← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7608

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2316 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college (gemachtigde: mr. M. Mehciz). Inleiding Eiser heeft op 18 november 2024 een Woo-verzoek gedaan waarbij hij heeft verzocht om alle documenten openbaar te maken die zien op de voorbereiding, tijdplanning/timing en/of het nemen (of nog niet nemen) van een verkeersbesluit voor de sluiting van de kleine spoorbomen. Het college heeft met het besluit van 21 januari 2025 (primair besluit) een aantal documenten openbaar gemaakt. Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 26 maart 2025 (bestreden besluit) heeft het college ook nog e-mail correspondentie openbaar gemaakt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 26 maart 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van €175,- aan proceskosten aan eiser. Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser heeft aangevoerd dat het college niet goed heeft uitgelegd hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het college zowel in het primaire besluit als het bestreden besluit de zoekslag onvoldoende heeft uitgelegd. Het college heeft namelijk niet uiteengezet in welke systemen is gezocht, welke collega’s hebben gezocht en met welke zoektermen. Deze uitleg kwam pas in het verweerschrift en ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat hiermee nu wel voldoende uitleg is gegeven, maar dat deze zoekslag in het bestreden besluit toegelicht had moeten zijn. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd als het gaat om de zoekslag. Dat betekent dat er een motiveringsgebrek is.
  2. Eiser geeft aan dat hij het vermoeden heeft dat er meer documenten onder het college moeten berusten. Dit baseert hij op de mail van 10 mei 2024 waarin een vraag over het verkeersbesluit wordt gesteld aan meerdere personen. Eiser vermoedt dat er ook documenten moeten zijn waarin wordt geantwoord. Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het is vaste rechtspraak dat als een bestuursorgaan (in dit geval het college) stelt dat na onderzoek is gebleken dat er niet meer documenten zijn en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt (in dit geval eiser) om aannemelijk te maken dat er wel meer documenten zijn. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat er niet meer documenten onder het college berusten. Verder heeft het college toegelicht dat een vraag zoals in de mail is gesteld, vaak mondeling wordt beantwoord. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet ongeloofwaardig is. De rechtbank begrijpt van eiser dat hij aan de hand van de mail vermoedt dat er meer documenten zijn, maar dat is onvoldoende om aannemelijk te achten dat er meer documenten zijn. Uit de mail kan niet worden afgeleid dat er ook per mail is geantwoord, dat kan namelijk ook mondeling gebeuren. Er zijn dus onvoldoende concrete aanknopingspunten dat er meer documenten zijn.
  3. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat niet alle documenten openbaar gemaakt zijn, hij miste namelijk nog de mailcorrespondentie. Dit is ter zitting besproken en daaruit is gebleken dat alle documenten die zijn gevonden en die vallen onder de reikwijdte van eisers Woo-verzoek, openbaar gemaakt zijn. Documenten die zijn opgesteld na het Woo-verzoek vallen niet onder het Woo-verzoek. Als eiser wil dat deze toch openbaar gemaakt worden, kan hij daarvoor een nieuw verzoek doen.
  4. Verder heeft eiser aangevoerd dat in het dictum van het bestreden besluit staat dat zijn bezwaar ongegrond is. Volgens eiser klopt dat niet omdat hij wel gelijk heeft gekregen. Het college heeft namelijk met het bestreden besluit alsnog de mailcorrespondentie openbaar gemaakt. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Ter zitting is besproken dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen wettelijke termen voorschrijft voor de dicta in het bestreden besluit. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser wellicht onrechtvaardig voelt dat het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard, aangezien eiser wel gelijk heeft gekregen en het college ook alsnog de mailcorrespondentie openbaar heeft gemaakt. Of het college dat in het bestreden besluit gegrond of ongegrond noemt, maakt voor de rechtmatigheid van het besluit echter geen verschil. Conclusie en gevolgen
  5. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd hoe de zoekslag is verricht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter wel, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat de zoekslag nu voldoende duidelijk is. 5.
  6. Omdat beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden ter hoogte van €194,- en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Dat zijn de reis- en verletkosten die eiser heeft gemaakt. Het gaat om €10,- aan reiskosten en €165,- aan verletkosten.
  7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1743.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.