RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer / rekestnummer: 11808460 \ ME VERZ 25-108 AW/1583 Beschikking van 10 december 2025 in de zaak van RHINOCORN INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Nederhorst den Berg, verzoekende partij, verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, hierna te noemen: Rhinocorn, gemachtigde: mr. G.M. Gerdes, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt Rhinocorn om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan [verweerder] wordt een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Rhinocorn. Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerder] , voor het geval Rhinocorn het verzoekt intrekt, om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt eveneens toegewezen. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 24 juli 2025 met 35 producties - het verweerschrift, met een tegenverzoek van 5 november 2025 met 16 producties - de brief van mr. Gerdes van 10 november 2025 met productie
- 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november
- De gemachtigde van Rhinocorn en de gemachtigde van [verweerder] hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van wat besproken is op de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1 [A] is [.] en [functie 1] van Rhinocorn. [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1965, is sinds 1 november 2023 in dienst bij Rhinocorn. De functie van [verweerder] is [functie 2] ( [functie 2] ) (in de plaats van [A] ) met een loon van € 335.000,00 bruto per jaar. 2.2 In de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende: “2.1 This Agreement is entered into for an indefinite period. (…) 2.5 In case the Company terminates the Agreement and there are no reasons which would result in a dismissal as a result of urgent cause (dringende reden) and/or serious blame (ernstige verwijtbaarheid) of the [functie 2] , the Company will pay to the [functie 2] the following amounts: - in case of dismissal during the first two
(2)years the Effective Date: a gross amount of EUR 100.000, or, in case of dismissal based on article 7:669 paragraph 3 sub (h) of the Dutch Civil Code only a gross amount of EUR 140.000; and - in case of dismissal during the period after the first two
(2)years following the Effective Date: a gross amount of EUR 140.
- This transition compensation (transitievergoeding) as referred to in article 7:673 of the Dutch Civil Code is deemed to be included in the aforementioned amounts received by the [functie 2] and the [functie 2] hereby agrees that as a result there of he does not have the right to receive a transition compensation (transitievergoeding) in case of termintation of this Agreement. To the extent any court of law orders the Company to pay (another) (reasonable) compensation to the [functie 2] , the amounts paid by de Company based on this clause will be deemd to be an undue payment (onverschuldigde betaling) and the Company has the righty to set-off (verrekenen) that amount to be paid as a result of such judgement.” (…) 3.2 “ Spelta B.V. may, at its discretion, resolve to grand the [functie 2] a gross annual (variable) bonus entitlement up to EUR 125.000 (one hundred twenty five thousand euros), which may be adjusted ad the discretion of the board based on the consumer CPI of the Netherlands. Payment of any such bonus entitlement shall depend on satisfaction of certain key performance indicators as determined by Spelta B.V. at its discretion, which may include EBITDA an individual performance indicators.” 2.3 Op 28 februari 2025 dienen negen managers waaronder vier [..] van Rhinocorn bij [A] , [.] (hierna: [A] ) een motie van wantrouwen in tegen onder meer [verweerder] . Zij geven aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de huidige situatie binnen de organisatie en dat zij het vertrouwen hebben verloren in het functioneren van [verweerder] . Volgens de negen is er sprake van gebrek aan doordacht leiderschap, gebrek aan financieel leiderschap, ligt de focus ligt op kostenbesparing in plaats van commerciële groei, is er een gebrek is aan verantwoordelijkheid en betrokkenheid en is er sprake van een werkcultuur waarin [verweerder] zich negatief uitlaat over medewerkers, afdelingen en externe partners. Zij verzoeken [A] om de samenwerking met onder meer [verweerder] per direct te beëindigen en zelf weer de rol van [functie 2] op te pakken. Volgens hen is er behoefte aan duidelijke verantwoordelijkheden, strategische consistentie en een werkomgeving waarin medewerkers zich gesteund en gemotiveerd voelen. 