RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/7793 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. R. Grijpstra), en Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 4 mei 2022 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 1 juli 2024 een besluit op bezwaar te nemen. Op 17 december 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 21 januari 2025 een reactie gegeven op het verweerschrift. Verweerder heeft desgevraagd antwoord gegeven op de vragen van de rechtbank. Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
- Op 17 juni 2024 heeft verweerder een beslissing genomen op de aanvraag van eiser. Eiser heeft bij brief van 3 december 2024 beroep ingesteld, omdat hij stelt dat verweerder niet tijdig een beslissing op aanvraag heeft genomen.
- Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiser geen procesbelang heeft, omdat eiser het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag heeft ingesteld, nadat verweerder een besluit heeft genomen. Eiser stelt dat hij het besluit van 17 juni 2024 niet heeft ontvangen. Bij brief van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank verweerder verzocht de verzending van het bestreden besluit aannemelijk te maken.
- Volgens verweerder is het besluit van 17 juni 2024 per e-mail aan eiser toegezonden, nadat telefonisch contact met eiser had plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft eiser ermee ingestemd dat het besluit per e-mail zou worden verzonden, aangezien hij op dat moment niet over een woonadres beschikte (productie 5). Daarnaast heeft verweerder voorafgaand aan de verzending per e-mail een schriftelijke bevestiging van eiser ontvangen, waarin hij met deze wijze van toezending instemde (productie 6).
- Daargelaten of het besluit juist is verzonden, staat vast dat verweerder een besluit heeft genomen op het moment van indienen van het beroep niet tijdig. Dit betekent dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. De rechtbank kan het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk beoordelen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Dit zou anders zijn indien vast staat dat eiser pas veel later bekend is geworden met het genomen besluit. De rechtbank acht het echter onaannemelijk dat de e-mail met het besluit eiser niet heeft bereikt, nu deze is verzonden in antwoord op een e-mail van eiser zelf. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december
- De griffier is buiten staat te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.