RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 11715065 UE VERZ 25-154 LvdH/1470 Vonnis van 17 december 2025 na een verzoek op grond van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak van: 1 [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verder ook te noemen [verzoeker] , gemachtigde: mr. N. Postema, 2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [verweerder] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [verweerder] , gemachtigde: mr. G.G.A.J.M. van Poppel, 1Het verloop van de procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - een verzoekschrift namens [verzoeker] met producties 1 tot en met 17; - een verzoekschrift (tevens inhoudende een verweerschrift) namens [verweerder] ; - een verweerschrift namens [verzoeker] . 1.2 Partijen hebben zich gezamenlijk tot de kantonrechter gewend met een verzoek om op grond van artikel 96 Rv een beslissing te geven. 1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2025. Daarbij is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerder] is alleen de gemachtigde verschenen. 1.4 De datum van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op 1 augustus 2025. Vanwege organisatorische redenen is dit niet gelukt. Daarna is de datum van het vonnis bepaald op vandaag. 2Waar gaat de zaak over? 2.1 [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1969, is op 1 augustus 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 0,8 fte in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van [functie] op de afdeling Collectieve Belangenbehartiging. Deze arbeidsovereenkomst is afgesloten op basis van artikel 6 lid 1 van de cao [verweerder] /FNV Personeel (hierna: de cao). Het salaris was ingedeeld in klasse IX van de cao. Vanaf 1 augustus 2017 is deze tijdelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gaan lopen. 2.2 In artikel 5 lid 1 sub a en b en artikel 6 lid 1 en lid 2 sub c van de cao staat het volgende opgenomen: “Artikel 5- (On)bepaalde tijd. Proeftijd 1. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan: a. hetzij voor onbepaalde tijd, hetgeen regel is; b. hetzij voor bepaalde tijd, hetgeen slechts toegestaan is in de in artikel 6 omschreven gevallen en onder de aldaar vermelde condities. … Artikel 6 – Bepaalde tijd 1. De werkgever kan – voor functies in klasse VII en hoger – met de werknemer bij het aangaan van een eerste arbeidsovereenkomst eenmalig een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan voor de duur van ten hoogste één jaar. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan de werkgever voorts een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan in geval van: a. vervanging van een tijdelijke afwezige – bijvoorbeeld – zieke werknemer; b. een formatieplaats boven de sterkte; c. werkzaamheden ten behoeve van een bepaald project; d. een reorganisatiefase waarbij voorzienbaar arbeidsplaatsen (komen
- te)vervallen; e. een vacature in afwachtring van de definitieve invulling voor maximaal een jaar; 1. Bij overtreding van het in lid 1 en lid 2 bepaalde wordt de arbeidsovereenkomst geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan. …” 2.3 In 2022 hebben partijen de arbeidsomvang van [verzoeker] uitgebreid. Met een brief van 1 februari 2022 heeft [verweerder] de gemaakte afspraken over ‘de uitbreiding van je dienstverband’ bevestigd. In die brief staat: “Per 1 januari 2022 wordt jouw arbeidsomvang uitgebreid met 0,1 naar 0,9 fte i.v.m. en voor de duur van het uitvoeren van de coördinerende taken in rayon Oost. Je neemt deze taken over van [A] i.v.m. zijn andere rollen. Per 1 februari 2022 wordt jouw arbeidsomvang uitgebreid met 0,1 fte voor de duur van een jaar, minimaal een half jaar. Reden is jouw trekkersrol in het project [projectnaam] . Hieraan besteed je gemiddeld 1 dag per week, deels binnen je reguliere werkzaamheden. Per 1 augustus 2022 is er een knip: wel of niet continueren. …” 2.4 Met een brief van 23 juni 2022 heeft [verweerder] de ‘eerder gemaakte afspraken over de verlenging van de uitbreiding van je dienstverband’ bevestigd. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende: “ Sinds 1 februari 2022 wordt jouw arbeidsomvang uitgebreid met 0,1 naar 1,0 fte voor de duur van jouw trekkersrol in het project [projectnaam] ; in ieder geval tot 1 januari 2024. Aan deze rol besteed je gemiddeld 1 dag per week, deels binnen je reguliere werkzaamheden. Naast deze uitbreiding van 0,1 is m.i.v. 1 januari 2022 jouw arbeidsomvang (van oorspronkelijk 0,8) uitgebreid met 0,1 naar 0,9 fte i.v.m. en voor de duur van het uitvoeren van de coördinerende taken in rayon Oost. Je neemt deze taken over van [A] i.v.m. zijn andere rollen. Ik ben blij met jouw flexibiliteit, inzet en creativiteit in je functie van [functie] en in deze rollen en andere klussen …” 2.5 Na 1 januari 2024 heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden voor het project [projectnaam] voortgezet als voorheen zonder dat afspraken over een einddatum zijn vastgelegd. 2.6 In oktober 2024 heeft [A] mondeling namens [verweerder] aan [verzoeker] medegedeeld dat dagelijks bestuur en managementteam (