2.4 Op 3 maart 2025 vindt er een bespreking plaats tussen [A] en [verweerder] . Waarna [A] [verweerder] vrijstelt van zijn werkzaamheden. 2.5 Op 3 maart 2025 verzoekt [verweerder] per Whatsapp aan [A] om het even te laten rusten en dan maandag een gesprek te voeren met de negen personen om de bezwaren te bespreken. Hij kan dan zijn goede intenties uitleggen en uitspreken. [A] geeft daarop aan dat de groep daar niet voor open staat. 2.6 Op 3 maart 2025 bericht [A] de organisatie dat hij na zorgvuldige overweging heeft besloten dat onder meer [verweerder] zijn functie als [functie 2] per direct moet neerleggen en dat hij zelf weer de rol van [functie 2] gaat vervullen. 2.7 Op 4 maart 2025 bericht [verweerder] aan [A] dat hij het zich enorm aantrekt en met name de gedragsmatige verwijten heel serieus neemt. Inhoudelijk staat hij achter wat hij heeft besloten en gedaan en durft hij zich te verantwoorden. Een aantal verwijten vindt hij onterecht en unfair. Dit zou zijn laatste baan zijn voor zijn pensioen. [verweerder] geeft aan dat hij [A] met alle raad en daad wil bijstaan nu hij weer de rol van [functie 2] op zich gaat nemen. Hij wil graag de plannen die hij heeft met [A] delen. 2.8 Op 14 maart 2025 bericht [A] aan [verweerder] dat hij [verweerder] als persoon heel hoog heeft zitten en dat hij veel respect voor hem heeft. Hij is een goede [functie 2] , maar niet voor zijn bedrijf. Daar waar [verweerder] aangeeft dat onder elke tegel die hij optilt een berg ellende zit, is [A] van mening dat onder elke tegel die wordt opgetild een pot met geld ligt die alleen nog leeggeschept hoeft te worden. Dit verschil van inzicht is volgens [A] de basis voor de ontstane situatie. De aanpak van [verweerder] was gericht op crisismanagement. [verweerder] managede het bedrijf alsof het slecht ging. [A] heeft dit laten gebeuren omdat [verweerder] had aangegeven dat [A] hem vrijheid moest geven. 2.9 Op 16 maart 2025 stuurt Rhinocorn aan [verweerder] een vaststellingovereenkomst. 2.10 Op 17 maart 2025 bericht [verweerder] aan [A] dat het duidelijk is dat [A] tot een afwikkeling wil komen. Dat [A] geen enkele mogelijkheid tot hervatting ziet. Ondanks dat hem formeel niks verteld is gaat hij ervanuit gaat dat hij op non-actief staat. Hij had tot de ontvangst van de vaststellingovereenkomst nog de hoop dat het goed zou komen. 2.11 Op 24 april 2025 bericht de gemachtigde van Rhinocorn aan de gemachtigde van [verweerder] onder meer: “Het is juist dat partijen onderling hebben gesproken over de overname van 4% aandelen in Tinta123 . De heer [verweerder] heeft verzocht deze aandelen te mogen overnemen van de voorgaande [functie 2] . Cliente stond hier welwillend tegenover. Het verzoek van de heer [verweerder] was echter breder. In ruil voor de aandelen stelde hij namelijk voor om de bonusregeling prijs te geven. Een (eventuele) bonus 2024 was daarom niet meer aan de orde. Bovendien is een en ander besproken in samenhang met het vereiste van een aandeelhoudersovereenkomst, (…) Voor wat betreft de bonus geldt dat deze enkel verschuldigd is bij goed functioneren. Cliente durft wel de stelling aan dat het functioneren van [verweerder] niet goed is geweest nu hij met alle belangrijke stakeholders van de groep in aanvaring is gekomen en de winstgevendheid van de groep in het afgelopen jaar sterk is gedaald. Zoals gezegd, wordt daaraan echter niet meer toegekomen omdat de heer [verweerder] de bonus heeft willen inruilen voor aandelen.” 2.12 Er heeft mediation plaatsgevonden tussen [A] , [verweerder] en [B] (eerst: [functie 3] 123inkt en thans: [functie 4] 123inkt). De mediation is beëindigd zonder resultaat. 