RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Lelystad zaaknummer: C/16/573721 / FL RK 24-424 Beschikking van 10 oktober 2025 in de zaak van: [de vader] , wonend in Duitsland, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. M. van Harskamp, tegen [de moeder] , wonend in [plaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. C.M. Suurmeijer. 1De procedure 1.
- Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft de rechtbank een voorlopige contact- en informatieregeling vastgesteld. De (definitieve) beslissing over het gezag, de omgang en de informatieregeling heeft de rechtbank aangehouden en de Raad gevraagd onderzoek te doen naar welke beslissing daarover het meest in het belang van [minderjarige (voornaam)] is. 1.
- De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen: een bericht met bijlage van de vader, binnengekomen op 14 januari 2025; het Raadsrapport met bijlagen, binnengekomen op 26 maart 2025; aanvullende stukken van de Raad, binnengekomen op 10 april 2025; een bericht van de vader, binnengekomen op 24 april 2025; een bericht met bijlage van de moeder, binnengekomen op 25 april 2025; aanvullende stukken van de Raad, binnengekomen op 16 juni 2025; een bericht van de moeder, binnengekomen op 18 juni 2025; aanvullende stukken van de Raad, binnengekomen op 5 september
- 1.
- De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 8 september
- Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat en tolk J. Labban; de moeder met haar advocaat en tolk N. Fadhi; [A] en [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad). 1.
- De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige (voornaam)] , de hierna vermelde dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor. 2Waar de procedure over gaat 2.
- De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. 2.
- Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [2020] in [geboorteplaats] , Hongarije. [minderjarige (voornaam)] woont bij de moeder. 2.
- Ondanks dat dit eerder ter discussie stond, gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige (voornaam)] zijn belast. De rechtbank zal op dit punt bij de inhoudelijke behandeling verder ingaan. 2.
- De vader verzoekt de rechtbank: - een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige (voornaam)] vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige (voornaam)] : o zolang de vader niet in Nederland woont, wekelijks tenminste een halfuur contact met de vader heeft via beeldbellen alsmede één keer per maand een week bij de vader verblijft in Nederland; o vanaf het moment dat de vader in Nederland woont om de week van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen; althans een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige (voornaam)] passend acht. - een informatie- en consultatie regeling vast te stellen op grond waarvan de moeder de vader ten minste één keer per maand, en zo nodig vaker per e-mail moet consulteren en informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige (voornaam)] , waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend, met betrekking tot haar verblijfplaats, school, buitenschoolse activiteiten, medische aangelegenheden en betrokken hulpverlening, althans een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige (voornaam)] passend acht. 2.
- De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en verzoekt deze af te wijzen. De moeder verzoekt de rechtbank zelfstandig om haar met het eenhoofdig gezag te belasten. 2.
- Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft de rechtbank een voorlopige contact- en informatieregeling vastgesteld waarbij er één keer per week videobelcontact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] plaatsvindt en waarbij de moeder de vader één keer per maand informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige (voornaam)] . 3De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 3.
- De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en het Nederlandse recht is van toepassing op de verzoeken van partijen omdat [minderjarige (voornaam)] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Gezag 3.
- De rechtbank zal beslissen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] heeft. Dit betekent dat de moeder voortaan alleen de beslissingen over [minderjarige (voornaam)] mag nemen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij dit doet. 3.
- Aanvankelijk waren partijen het niet eens over wie met het gezag over [minderjarige (voornaam)] is belast. Inmiddels is gebleken dat partijen zich allebei op het standpunt stellen dat zij gezamenlijk het gezag over [minderjarige (voornaam)] hebben. De rechtbank gaat daar ook van uit. Op grond van artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) wordt het van rechtswege ontstane gezag namelijk beheerst door het recht van de gewone verblijfplaats van het kind. [minderjarige (voornaam)] is geboren in Hongarije terwijl de ouders daar woonden en naar Hongaars recht oefenen de ouders dan gezamenlijk het gezag over haar uit, ongeacht of zij getrouwd zijn. Artikel 13 lid 3 van het HKBV 1996 bepaalt dat het bestaande gezag blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat. 3.
- Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank kan anders beslissen indien er een gevaar is dat het kind klem of verloren raakt of indien het anderszins niet in het belang van het kind zou zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt. 3.