- mt)ervoor hebben gekozen, in het kader van het versterken van de governance binnen [verweerder] , om de aansturing van programmalijnen volledig bij het mt van [verweerder] te leggen. Volgens [verweerder] is daarom de uitbreiding van de arbeidsomvang van [verzoeker] met 0,1 fte voor het project [projectnaam] geëindigd per 1 februari 2025. 2.7 [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het vervallen van de uitbreiding van zijn arbeidsomvang voor 0,1 fte. Dit bezwaar is door [verweerder] afgewezen. 2.8 Partijen zijn overeengekomen zich gezamenlijk tot de kantonrechter te wenden met een verzoek om op grond van artikel 96 Rv een beslissing te geven over de (rechts)vragen die hen verdeeld houden. Partijen hebben daarbij het recht op hoger beroep uitgesloten. 3De vordering en het verweer 3.1 [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de tijdelijke urenuitbreiding met 0,1 fte ten behoeve van het project [projectnaam] heeft te gelden als een zelfstandige (tweede) arbeidsovereenkomst waarop de ketenregeling van toepassing is en waarop ook de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van de cao van toepassing zijn. Dat maakt dat volgens [verzoeker] het contract maximaal voor de bepaalde tijd van een jaar (want salaris klasse VII of hoger) kon worden aangegaan en dus niet van rechtswege is geëindigd per 1 februari 2025. 3.2 [verweerder] voert aan dat de werkzaamheden die [verzoeker] verrichtte vanaf 1 februari 2022 voor het project [projectnaam] plaatsvonden binnen het kader van zijn bestaande arbeidsovereenkomst. Uit de tekst van de arbeidsovereenkomst blijkt volgens [verweerder] dat het ging om een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsomvang en niet om een zelfstandige (tweede) arbeidsovereenkomst. 4De beoordeling 4.1 In deze procedure heeft [verzoeker] een verklaring voor recht gevorderd en subsidiair een veroordeling van [verweerder] tot betaling van het salaris voor 0,1 fte van € 662,72 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag vanaf 1 februari 2025. [verweerder] heeft eveneens een verklaring voor recht gevorderd. Partijen hebben de volgende vragen aan de kantonrechter geformuleerd: i.) is de tijdelijke urenuitbreiding met 0,1 fte met betrekking tot de trekkersrol van [verzoeker] in het project [projectnaam] te beschouwen als een zelfstandige arbeidsovereenkomst waarop de ketenregeling van toepassing is? ii.) zijn op de ketenregeling ook de afspraken van toepassing die gemaakt zijn in artikel 5 lid 1 sub c juncto artikel 6 van de cao [verweerder] ? iii.) is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] voor 0,1 fte met betrekking tot de trekkersrol van [verzoeker] in het project [projectnaam] rechtsgeldig beëindigd of duurt deze nog steeds voort dan wel heeft de arbeidsovereenkomst in zijn geheel een vaste omvang van 1 fte? Is de tijdelijke urenuitbreiding van [verzoeker] te beschouwen als een zelfstandige arbeidsovereenkomst? 4.2 Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. De afspraken die partijen hebben gemaakt moeten worden uitgelegd als een uitbreiding van de bestaande arbeidsovereenkomst en dus niet als (een) afzonderlijke (tijdelijke) arbeidsovereenkomst(