2.13 Op een verzoek van [verweerder] om mediation te laten plaatsvinden met de negen briefschrijvers heeft Rhinocorn aan [verweerder] laten weten dat de negen briefschrijvers zich unaniem op het standpunt hebben gesteld dat zij als gevolg van het feit dat zij het vertrouwen in [verweerder] zijn verloren niet meer bereid zijn om met hem in gesprek te gaan. 2.14 [A] verklaart onder meer: “Op vrijdag 28 februari jl. ontving ik een brief van ‘de harde kern’ van mijn bedrijf. Mensen met wie ik al jarenlang samenwerk en op wie ik volledig kan vertrouwen. Ik beschouw hen, mede door hun jarenlange inzet voor mij en het bedrijf, niet alleen als medewerkers, maar als familie. En juist deze mensen spraken hun bezorgdheid uit, hun bezorgdheid over de toekomst van het bedrijf. Naar aanleiding daarvan heb ik hen uitgenodigd om de volgende dag, zaterdag 1 maart jl., bij mij thuis langs te komen om hun brief toe te lichten. Die avond heb ik iedereen de gelegenheid gegeven om zijn of haar verhaal en bevindingen te delen en heb ik voornamelijk geluisterd. Na het aanhoren van alle informatie was voor mij duidelijk dat [verweerder (voornaam)] bezig was met een one-man show, macht afdwong door middel van intimidatie, geen oog had voor de mensen om hem heen en een ‘crisismanagement’ aanpak hanteerde welke gericht was op controle in plaats van samenwerking. Daarnaast schrok ik van de financiële resultaten van mijn bedrijf. Ik wist dat de EBITDA wat lager uit zou vallen, maar dat het zoveel was kwam voor mij als een donderslag bij heldere hemel. (…) Op basis van deze gesprekken heb ik geconcludeerd dat ingrijpen noodzakelijk was om verdere schade aan het bedrijf te voorkomen. (…) Op maandag 3 maart jl. had ik een afspraak staan met [verweerder (voornaam)] en confronteerde ik hem met de brief. Nadat hij eerst zelf de brief in zijn geheel gelezen had, is hij puntsgewijs nog een keer door deze brief heengegaan. Hij heeft mij de enorme daling in EBITDA bevestigd en hij heeft per punt zijn mening aan mij geventileerd. Toen hij hiermee klaar was stelde hij mij de vraag ‘en wat nu?’. Toen heb ik hem verteld dat ik geen andere weg zag dan per direct afscheid van elkaar te nemen en zelf weer de functie van [functie 2] op mij te nemen. Op zondag 2 maart had ik al een concept tekst opgesteld die bij ontslag naar al het personeel gestuurd zou worden om hen te informeren over de situatie. Op maandag 3 maart jl. heb ik [verweerder (voornaam)] geïnformeerd over de inhoud van deze tekst. (…) Conclusie: niet alleen het grote verschil van inzicht, maar ook de manier waarop [verweerder (voornaam)] in deze procedure door onwaarheden en verdraaiingen van de werkelijkheid een poging doet om flink in de kas te graaien, bevestigen voor mij dat mijn beslissing van 3 maart jl. de juiste was.” 3Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1 Rhinocorn verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), subsidiair vanwege andere omstandigheden (h-grond), meer subsidiair vanwege combinatie van omstandigheden (i-grond). Rhinocorn heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat negen managers waaronder vier [..] het vertrouwen in [verweerder] als [functie 2] hebben opgezegd. Er bestaat geen draagvlak meer. De verhoudingen zijn verstoord. Verder bestaat er tussen de negen briefschrijvers en ook de [.] een substantieel en onoverkomelijk verschil van inzicht over het te voeren beleid. Tenslotte is er sprake van een combinatie van omstandigheden. De gedragingen van [verweerder] gecombineerd met de effecten daarvan op de onderlinge verhoudingen staan een vruchtbare samenwerking in de weg. Rhinocorn verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een transitievergoeding van primair € 19.386,58 bruto, subsidiair € 100.000,00 bruto en meer subsidiair € 140.000,00 bruto. 3.2 [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daarnaast verzoekt [verweerder] betaling van de bonus over 2024 en 2025, alsmede vergoeding van schade wegens het niet leveren van aandelen in 123Tinta . [verweerder] voert aan – samengevat – dat Rhinocorn alleen op basis van de brief van de negen briefschrijvers een besluit heeft genomen om van [verweerder] afscheid te nemen. Er is geen verticale verstoring tussen [verweerder] en de [functie 1] [A] . De negen briefschrijvers vinden dat hij niet goed functioneert en geven kritiek op zijn beleid. Dat is geen verstoring. Er is geen reële inspanning gepleegd om het tij te keren. De h-grond is er niet voor bedoeld om als oplossing te dienen als er geen voldragen andere gronden zijn. [A] heeft voor 3 maart 2025 al een definitief ontslag besluit genomen en probeert dat nu achteraf te rechtvaardigen door te stellen dat hij het eigenlijk niet eens was met het beleid van [verweerder] . Van een i-grond is geen sprake. Rhinocorn heeft niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding, toekenning van de bonus over 2024 en 2025, schade wegens het niet leveren van aandelen en uitbetaling van 27 vakantiedagen. [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en Rhinocorn het verzoek daarna intrekt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van de vergoedingen. 