← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7740

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6055-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 op het verzet van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, te Utrecht, opposant, (gemachtigde: mr. D.J. Koopmans), Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat [geopposeerde] (hierna: geopposeerde) heeft ingediend, omdat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 25 maart

  1. In de uitspraak van 27 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 november
  2. Namens opposant is mr. D.J. Koopmans verschenen en namens geopposeerde is mr. J.W. Vugts verschenen ter zitting. Overwegingen
  3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 27 juni 2025 het beroep gegrond verklaard, omdat er niet tijdig is beslist door opposant op het bezwaarschrift van 25 maart
  4. De rechtbank heeft de bestuurlijke dwangsom die opposant moet betalen aan geopposeerde vastgesteld op €1.442,-. Ook heeft de rechtbank bepaald dat opposant binnen twee weken alsnog op het bezwaar moet beslissen op straffe van het verbeuren van een rechterlijke dwangsom. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  5. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2025 niet juist was.
  6. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2025 niet juist, omdat opposant geen bezwaarschrift van geopposeerde heeft ontvangen. Hierdoor is de beslistermijn niet overschreden, er is immers geen bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen. De bestuurlijke dwangsom is om deze reden ook ten onrechte toegekend. Er was op het moment van het ontvangen van de ingebrekestelling geen bezwaar tegen de aanslag bekend waarop de BghU een besluit kon nemen. Door een administratieve fout is de zaak bij opposant niet goed ingeboekt en daardoor is er geen verweerschrift en gedingstukken aangeleverd tijdens de beroepsprocedure. Volgens opposant is en was de onderhavige zaak ongeschikt om vereenvoudigd te behandelen op 27 juni
  7. Op 29 januari 2025 had de rechtbank in de zaak met zaaknummer UTR 24/5898 immers al in een uitspraak na vereenvoudigde behandeling aangegeven dat de schermprintjes van geopposeerde geen ontvangstbewijs zijn. De zitting in verzet in de zaak UTR 24/5898 had in april 2025 al plaatsgevonden waarbij het ondergetekende duidelijk werd dat geopposeerde niet kon bewijzen dat zijn e-mailbericht op een bepaalde datum en tijd BghU ongeschonden had bereikt. In de uitspraak van 27 juni 2025 is in tegengestelde zin geoordeeld. Als de rechtbank wil afwijken van haar eigen jurisprudentie, is het nodig om een zitting te houden. Opposant verzoekt de rechtbank om uitspraak op verzet te doen gelijkluidend aan de uitspraak op verzet in de zaak UTR 24/
  8. Geopposeerde stelt dat hij zijn bezwaarschrift op 25 maart 2023 per e-mail naar opposant heeft verzonden.
  9. Volgens artikel 2:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip waarop een bericht door het bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. In de Memorie van Toelichting op dit artikel staat dat het risico van het gebruik van de elektronische weg in beginsel bij de verzender ligt en dat de omstandigheid dat een bericht op een bepaald tijdstip is verzonden, nog niet zegt dat het de geadresseerde ook (ongeschonden) heeft bereikt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie. Dit betekent dat de bewijslast bij geopposeerde ligt.
  10. Opposant heeft in dit geval gemotiveerd betwist dat hij het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het is dan aan geopposeerde om aannemelijk te maken dat opposant wel tijdig het bezwaarschrift heeft ontvangen. In dit geval heeft geopposeerde op 26 augustus 2025 een schermafbeelding van een ‘audit trial’ overgelegd. Uit een audit trial blijkt duidelijk op welke datum en welk tijdstip het bezwaarschrift via een e-mailbericht is verzonden vanuit de server van geopposeerde en op welke datum en welk tijdstip het e-mailbericht is afgeleverd op de server van opposant. Uit de overgelegde audit trial blijkt dat het bezwaarschrift op 25 maart 2023 om 14:46 uur is afgeleverd op de server bij opposant. De rechtbank is van oordeel dat geopposeerde daarmee heeft aangetoond dat het bezwaarschrift opposant (ongeschonden) heeft bereikt. Geopposeerde heeft voldaan aan zijn bewijslast.
  11. Opposant heeft ter zitting aangedragen dat het bewijs van aflevering van het bezwaarschrift niet automatisch betekent dat opposant het bezwaarschrift daadwerkelijk heeft ontvangen. Er kon namelijk ook sprake zijn van een storing op dat moment in de server van opposant. De rechtbank wijst er nogmaals op dat volgens artikel 2:17, tweede lid, van de Awb voor het tijdstip van ontvangst van belang is op welk moment het bericht door het bestuursorgaan elektronisch is ontvangen. Het is niet van belang op welk tijdstip het bestuursorgaan vervolgens kennis neemt van het bericht. Uit de audit trial blijkt dat de e-mail met het bezwaarschrift op 25 maart 2023 om 14:46 uur is afgeleverd op de server van opposant. Opposant heeft geen gegevens overgelegd die maken dat daaraan moet worden getwijfeld. Dat opposant vervolgens geen kennis heeft genomen van het bericht, mogelijk als gevolg van een storing bij haar eigen server, maakt niet dat moet worden betwijfeld of het bezwaarschrift wel is ontvangen. Van belang is immers het tijdstip waarop opposant het bericht elektronisch heeft ontvangen en dat was het moment waarop het e-mailbericht is afgeleverd op de server van opposant. Opposant betwijfelt of het bezwaarschrift daarna daadwerkelijk is ontvangen in de mailbox, maar dat ziet op de manier waarop het bericht wordt verwerkt ná ontvangst door de server van het bestuursorgaan. Dit komt voor eigen rekening en risico van opposant en ligt buiten de bewijslast van geopposeerde.
  12. Ook heeft opposant ter zitting naar voren gebracht dat geopposeerde pas in verzet de audit trial heeft overgelegd en dat dit veel te laat is. De rechtbank volgt dit niet. Opposant heeft in verzet voor het eerst aangevoerd dat het bezwaarschrift in deze zaak niet is ontvangen. In reactie daarop heeft geopposeerde de audit trial overgelegd. Om deze reden heeft geopposeerde eerder de verzending niet aannemelijk hoeven maken.
  13. De rechtbank ziet in wat opposant heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 juni
  14. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en de uitspraak van 27 juni 2025 in stand blijft (op grond van artikel 8:55, achtste lid, Awb). Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de belastingkamer van de Hoge Raad der Nederlanden. TK 2001-2002, 28483 nr. 3, pag.
  16. ECLI:NL:RVS:2014:1384.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.