- Er is veel discussie tussen de ouders over hoe de afgelopen jaren zijn verlopen en over of dat wel of niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] is geweest. Vast staat dat de ouders vanaf de geboorte van [minderjarige (voornaam)] in [2020] als gezin in Hongarije woonden, maar dat zij in juli 2021 met [minderjarige (voornaam)] naar Gaza zijn gegaan. In Gaza is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Daarna zijn de vader en de moeder, afzonderlijk van elkaar, teruggekeerd naar Hongarije, maar [minderjarige (voornaam)] is in Gaza achtergebleven. In augustus 2022 is de moeder vanuit Hongarije naar Nederland gekomen. [minderjarige (voornaam)] is in maart 2024 naar Nederland gekomen en met de moeder herenigd. De vader is al die tijd in Hongarije blijven wonen. [minderjarige (voornaam)] heeft dus ruim tweeëneenhalf jaar zonder één van haar ouders in Gaza verbleven. Zij werd daar verzorgd door haar oma en tantes (moederszijde). 3.
- De moeder heeft verklaard dat zij Gaza noodgedwongen moest verlaten vanwege de dreiging van eergerelateerd geweld na de scheiding. Volgens de moeder was zij niet op de hoogte van de scheiding en heeft de vader dat zonder haar medeweten geregeld. Zij heeft geprobeerd [minderjarige (voornaam)] mee terug te nemen naar Hongarije, maar daarvoor gaf de vader geen toestemming. De moeder heeft ook daarna op allerlei manieren geprobeerd om alsnog toestemming te krijgen door andere kennissen en familie van de vader te benaderen, maar de vader reageerde nergens op. Uiteindelijk is het de moeder door de inzet van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Egyptische en Palestijnse autoriteiten gelukt om [minderjarige (voornaam)] met oma naar Nederland te laten komen, ondanks dat er nog altijd geen toestemming van de vader was om uit te reizen. Deze reis is zeer stressvol en gevaarlijk geweest omdat ze door het gebrek aan toestemming van de vader meerdere keren zijn geweigerd bij de grens. 3.
- De vader heeft daarover verklaard dat hij gedurende die periode een zware tijd doormaakte, tijd nodig had om te herstellen van de scheiding en daarom het contact met de moeder niet aan wilde gaan. De moeder was volgens de vader wel op de hoogte van de scheiding. Verder was het volgens de vader voor [minderjarige (voornaam)] veilig genoeg in Gaza en wilde hij eerst afspraken maken over een zorg- en contactregeling met [minderjarige (voornaam)] voordat hij toestemming gaf om haar over te laten brengen naar Hongarije of Nederland. 3.
- De rechtbank vindt het net als de Raad onbegrijpelijk dat [minderjarige (voornaam)] zo lang van haar ouders gescheiden is geweest. Ondanks dat zij goed verzorgd werd door de familie van de moeder, zijn de belangrijkste hechtingsfiguren plotseling fysiek uit haar leven verdwenen. Dat terwijl zij in een zeer onrustige en onveilige omgeving woonde. Op 7 oktober 2023 is de oorlog in Gaza officieel uitgebroken en ook daarna heeft het nog een halfjaar geduurd voordat [minderjarige (voornaam)] het oorlogsgebied heeft kunnen verlaten. De rechtbank kan de vader daarom niet volgen in zijn stelling dat het voor [minderjarige (voornaam)] veilig genoeg was in Gaza. Verder heeft de rechtbank net als de Raad zorgen over de beschuldigingen van de moeder over mishandelingen door de vader. De moeder heeft ter onderbouwing daarvan verklaringen overgelegd van onder andere het ziekenhuis in Hongarije. De vader ontkent het huiselijk geweld, maar heeft geen andere verklaring kunnen geven voor het opgelopen letsel van de moeder. 3.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] is. De rechtbank vindt dat de vader de afgelopen jaren niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] heeft gehandeld. Door zijn gedragingen heeft [minderjarige (voornaam)] Gaza niet kunnen verlaten en heeft zij haar beide ouders jaren moeten missen en is zij getraumatiseerd door oorlogsgeweld. Daar komt bij dat hij zich gedurende lange tijd onbereikbaar heeft gehouden voor de moeder en [minderjarige (voornaam)] niet zelf heeft bezocht of bij haar betrokken is geweest. De rechtbank acht hem daarom ook op dit moment niet in staat om weloverwogen beslissingen in haar belang te nemen. Ook vindt de rechtbank dat van de moeder niet kan worden verwacht dat zij direct contact met de vader aan moet gaan over gezagsbeslissingen. Door alles wat er is gebeurd, is zij zeer angstig voor de vader en de rechtbank vindt die angst gelet op haar verklaringen en de bevindingen van de Raad reëel. De Raad heeft na zeer uitgebreid onderzoek te hebben gedaan en beide ouders meermaals gesproken te hebben, namelijk geconstateerd dat het verhaal van de moeder consistent is en dat het verhaal van de vader op verschillende punten tegenstrijdig en wisselend is. De rechtbank zal daarom beslissen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over [minderjarige (voornaam)] zal zijn belast. Omgangsregeling 3.