4De beoordeling van het verzoek Ontbinding van de arbeidsovereenkomst 4.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.2 Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 4.3 Rhinocorn verzoekt primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Tussen partijen staat ter discussie of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Rhinocorn in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Vooropgesteld wordt dat voor toepassing van deze ontbindingsgrond niet vereist is dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220). 4.4 Hoewel [verweerder] primair heeft betoogd dat het verzoek tot ontbinding dient te worden afgewezen, ligt voortzetting van de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de inmiddels ontstane verhouding tussen partijen, niet in de rede. De arbeidsverhouding is onmiskenbaar verstoord geraakt. 4.5 Rhinocorn heeft na ontvangst van de motie van wantrouwen van de negen briefschrijvers aan [verweerder] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Vóór deze datum zijn er geen signalen geweest naar [verweerder] dat hij niet op de door [A] gewenste wijze zou functioneren. [A] heeft met (eventuele) opmerkingen van zijn medewerkers aan het adres van [verweerder] niks gedaan. De negen briefschrijvers hebben zich daarmee ook niet eerder tot [verweerder] gewend. Na 3 maart 2025 is er contact geweest tussen [verweerder] en [A] , waarbij [verweerder] heeft aangegeven dat hij zijn dienstverband wilde voortzetten en met de negen briefschrijvers in gesprek wilde. De negen briefschrijvers stonden hier niet voor open en [A] heeft daar geen opening voor geboden. Rhinocorn wilde dat de arbeidsovereenkomst eindigde. Het ontslagbesluit was al genomen. De mediation die uiteindelijk heeft plaatsgevonden, heeft daarin geen verandering gebracht. Aan de zijde van Rhinocorn bestaat geen vertrouwen in een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. 4.6 Ter zitting is gebleken dat bij [verweerder] inmiddels ook een zekere mate van wantrouwen ontstaan is richting Rhinocorn. [verweerder] ziet inmiddels herstel van het dienstverband ook niet meer zitten. Gelet hierop is voortzetting van de arbeidsrelatie niet meer aan de orde. Herplaatsing binnen een redelijke termijn ligt in dit geval niet in de rede, zodat het ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW zal worden toegewezen. 4.7 De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari
- Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. Er is geen reden om het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 mei 2026 te bepalen, zoals door [verweerder] is verzocht. Contractuele vergoeding (transitievergoeding) 4.8 Rhinocorn heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een transitievergoeding van € 19.386,58 bruto, subsidiair een vergoeding van € 100.000,00 en meer subsidiair een vergoeding van € 140.000,
- 4.9 In de arbeidsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat als de arbeidsovereenkomst eindigt gedurende de eerste twee jaar na de ingangsdatum [verweerder] recht heeft op vergoeding van € 100.000,00 of in geval van ontslag op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h € 140.000,00 en bij ontslag na de eerste twee jaar heeft [verweerder] recht op een bedrag van € 140.000,
- De transitievergoeding is hierbij inbegrepen (zie hiervoor onder 2.2). Partijen hebben daarmee een ruimere vergoeding afgesproken dan wettelijk voorgeschreven. 4.10 Rhinocorn voert aan dat de vergoeding gekoppeld is aan het [...] van [verweerder] . Dit blijkt echter nergens uit. Niet uit de arbeidsovereenkomst noch anderszins. Dit verweer wordt dan ook verworpen. 4.11 Omdat partijen dit zo hebben afgesproken en omdat het ontslag niet heeft plaatsgevonden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h en de ontslagprocedure is aangezegd ver voordat de twee jaarstermijn is verstreken, is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] recht heeft op een contractuele vergoeding van € 100.000,
- Ter vermijding van enige discussie over de in artikel 2.5 opgenomen clausule ten aanzien van onverschuldigde betaling en verrekening van bovengenoemd bedrag bij toekenning van een door de kantonrechter op te leggen andere compensatie verwijst de kantonrechter naar hetgeen hieronder ten aanzien van de toe te kennen billijke vergoeding is overwogen onder 4.
