← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7818

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/593604 / HA ZA 25-266 Vonnis in incident van 22 oktober 2025 in de zaak van [eiser] B.V., te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. R.W.L. Russell, te Amsterdam tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.H.N. Vogelsang te Rotterdam. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 april 2025 met producties 1 tot en met 20- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met productie 1 van 6 augustus 2025 - de conclusie van antwoord in het incident van 20 augustus

  1. 1.2 Ten slotte is bepaald dat in het incident vonnis wordt gewezen. 2Waar gaat de hoofdzaak over? 2.1 In de hoofdzaak gaat het over het volgende. [gedaagde] heeft jarenlang trustdiensten verricht voor [eiser] , zowel zelf als via aan hem gelieerde rechtspersonen. Hij is in dat verband ook enige tijd zelf de enige statutaire bestuurder geweest van [eiser] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] op 22 februari 2008, toen hij de enige statutaire bestuurder van [eiser] was, een greep in de kas gedaan door zonder medeweten van [eiser] ’s aandeelhouders en uiteindelijke belanghebbenden USD 4.070.203,00 te laten overboeken vanaf de bankrekening van [eiser] naar de aan hem gelieerde vennootschap [bedrijf 1] B.V. Dat geld had [gedaagde] nodig omdat andere aan hem gelieerde vennootschappen, waaronder [bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), in de problemen waren gekomen na een inval door de FIOD op 6 februari
  2. 2.2 [gedaagde] heeft destijds in een bestuursbesluit van [eiser] en in een overeenkomst van geldlening laten vastleggen dat het overgeboekte bedrag een lening was van [eiser] aan [bedrijf 1] B.V., maar volgens [eiser] is dat nooit afgestemd met haar aandeelhouders of belanghebbenden. Toen de overboeking acht maanden later, op 6 november 2008, alsnog aan het licht kwam, heeft [gedaagde] erkend dat hij fout heeft gehandeld en toegezegd dat de USD 4.070.203,00 direct zou worden terugbetaald. [eiser] heeft [gedaagde] die toezegging schriftelijk laten vastleggen in een op 12 november 2008 gesloten overeenkomst. Daarin is afgesproken dat [gedaagde] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hoofdelijk jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de € 4.070.203,00, voor de contractuele rente van 9% en – als het volledige bedrag niet uiterlijk 21 november 2008 zou zijn terugbetaald – voor de boeterente van 20% per jaar over het uitstaande bedrag. 2.3 Een groot deel van de hoofdsom, USD 3.147.976,94 van de USD 4.070.203, is nog niet terugbetaald. De contractuele boete van 20% is inmiddels opgelopen tot meer dan USD 10 miljoen, aldus nog steeds [eiser] . 2.4 [eiser] vordert in de hoofdzaak – samengevat – die USD 3.147.976,94, te vermeerderen met de contractuele boeterente en wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, beide vanaf 22 november 2008, met kosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen. Uit de drie verklaringen voor recht die [eiser] daarnaast vordert, blijkt dat de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van deze geldvorderingen zijn: primair dat [gedaagde] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 12 november 2008; subsidiair dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als bestuurder van [eiser] en dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, zodat [gedaagde] gehouden is [eiser] schadeloos te stelten voor alle schade, inclusief rente en kosten, die [eiser] dientengevolge heeft geleden; en meer subsidiair dat [gedaagde] zichzelf ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd heeft verrijkt, door het vermogen van [eiser] aan zichzelf, althans aan zijn eigen vennootschap, uit te doen keren en dat hij daardoor gehouden is de door [eiser] geleden schade te vergoeden. 3De beoordeling in het incident De vordering tot verwijzing en het verweer 3.1 [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de hoofdzaak verwijst naar de rechtbank Amsterdam. Hij betoogt dat [eiser] in feite nakoming vordert van de overeenkomst van 12 november
  3. In die overeenkomst staat het volgende beding: “This agreement shall be subject to the laws of the Netherlands with the courts in Amsterdam having exclusive jurisdiction thereto.” Gelet op dit exclusieve forumkeuzebeding is de rechtbank Amsterdam bij uitsluiting bevoegd en deze rechtbank dus niet. 3.2 Volgens [eiser] is deze rechtbank wel bevoegd. Zij betoogt dat die exclusieve forumkeuze alleen geldt voor de primaire grondslag van de vorderingen in de hoofdzaak, namelijk nakoming van de overeenkomst van 12 november
