RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/189598-21 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer van 9 december 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [de veroordeelde] geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [adres] in [plaats] , hierna: de veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De officier van justitie heeft bij vordering van 23 oktober 2025 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 november
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen de veroordeelde en mr. J.M. Keizer naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie van 23 oktober 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 98.943,
- 2.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van de veroordeelde heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op nihil en dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 9 december 2025 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: medeplichtigheid aan het handelen in strijd met de Opiumwet. Voornoemd feit is gepleegd op 20 april
- De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Sr). 3.2 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank oordeelt dat op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde tijdens de zitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde meer dan de door hem gestelde € 6.000,- heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning ten behoeve van de exploitatie van de hennepkwekerij. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde, hoewel hij is vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit, de schade van Liander N.V. die is ontstaan als gevolg van de diefstal met behulp van een betaalregeling heeft vergoed. Dit betreft een bedrag van € 9.137,
- Dit bedrag is aanzienlijk hoger dan het gestelde bedrag van € 6.000,- dat de veroordeelde in verband met de exploitatie van de hennepkwekerij heeft ontvangen. Het voorgaande afwegende, stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen. 4BESLISSING De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. R.B. Eigeman en mr. H.J. van Woudenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december
- De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.