- Billijke vergoeding 4.12 De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. 4.13 In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Kort gezegd vindt de kantonrechter dat Rhinocorn te snel tot de conclusie is gekomen dat het dienstverband van [verweerder] niet kon worden voortgezet wegens verstoorde verhoudingen. Na ontvangst van de motie van wantrouwen van de negen briefschrijvers heeft Rhinocorn geen moeite gedaan om de situatie te verbeteren. [A] heeft [verweerder] meteen buiten het bedrijf gezet (op non-actief gesteld). Dat laatste heeft tot een verslechtering van de verstandhouding geleid waardoor voortzetting van het dienstverband nu niet meer kan worden verlangd en door [verweerder] inmiddels ook niet meer gewenst is. 4.14 Rhinocorn heeft de klachten over [verweerder] terecht serieus genomen. Dit moet zij ook doen, maar zij heeft in dit kader niet de juiste stappen ondernomen. Rhinocorn heeft [verweerder] direct na ontvangst van de motie van wantrouwen van de negen briefschrijvers feitelijk op non-actief gezet en heeft ingestoken op ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Rhinocorn is afgegaan op wat de negen briefschrijvers hebben aangegeven zonder [verweerder] daarop te laten reageren. [A] geeft aan dat hij na een gesprek op 1 maart 2025 met de briefschrijver, op 2 maart 2025 al een concepttekst had geschreven die bij ontslag naar al het personeel gestuurd zou worden om hen te informeren over de situatie en op 3 maart 2025 [verweerder] pas heeft geconfronteerd met de brief. Hij heeft [verweerder] verteld dat hij geen andere weg zag dan per direct afscheid van elkaar te nemen. Dat is te kort door de bocht. Rhinocorn had [verweerder] in de gelegenheid moeten stellen om met de briefschrijvers, zijnde bestuurders en [..] , te praten waarna hij eventueel verbeteringen kon doorvoeren, zijn beleid kon aanpassen en kon kijken of de lucht kon worden geklaard. Rhinocorn heeft [verweerder] die mogelijkheid niet geboden. Rhinocorn is nalatig geweest in het zoeken naar een oplossing tussen [verweerder] en de negen briefschrijvers. Door zo te handelen heeft Rhinocorn ervoor gezorgd dat ontbinding thans onafwendbaar is. Dit is Rhinocorn temeer verwijtbaar nu ter zitting is gebleken dat er eerder signalen richting [A] zijn geweest. [A] heeft niets met die signalen gedaan. Als er al over [verweerder] iets werd gezegd, heeft [A] diegene verwezen naar [verweerder] . [A] noch een van de negen briefschrijvers hebben eerder bij [verweerder] kenbaar gemaakt dat er iets aan de hand was. 4.15 Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 4.16 De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 335.000,
- Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. 4.17 Volgens [verweerder] was het zijn bedoeling om ongeveer op 65-jarige leeftijd te stoppen met werken. Dat zou ongeveer nog 4 jaar zijn. [verweerder] zou in die 4 jaar recht hebben gehad op 4 x € 435.000 (de kantonrechter begrijpt inclusief een bonus van € 100.000,00) = € 1.740,00,
- Volgens [verweerder] is het redelijk om aanspraak te maken op de helft, te weten € 870.000,
- Als [verweerder] de gelegenheid was geboden om zijn beleid bij te stellen, dan wel aan hem was gevraagd om anders uit te voeren, dan zou het dienstverband nog minstens twee jaar hebben geduurd. [verweerder] werd verder het recht ontzegt op zijn bonus, de levering van aandelen en de contractuele vergoeding. Ook is de reputatieschade van [verweerder] groot. Hij is van de een op andere dag “kaltgestellt”. De kans is, mede gelet op zijn leeftijd, klein dat hij binnen afzienbare tijd een vergelijkbare baan kan krijgen. 4.18 Ondanks zijn leeftijd acht de kantonrechter het gelet op zijn jarenlange ervaring niet ondenkbaar dat [verweerder] binnen afzienbare termijn een andere baan zal vinden, maar minder aannemelijk is dat dat dadelijk een baan zal zijn met een gelijkwaardig salaris. De kantonrechter weegt voorts mee dat [verweerder] sinds 3 maart 2025 feitelijk is vrijgesteld van werkzaamheden en Rhinocorn hem sinds die tijd heeft doorbetaald. Ook de hoogte van de contractuele vergoeding in plaats van de transitievergoeding wordt bij de vaststelling van de billijke vergoeding betrokken. Verder wordt meegewogen dat Rhinocorn zoals hiervoor is geoordeeld ernstig verwijtbaar tegenover [verweerder] heeft gehandeld door aan te sturen op beëindiging van het dienstverband. Zij heeft [verweerder] niet in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren en heeft geen pogingen gedaan om de verstoorde arbeidsrelatie met de negen briefschrijvers te herstellen. 