- en)bovenop, dan wel naast de bestaande arbeidsovereenkomst. Op dit punt geeft de kantonrechter [verweerder] dus gelijk. 4.3 [verweerder] heeft de afspraken schriftelijk vastgelegd als afspraken over de tijdelijke uitbreiding van het bestaande dienstverband. [verweerder] heeft geen afzonderlijk arbeidscontract opgesteld. [verweerder] heeft ook geen twee of meer arbeidsovereenkomsten in haar administratie verwerkt. Zij heeft geen afzonderlijke verlof- of urenadministratie gevoerd. [verzoeker] heeft daar ook niet om gevraagd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] aangevoerd dat zijn uren in 2022 zijn uitgebreid met twee keer 0,1 fte om van zijn parttime dienstverband voor 0,8 fte een fulltime dienstverband te kunnen maken van 1 fte. De kantonrechter oordeelt deze stelling van [verzoeker] juist. Zij komt overeen met de tekst van de aanvulling van de arbeidsovereenkomst van 23 juni 2022 (hiervoor onder 2.4.). Hierin staat namelijk ook dat [verweerder] verwachtte dat [verzoeker] met zijn werkzaamheden voor het project [projectnaam] gemiddeld één dag per week bezig zou zijn. Eén dag per week komt feitelijk neer op 0,2 fte. Tussen partijen is niet in geschil dat de taken van [verzoeker] als [functie] , zijn coördinerende taken en zijn voortrekkersrol in het project [projectnaam] samenhingen en overlapten. [verzoeker] moest zelf zijn werktijd verdelen over deze taken. Hij heeft sinds de uitbreiding van 2022 steeds een fulltime salaris ontvangen. Zijn de artikelen 5 en 6 van de cao [verweerder] van toepassing? 4.4 In de wet is een zogenoemde ‘ketenregeling’ opgenomen die bepaalt wanneer elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd overgaan in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De wettelijke ketenregeling is op de urenuitbreiding van [verzoeker] niet van toepassing. Van elkaar opvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten is in deze situatie geen sprake. Het gaat in dit geval om urenuitbreidingen binnen een reeds bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Is de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de urenuitbreiding rechtsgeldig geëindigd of heeft de arbeidsovereenkomst in zijn geheel nog steeds een vaste omvang van 1 fte? 4.5 Met het antwoord op deze vraag geeft de kantonrechter [verzoeker] gelijk. [verweerder] heeft de werkzaamheden van [verzoeker] voor het project [projectnaam] beëindigd per 1 februari 2025. Zij heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [verzoeker] vanaf dat moment nog maar voor 0,9 fte in dienst is. Uit de bewoordingen ‘in ieder geval tot 1 januari 2024’ blijkt niet dat partijen een duidelijke einddatum zijn overeengekomen waarop de werkzaamheden van [verzoeker] voor het project zouden eindigen. [verzoeker] heeft na 1 januari 2024 zijn werkzaamheden voortgezet als voorheen zonder dat partijen een einddatum hebben vastgelegd. Op grond van het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW moet in deze zaak worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in ieder geval met ingang van 1 januari 2024 een omvang heeft gekregen van 1 fte. [verweerder] mocht die omvang per 1 februari 2025 niet eenzijdig, zonder instemming van [verzoeker] , wijzigen. Dat mocht [verweerder] in dit geval ook niet op grond van de cao. In de cao is immers voor de salarisklasse van [verzoeker] als uitgangspunt opgenomen dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd na één jaar voor onbepaalde tijd gaan gelden. In de cao is geen uitzondering gemaakt voor projectmatige werkzaamheden binnen bestaande arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. 4.6 De kantonrechter realiseert zich dat partijen eigenlijk een geschil hebben over de beslissing van [verweerder] om van [verzoeker] een salarisoffer te vragen van 10% vanwege haar beslissing om ter versterking van de governance projectwerkzaamheden bij hem weg te halen en rechtstreeks op te dragen aan een lid van het managementteam. Partijen hebben geen vraag bij de kantonrechter neergelegd die specifiek hierop ziet. In het algemeen mag de werkgever bepalen hoe de werkzaamheden worden georganiseerd. Deze zeggenschap wordt wel begrensd door de wettelijke regeling van de medezeggenschap en door de eisen van goed werkgeverschap. [verweerder] heeft in deze procedure niet onderbouwd dat zij [verzoeker] een redelijk voorstel heeft gedaan. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] op grond van de criteria zoals ontwikkeld in het Stoof-Mammoet arrest in redelijkheid moest instemmen met het inleveren van 10% van zijn salaris. [verzoeker] heeft voorgesteld om overleg te voeren over de taken waarmee hij een voltijdsdienstverband kan blijven invullen. Op dat voorstel moet [verweerder] als goed werkgever ingaan. 4.7 Dit alles brengt mee dat de volgende beslissing kan worden gegeven. Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.1 verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] in zijn geheel een vaste omvang heeft van 1 fte; 5.2 bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 5.3. wijst af het meer of anders verzochte. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.