- De rechtbank zal nu nog geen definitieve beslissing nemen over de omgangsregeling, maar die beslissing nog zes maanden aanhouden. Dat betekent dat de eerder vastgestelde voorlopige omgangsregeling waarbij er één keer per week videobelcontact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] plaatsvindt, blijft gelden. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dit doet. 3.
- Net als de Raad vindt de rechtbank een fysieke omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] . Zoals hiervoor beschreven is er de afgelopen jaren heel veel gebeurd in haar leven. [minderjarige (voornaam)] heeft nadat zij in Nederland is gekomen traumaklachten laten zien. Zo heeft zij veel nachtmerries en is zij bang voor vliegtuigen of andere harde geluiden. Inmiddels is zij iets meer gewend, maar ze is nog steeds schrikachtig. Verder heeft [minderjarige (voornaam)] de vader al jaren niet meer in het echt gezien en zijn er ook zorgen over de veiligheid van [minderjarige (voornaam)] gelet op het huiselijk geweld tussen de ouders en over de keuzes die de vader het afgelopen jaar heeft gemaakt ten aanzien van de verblijfplaats [minderjarige (voornaam)] . De Raad is van mening dat er eerst hulpverlening voor de moeder en [minderjarige (voornaam)] moet worden ingezet om alle nare gebeurtenissen te kunnen verwerken. Tijdens de zitting is gebleken dat er inmiddels een intakegesprek is geweest voor passende hulp bij [instelling] . Afhankelijk van hoe [minderjarige (voornaam)] daarop reageert kan daarna gekeken worden wat er haalbaar is ten aanzien van fysiek contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] . Daarbij gaat het niet alleen om wat [minderjarige (voornaam)] aankan, maar ook om wat de moeder aankan. Ook moet worden gekeken wat er praktisch mogelijk is nu de vader niet in Nederland woont. De rechtbank sluit zich daarbij aan. 3.
- De Raad heeft geadviseerd de definitieve beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van negen maanden. Omdat het rapport inmiddels al een halfjaar oud en is omdat de hulpverlening recent is gestart, zal de rechtbank die duur beperken tot zes maanden. In de tussentijd vindt de rechtbank het wel belangrijk dat het videobelcontact doorgang blijft vinden. Tijdens de zitting is besproken dat beide ouders zich inzetten voor het videobelcontact en dat het over het algemeen ook goed verloopt, maar dat het lastig is om [minderjarige (voornaam)] haar aandacht lang vast te houden. Daarom heeft de Raad aangegeven dat het goed is om het contact maximaal 15 tot 20 minuten te laten duren. Informatieregeling 3.
- Tijdens de zitting is gebleken dat de eerder door de rechtbank vastgestelde voorlopige informatieregeling wordt uitgevoerd en de moeder de vader maandelijks informeert over [minderjarige (voornaam)] . Omdat de rechtbank beslist dat de vader niet langer met het gezag zal zijn belast, vindt zij het heel belangrijk dat de informatieregeling door zal lopen. De rechtbank zal daarom de voorlopige informatieregeling definitief vaststellen. De uitvoerbaarheid bij voorraad 3.
- De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4De beslissing De rechtbank: 4.
- bepaalt dat het gezag over [minderjarige (voornaam)] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder; 4.
- stelt een informatieregeling vast waarbij de moeder de vader één keer per maand informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige (voornaam)] ; 4.
- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad; 4.
- houdt de definitieve beslissing over de omgangsregeling aan; 4.
- verzoekt partijen de rechtbank binnen uiterlijk zes maanden na de datum van deze beschikking schriftelijk te informeren over het verloop van de hulpverlening en de gewenste voortgang van de procedure. Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober
- Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) en artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.