5OPLEGGING VAN MAATREGEL 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (een zogeheten ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 5.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank allereerst verzocht om aan de verdachte enkel een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest (met aftrek van dat voorarrest). Verdachte heeft hulp nodig, maar de verdediging heeft er geen vertrouwen in dat die hulp hem kan worden geboden binnen het kader van de ISD-maatregel. Alleen daders die intrinsiek gemotiveerd zijn, komen binnen dat kader in aanmerking voor hulpverlening en/of een verblijf in een kliniek. Verdachte is echter niet altijd gemotiveerd of in staat om te laten zien dat hij gemotiveerd is. Dat is geen onwil, maar onmacht. Het is daarom onwenselijk om de ISD-maatregel, die is bedoeld als ultimum remedium, aan de verdachte op te leggen. Verder is niet voldaan aan de vereisten voor het opleggen van een zorgmachtiging en is verdachte niet in staat zich altijd aan bijzondere voorwaarden te houden, zodat het opleggen van een voorwaardelijke straf met een reclasseringstoezicht ook geen soelaas biedt. Het opleggen van een ‘kale’ gevangenisstraf is wat de verdediging betreft daarom de enige optie. Indien de ISD-maatregel toch aan verdachte wordt opgelegd, verzoekt de verdediging de rechtbank de duur van de maatregel te beperken tot een jaar en daarbij te bepalen dat zes maanden na oplegging van de maatregel via een tussentijdse toets wordt beoordeeld of er al zicht is op plaatsing van de verdachte in een kliniek. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte de maatregel op tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest. Bij het bepalen van deze maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder hij deze feiten heeft gepleegd. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn strafblad. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte woonde vanaf februari 2024 begeleid in een woning op het terrein van [instelling] in Utrecht. In november 2024 heeft hij meerdere ruiten van gebouwen op dit terrein vernield door er stoeptegels tegenaan of doorheen te gooien. Naar aanleiding hiervan heeft [instelling] verdachte de woning uitgezet en hem de toegang tot het terrein en de panden van [instelling] ontzegd. De verdachte kwam ondanks die ontzegging op 28 februari 2025 het terrein van [instelling] oplopen, om vervolgens in het hoofdgebouw opnieuw een aantal ruiten te vernielen. Kort daarvoor, in de nacht van 14 februari 2025, had de verdachte ook al verschillende ruiten van de woning van zijn moeder met stenen ingegooid. Diezelfde nacht heeft hij ook de autoruit van haar auto en de autoruiten en/of auto’s van drie van haar buren vernield en beschadigd. Uit de verschillende stukken in het procesdossier blijkt dat het gedrag van de verdachte niet alleen voor veel overlast heeft gezorgd, maar ook beangstigend is geweest voor de bewoners en werknemers van [instelling] en voor de moeder van de verdachte en haar buren, omdat verdachte ’s avonds laat of ’s nachts woedend met stenen of grote stoeptegels aan het gooien was. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij deze schade, overlast en onrust heeft veroorzaakt. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Rapport van de psycholoog GZ-psycholoog L. van Peer heeft de verdachte onderzocht en haar bevindingen vastgelegd in een rapport. In dit rapport van 16 februari 2025 staat – kort en zakelijk weergegeven – het volgende. Verdachte heeft een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Verder is sprake van trauma gerelateerde problematiek. Deze stoornissen en problemen had de verdachte ook al ten tijde van het plegen van de bewezen feiten en het is aannemelijk dat de beperkingen die samenhangen met de persoonlijkheidsstoornis op zijn minst enige invloed hebben gehad op zijn handelen. Tijdens het onderzoek kon geen volledige diagnose worden gesteld, omdat de verdachte niet volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt. Het lijkt erop dat hij ook psychotisch ontregeld is (geweest), maar wat hiervan de precieze oorzaak is, blijft onduidelijk. Als de verdachte niet klinisch wordt behandeld, is de kans groot dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen. Hij kan op dit moment namelijk nog niet goed met stressvolle situaties, problemen of tegenslagen omgaan. Dit leidt, samen met de emotieregulatie problemen van de verdachte, tot ‘acting-out’ gedrag. Het is volgens de psycholoog moeilijk om een passend strafrechtelijk kader voor de verdachte te vinden. Aan de verdachte is in 2016 de ISD-maatregel opgelegd, maar deze maatregel heeft onvoldoende effect gehad. Ook daarna opgelegde interventies – zoals een verplichte klinische behandeling als bijzondere voorwaarde met een reclasseringstoezicht – hebben niet tot verbetering geleid, omdat de verdachte niet in staat was zich aan de voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.