4.19 Alle omstandigheden in overweging nemend wordt de billijke vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 335.000,00 gelijk aan 1 jaar op basis van de hierboven beschreven berekening van [verweerder] zonder bonussen e.d. naast de onder overweging 4.11 afzonderlijk toegekende vergoeding. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de billijke vergoeding te verhogen met de waarde van de aandelen. 4.20 Ter verduidelijking heeft nog te gelden dat indien Rhinocorn een beroep zou willen doen op verrekening van de contractuele vergoeding (Rhinocorn heeft dat in deze procedure vooralsnog niet gedaan) wegens onverschuldigde betaling als opgenomen onder artikel 2.5 van de arbeidsovereenkomst de billijke vergoeding alsdan moet worden geacht € 435.000,00 te bedragen. De kantonrechter merkt daarbij nog op dat de transitievergoeding die deel uitmaakt van de overeengekomen contractuele vergoeding van dwingend recht is en sowieso niet kan worden verrekend met de billijke vergoeding. Het kom er dus op neer dat de kantonrechter als redelijke compensatie voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een totaalbedrag toekent van € 435.000,00 zonder de mogelijkheid van verrekening. Bonus over 2024 en 2025 en schade wegens niet leveren aandelen 4.21 [verweerder] verzoekt om toekenning van een bonus over 2024 van € 100.000,00 en over 2025 van € 125.000,
- Verder verzoekt [verweerder] om toekenning van € 232.000,00 netto, zijnde de waarde van 4% aandelen in 123Tinta die hem zijn toegezegd, maar niet aan hem zijn overgedragen. 4.22 Volgens Rhinocorn bestaat er geen reden om de bonus over 2024 toe te kennen. [A] was niet tevreden over het functioneren. In 2025 heeft [verweerder] slechts twee maanden gewerkt. Met betrekking tot de aandelen 123Tinta bestond er geen onvoorwaardelijke overeenstemming over de voorwaarden waaronder [verweerder] zou participeren. Er is geen sprake van een verbintenis die niet is nagekomen. 4.23 Vast staat dat partijen hebben gesproken over de overname van 4% aandelen in 123Tinta . Beoogd is om [verweerder] al dan niet een extra vergoeding te geven door die aandelenoverdracht te regelen. Zover is het echter niet gekomen. Er was nog geen duidelijke afspraak over de prijs en de voorwaarden waaronder de aandelen zouden worden geleverd. [verweerder] kan hier dan ook geen aanspraak op maken. Dat maakt dat [verweerder] wel aanspraak kan maken op de bonus van
- Volgens Rhinocorn wilde [verweerder] zijn bonus over 2024 inruilen voor de aandelen en stond zij hier welwillend tegenover (zie hiervoor onder 2.11). De aandelen zouden in de plaats komen van de bonus over
- Dat betekent dat als de aandelentransactie niet doorgaat, [verweerder] terug kan vallen op de bonus over
- De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van Rhinocorn dat de bonus over 2024 nog niet was toegekend, dat dit een bonus betreft die enkel verschuldigd is bij goed functioneren en dat [verweerder] juist niet goed heeft gefunctioneerd waardoor over 2024 geen bonus verschuldigd is. Uit de toezegging om de bonus in te mogen ruilen voor aandelen moet worden afgeleid dat Rhinocorn van mening was dat de bonus over 2024 verschuldigd was. Immers als deze niet verschuldigd was valt er ook niets in te ruilen. Dat betekent dat de door [verweerder] gevorderde bonus van € 100.000,00 over 2024 voor toewijzing in aanmerking komt. Voor toekenning van een wettelijke verhoging bestaat geen aanleiding. Voor partijen was het tot dit moment niet duidelijk of aanspraak kon worden gemaakt op 4% van de aandelen of op de bonus. 