  4. De subsidiaire grondslag bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad) en de meer subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) staan echter los van die overeenkomst, zodat de exclusieve forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam voor die grondslagen niet geldt. Voor die grondslagen is deze rechtbank relatief bevoegd, gelet op de hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van gedaagde relatief bevoegd is en de omstandigheid dat [gedaagde] in Amersfoort woont. Gelet op de grote samenhang tussen die grondslagen en de primaire grondslag dient deze rechtbank ook over de primaire grondslag te beslissen. Dat volgt uit analoge toepassing van artikel 107 Rv, aldus nog steeds [eiser] . Samenhang met andere vorderingen of grondslagen zet exclusieve forumkeuze niet opzij 3.3 De rechtbank wijst de incidentele vordering toe. Ingevolge artikel 108 Rv verklaart de rechter voor wie een zaak is aangebracht, zich onbevoegd, indien partijen in een forumkeuzebeding een andere bevoegde rechter hebben aangewezen en indien de gedaagde partij zich tijdig op de onbevoegdheid beroept. Indien partijen een bepaalde rechter als exclusief bevoegde rechter hebben aangewezen, kunnen partijen niet van deze rechter worden afgehouden op grond van andere bepalingen die de relatieve bevoegdheid regelen, zoals artikel 107 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dat een bevoegdheidsregel geeft bij aanwezigheid van meerdere gedaagden. Met andere woorden: het bepaalde in artikel 108 Rv prevaleert boven het bepaalde in artikel 107 Rv. Dat betekent dat de rechtbank de zaak in ieder geval voor wat betreft het oordeel over de primaire grondslag dient te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam beslist ook over de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen 3.4 De rechtbank is het wel met [eiser] eens dat één rechtbank over alle drie de grondslagen dient te beslissen. Die gaan immers alle drie over dezelfde vordering. Gelet op die samenhang oordeelt de rechtbank dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen als bedoeld in artikel 107 Rv. Dat artikel ziet op een andere situatie, namelijk dat er in een procedure meerdere gedaagden zijn, zodat het niet rechtstreeks van toepassing is op de onderhavige situatie dat één vordering tegen één gedaagde is ingesteld met primaire, subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen, waarbij voor de primaire grondslag een andere rechter relatief bevoegd is dan voor de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen. Analoog kan artikel 107 Rv echter wel op die situatie worden toegepast. Bij de tegenhanger van artikel 107 Rv voor de afbakening tussen kantonzaken en handelszaken, artikel 94 lid 2 Rv is een dergelijke analoge toepassing in de rechtspraak al eerder aangenomen. De rechtbank ziet voldoende aanleiding om artikel 107 Rv ook in deze zaak analoog toe te passen. Dat betekent dat de zaak ook voor wat betreft de subsidiaire en meer subsidiaire aangevoerde grondslagen naar de rechtbank Amsterdam moet worden verwezen. [eiser] moet de kosten in het incident betalen 3.5 [eiser] is in het incident in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op € 4.357,00 (tarief VIII  1 punt). 3.6 De rechtbank wijst partijen erop dat voor voortzetting van de procedure vereist is dat een van partijen de overige partijen bij exploot oproept tegen een nieuwe roldatum. 4De beslissing De rechtbank 4.1 verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, 4.2 verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Amsterdam, 4.3 veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.357,00, Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober
  5. JO/4972 Artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Rechtbank Den Haag 11 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY
  6. Gerechtshof Den Haag 1 juni 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ
  7. Artikel 94 lid 2 Rv bepaalt dat als een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan naar zijn aard door de kantonrechter moet worden behandeld, de kantonrechter ook beslist over de andere vorderingen, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Volgens het hof geldt dat evenzeer als één vordering met in rang verschillende grondslagen – een primaire en een (meer) subsidiaire grondslag – wordt ingesteld en ten minste één daarvan een aardvordering is. Artikel 74 lid 1 en artikel 110 lid 2 Rv.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.