← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7853

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Lelystad zaaknummer: 11796369 LC EXPL 25-1523 JW/1350 Vonnis van 3 december 2025 inzake [eiseres] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen: [eiseres] , eisende partij, gemachtigde: mr. J. de Koning, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen: [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1-7; - de conclusie van antwoord met de producties 1-4; - de mondelinge behandeling van 27 november 2025 waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2De kern van de zaak 2.1 [eiseres] en [gedaagde] hebben samengewoond. De kantonrechter komt tot de conclusie dat zij aan het eind van hun samenleving hebben afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] een bedrag van € 8.000,00 zou betalen. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen. 3De beoordeling 3.1 [eiseres] en [gedaagde] hebben een relatie gehad die eind februari 2024 is geëindigd. Tijdens de relatie heeft [eiseres] verschillende uitgaven gedaan, te weten: partijen hebben in 2022 de badkamer in het huis laten verbouwen voor een bedrag van € 13.550,

  1. [eiseres] heeft daar voor een bedrag van € 7.000,00 aan bijgedragen. Het huis is (uitsluitend) eigendom van [gedaagde] ; partijen hebben in januari 2023 een televisie gekocht voor – uiteindelijk – een bedrag van € 2.999,
  2. Hiervan heeft [eiseres] € 2.399,00 betaald en [gedaagde] de rest. De televisie is bij [gedaagde] achtergebleven; [eiseres] heeft een Brabantia prullenbak gekocht voor € 170,00 die bij [gedaagde] is achtergebleven; [eiseres] heeft voor € 395,00 een speaker gekocht die bij [gedaagde] is achtergebleven. 3.2 Aan het eind van hun relatie hebben partijen volgens [eiseres] afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] nog een bedrag van € 8.000,00 zou betalen in verband met deze uitgaven. Primair vordert zij nakoming van deze overeenkomst. Subsidiair baseert zij haar vordering op ongerechtvaardigde verrijking. Op beide gronden vordert zij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.3 [gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij betwist niet dat [eiseres] € 7.000,00 heeft betaald voor de verbouwing van de badkamer maar volgens hem is nooit afgesproken dat hij dat bedrag aan [eiseres] zou terugbetalen. Voor wat betreft de televisie heeft hij tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [eiseres] daaraan € 2.399,00 heeft betaald. Hij stelt verder dat hij de prullenbak niet hoeft te hebben. Die mag [eiseres] komen ophalen. Over de speaker stelt hij dat dat een cadeau van [eiseres] aan hem was. Is er een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen? Ja 3.4 De hoofdvraag die partijen verdeeld houdt is of er tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat [gedaagde] [eiseres] een bedrag van € 8.000,00 zou betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. In januari 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] de volgende Whatsappberichten gestuurd: “We hebben afgesproken dat je vanaf januari kon beginnen met terugbetalen van de €8000 voor de badkamer en de overige kosten van tv/gezamenlijke meubeltjes. Kunnen we concreet wat afspraken daarover maken? Wil je dit in 1x betalen of maandelijks? Ik heb mij hier op ingesteld namelijk, dus wil even weten waar we aan toe zijn. Ivm het accepteren van een andere woning en het opknappen daar Wil ook rekening houden met jou hierin Weet niet hoe je bijv met je werk zit nu Of je al iets hebt gevonden?” [gedaagde] heeft daarop geantwoord: “Ik kan proberen om in ieder geval de helft in januari over te maken Als het meezit, kan ik het misschien volledig betalen Maar dit is geen belofte waar je een screenshot van kunt maken en me later op kunt vastpinnen” 3.5 De kantonrechter is van oordeel dat uit deze berichten volgt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] het bedrag van € 8.000,00 zou terugbetalen. [eiseres] heeft dat namelijk geschreven in haar Whatsappbericht en [gedaagde] heeft dat vervolgens niet weersproken. Hij heeft in zijn reactie niet gezegd dat die afspraak in het geheel niet is gemaakt. Het had wel voor de hand gelegen dat [gedaagde] op die manier zou hebben gereageerd als er nooit een afspraak zou zijn gemaakt over deze terugbetaling. 3.6 [gedaagde] heeft gesteld dat uit het laatst geciteerde Whatsappbericht volgt dat hierover geen afspraak tussen partijen zou bestaan. Daarin volgt de kantonrechter [gedaagde] niet. Wat opvalt aan de reactie van [gedaagde] op de berichten van [eiseres] is allereerst dat hij niet ontkent dat was afgesproken dat hij het bedrag van € 8.000,00 zou terugbetalen. Hij reageert alleen op het moment waarop dat zou gebeuren. In zijn eerste antwoord zegt [gedaagde] toe dat hij in elk geval de helft van het bedrag in januari 2024 zal overmaken. Vervolgens zegt hij dat hij misschien het gehele bedrag al in januari 2024 zal overmaken. Ten slotte schrijft hij dat dat geen belofte is waar [eiseres] hem op kan vastpinnen. Gelet op het voorgaande moet deze opmerking wel betrekking hebben op het moment waarop [gedaagde] het bedrag zou terugbetalen, en niet op de vraag of hij het überhaupt zou terugbetalen. Iets anders volgt ook niet uit de Whatsappberichten. 3.7 De kantonrechter is dus van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] het bedrag van € 8.000,00 zou terugbetalen. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om dit te doen. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen vanaf 22 juli 2025 3.8 [eiseres] vordert wettelijke rente over een bedrag van € 7.000,00 vanaf ‘januari 2024’ en over een bedrag van € 1.000,00 vanaf 1 januari
  3. Om wettelijke rente te kunnen vorderen is het nodig dat degene die moet betalen ‘in verzuim’ is met het betalen van de verschuldigde geldsom. Iemand raakt in verzuim als er een overeengekomen betalingstermijn is verstreken of als hij niet betaalt nadat hem daarvoor een redelijke termijn is gegeven. 3.9 De kantonrechter heeft hiervoor al overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] nog € 8.000,00 zou betalen. Maar het is niet komen vast te staan dat daarvoor een duidelijke betalingstermijn was overeengekomen. Op grond van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek kon [eiseres] daarom direct aanspraak maken op betaling. Maar het had op de weg van [eiseres] gelegen om [gedaagde] een brief te sturen waarin een termijn werd gesteld waarbinnen [gedaagde] moest betalen, zodat [gedaagde] ‘in verzuim’ zou komen. [eiseres] heeft niet gesteld (en het ook niet op een andere manier gebleken) dat dat is gebeurd. [gedaagde] kon wel uit de dagvaarding begrijpen dat [eiseres] betaling verlangde van het bedrag van € 8.000,
  4. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 14 dagen na de dag waarop [gedaagde] is gedagvaard, dus vanaf 22 juli
  5. De proceskosten 3.10 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [eiseres] procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht en komen de explootkosten voor betekening van de dagvaarding niet voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten x tarief € 339,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 903,00 Uitvoerbaar bij voorraad 3.11 De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over dit bedrag vanaf 22 juli 2025, tot de dag van volledige betaling; 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 903,00; 4.3 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Wegen op 3 december 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.