4.24 Voor de bonus over 2025 geldt dat [verweerder] in dat jaar slechts twee maanden heeft gewerkt. Weliswaar zijn de criteria op grond waarvan de bonus zou worden uitgekeerd niet precies omschreven, maar uit artikel 3.2 van de arbeidsovereenkomst blijkt wel dat de ebitda van invloed is op het toekennen van de bonus. Rhinocorn heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de bonus over 2025 niet zou worden toegekend. Dit deel van de vordering van [verweerder] wordt dan ook afgewezen. 27 vakantiedagen 4.25 Volgens [verweerder] bestaat er nog recht op uitbetaling van 27 vakantiedagen ter waarde van € 32.178,00 bruto. Rhinocorn heeft dat niet betwist, zodat dit kan worden toegewezen. Intrekkingsbevoegdheid 4.26 Rhinocorn krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden. Proceskosten 4.27 De proceskosten komen voor rekening van Rhinocorn, omdat Rhinocorn overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Rhinocorn. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerder] en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.28 Als Rhinocorn het verzoek intrekt, zal Rhinocorn ook de proceskosten van [verweerder] moeten betalen. 5De beoordeling van het tegenverzoek Voorwaardelijk verzoek 5.1 Omdat Rhinocorn nog de gelegenheid heeft om haar verzoek in te trekken, dient ook het tegenverzoek nog te worden beoordeeld. Indien Rhinocorn haar verzoek intrekt, wordt de arbeidsovereenkomst op basis van het verzoek van [verweerder] alsnog ontbonden, onder toekenning van de hiervoor genoemde contractuele vergoeding en de hiervoor genoemde billijke vergoeding en overige vergoedingen. De overwegingen die tot die beslissing leiden, zijn gelijk aan hetgeen hiervoor over de verstoorde arbeidsverhouding en de vergoedingen is overwogen. proceskosten 5.2 De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en het tegenverzoek niet een dusdanig meerwerk oplevert dat hiervoor een vergoeding moet worden toegekend. 6De beslissing De kantonrechter op het verzoek 6.1 stelt Rhinocorn in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 24 december 2025 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij, - Voor het geval Rhinocorn het verzoek niet binnen die termijn intrekt: 6.2 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026, 6.3 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] een contractuele vergoeding te betalen van € 100.000,00, 6.4 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 335.000,00 bruto, 6.5 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] de bonus over 2024 van € 100.000,00 bruto te betalen, 6.6 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 32.178,00 bruto aan vakantiedagen, 6.7 veroordeelt Rhinocorn in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rhinocorn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, - Voor het geval Rhinocorn het verzoek binnen die termijn intrekt: 6.8 veroordeelt Rhinocorn in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rhinocorn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, op het tegenverzoek - Voor het geval Rhinocorn haar verzoek intrekt: 6.
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen Rhinocorn en [verweerder] met ingang van 1 februari 2026; 6.9 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] een contractuele vergoeding te betalen van € 100.000,00, 6.10 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 335.000,00 bruto, 6.11 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] de bonus over 2024 van € 100.000,00 bruto te betalen, 6.12 veroordeelt Rhinocorn om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 32.178,00 bruto aan vakantiedagen, 6.13 bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, op het verzoek en het tegenverzoek 6.14 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 6.15 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 december
- Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 1 BW. Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW. Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse). Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia). Artikel 7:686a lid 6 BW. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.