Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2025:7332
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5415 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen [eiser], eiser, (gemachtigde: I.N.D.J. Rissema) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: W.G. Vos).
Procesverloop 1. De heffingsambtenaar heeft eiser op 25 oktober 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Op 6 december 2023 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.
Overwegingen 8. Het resterende geschil tussen partijen gaat over de vraag of de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd is wegens het niet tijdig uitbetalen van de dwangsom. Daarnaast zijn de proceskosten wegens het beroep niet tijdig beslissen aan de orde.
Wettelijke rente over de dwangsom 9. In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt maximaal € 1.442,-. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb). De betalingstermijn van de dwangsom is zes weken na bekendmaking van de beschikking (artikel 4:87, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank kwalificeert het gewicht van deze zaak als licht nu het geschil is beperkt tot de vraag of de wettelijke rente over de dwangsom moet worden toegewezen.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 9 oktober 2023 om 09:28 uur.
Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie Kamerstukken II 2004/5, 29 934, nr. 6 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29934-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), p. 15