RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/601290 / KL ZA 25-263 Vonnis in kort geding van 25 november 2025 in de zaak van [eiser] B.V., te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. A. Mikkers, tegen [gedaagde] B.V, te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.1 De volgende stukken zitten in het procesdossier: - de dagvaarding van 22 oktober 2025 met producties (1-15), - de nadere producties van [eiser] (16-21). 1.2 Op 11 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tegen de niet verschenen [gedaagde] is verstek verleend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat op 25 november 2025 vonnis zal worden gewezen. 2De kern van de zaak 2.1 [eiser] is merkhouder van het Benelux beeldmerk met woordelementen . Dit merk is ingeschreven onder depotnummer [nummer] , voor waren en diensten in de klassen 2, 6, 19, 20, 24, 27, 35, 37 en
- 2.2 Op de gevelbekleding van [gedaagde] was het Thuisin merk zichtbaar. [eiser] wil dat [gedaagde] stopt met het gebruik van het Thuisin merk of daarmee overeenstemmend teken. Daarom moet [gedaagde] het Thuisin merk op de gevelbekleding verwijderen, op straffe van een dwangsom. Daarbij vindt [eiser] dat [gedaagde] alle daadwerkelijke proceskosten moet betalen. [eiser] krijgt grotendeels gelijk. 3De beoordeling Juridisch kader en spoedeisend belang 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of het [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarna moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. In dat kader is relevant dat tegen [gedaagde] verstek is verleend. Om die reden worden de vorderingen van [eiser] toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 3.2 Gelet op de aard van de vordering - een gestelde voortdurende inbreuk op haar IE-recht - heeft [eiser] een spoedeisend belang. [gedaagde] maakt (nog steeds) inbreuk op het Thuisin merk 3.3 Van 1 december 2014 tot 1 april 2022 maakte [gedaagde] rechtsgeldig gebruik van het Thuisin merk. [gedaagde] mocht het merk gebruiken op basis van een franchiseovereenkomst die zij had met Thuisin Franchise (de dochteronderneming van [eiser] die over een licentie beschikt om te mogen sublicentieren). Maar nadat op 1 april 2022 de franchiseovereenkomst was beëindigd had [gedaagde] het gebruik van het Thuisin merk moeten stoppen. Dit jaar bleek [eiser] dat [gedaagde] dat niet gedaan had. [eiser] heeft toen vaak gesommeerd om het gebruik te eindigen. [gedaagde] zei steeds toe daaraan te gaan voldoen, maar verzuimde vervolgens. Het Thuisin merk bleef zichtbaar op diverse plaatsen aan de voorkant en de zijkant van het pand. 3.4 Pas na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding heeft [gedaagde] op 29 oktober 2025 het Thuisin merk van de zijkant en een deel van de voorzijde van haar pand verwijderd. [eiser] constateerde dat het Thuisin merk nog wel aan de voorkant (op drie doeken) zichtbaar was. [gedaagde] heeft dit toen op 31 oktober 2025 overgeschilderd, maar [eiser] heeft op de zitting gesteld dat het Thuisin merk door de verf heen komt en nog steeds zichtbaar is. Daarbij weet ze niet of de verf die [gedaagde] gebruikt heeft om over het merk heen te schilderen waterbestendig is. Volgens haar is daardoor nog steeds sprake van een merkinbreuk als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 sub a en b BVIE. 3.5 Gelet op de onweersproken stellingen van [eiser] wordt ervan uit gegaan dat het Thuisin merk, ook na de beëindiging van de franchiseovereenkomst, nog steeds gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk van [eiser] is ingeschreven. Dit levert een merkinbreuk op als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE en [gedaagde] moet het gebruik van het Thuisin merk dan ook staken. Conclusie: [gedaagde] moet de inbreuk op het merkrecht stoppen 3.6 Vanwege de voortdurende inbreuk op het merkrecht van [eiser] zal de vordering van [eiser] tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van het Thuisin merk worden toegewezen. [gedaagde] zal een termijn worden gegund van 48 uur om hieraan te voldoen. De gevraagde voorziening om ook te stoppen met het gebruik van een met het Thuisin merk overeenstemmend teken wordt niet toegewezen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] gebruik maakt van een overeenstemmend teken of dat dit in redelijkheid te verwachten is. 3.7 De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen. 3.8 De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv wordt bepaald op de door [eiser] gevraagde termijn van zes maanden. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] 3.9 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiser] vordert een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rechtsvordering (hierna: Rv). Aan de toegewezen hoofdvordering ligt de vastgestelde merkenrechtelijke inbreuk ten grondslag. Hieruit volgt dat deze procedure gaat over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Daarom wordt de proceskostenveroordeling gegrond op artikel 1019h Rv. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de rechtbank uit van de Indicatietarieven in IE-zaken. 3.10 De voorzieningenrechter vindt, anders dan [eiser] , dat dit kort geding valt onder de categorie eenvoudige kort gedingen met een maximumtarief van € 6.000,
- Door [gedaagde] is namelijk op geen enkele wijze betwist dat zij uitsluitend in het kader van de onder 3.3 bedoelde franchiseovereenkomst recht had op het gebruik van het Thuisin merk van [eiser] en dat zij na beëindiging van deze overeenkomst ieder gebruik van het merk had moeten staken en dat zij dat niet tijdig en volledig gedaan heeft. De gevorderde advocaatkosten van € 15.055,78 (exclusief griffierecht en verschotten) worden daarom tot het maximumtarief van € 6.000,00 toegewezen en het resterende deel van de gevorderde advocaatkosten wordt afgewezen. 3.11 De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 6.000,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.014,35 4De beslissing De voorzieningenrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het gebruik van het Thuisin merk met inschrijvingsnummer [nummer] te staken en gestaakt te houden, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.014,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na dagtekening van dit vonnis, 4.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 25 november
- 4428