Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2025:7054
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/97 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres, (gemachtigde: D.A.N. Bartels), en de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 7 januari 2025 heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 27 december 2024.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. De gemachtigden van eiseres is verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.
Overwegingen 1. De gemachtigde van eiseres heeft op zitting gevraagd het beroep aan te houden vanwege het faillissement van eiseres, uitgesproken op [datum faillissement] 2025. Volgens de gemachtigde moet de curator namelijk gevraagd worden of hij de procedure wil voortzetten. De rechtbank heeft dit verzoek op zitting afgewezen, met de mededeling dat, indien nodig, het onderzoek heropend zou worden. De rechtbank ziet in het faillissement van eiseres geen reden om het onderzoek te heropenen. Als tijdens een faillissement een beroep van de gefailleerde aanhangig is, kan verweerder op grond van artikel 27 van de Faillissementswet schorsing van het geding vragen om de curator op te roepen om als partij in de plaats te treden van de gefailleerde. De rechter moet dan een termijn stellen waarbinnen de curator moet beslissen of hij de procedure voortzet. Dit artikel is op grond van artikel 8:22 van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard voor bestuursrechtelijke procedures. Het artikel vindt echter geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. Dat is in deze zaak aan de orde. Partijen zijn op 15 juli 2025 uitgenodigd en eiseres is op [datum faillissement] 2025 failliet verklaard.
Overschrijding redelijke termijn 7. De gemachtigde van eiseres heeft namens haar verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet (of niet op tijd of niet volledig) betalen van griffierecht, de rechtbank in beginsel geen uitspraak hoeft te doen over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. In dat geval is het uitgangspunt dat recht bestaat op immateriële schadevergoeding als sinds de ontvangst van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016.
Beslissing De rechtbank verklaart: het beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:HR: 2016:2723.