RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/595774 / HL ZA 25-170 Vonnis (bij vervroeging) van 24 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.D. Poot, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonend te [woonplaats 1] ,2. [gedaagde sub 2], wonend te [woonplaats 1] ,3. [gedaagde sub 3], wonend te [woonplaats 2] ,4. [gedaagde sub 4], wonend te [woonplaats 2] ,5. [gedaagde sub 5], wonend te [woonplaats 3] ,6. [gedaagde sub 6], wonend te [woonplaats 4] ,7. [gedaagde sub 7], wonend te [woonplaats 4] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] , advocaat: mr. P.G. Broekman. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 13,- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnotitie van [eiser] . 1.2 Daarna is vonnis bepaald. 2 De kern 2.1 Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden c.s] als (voormalig) bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van Stichting ErfGoedGezien (hierna: Stichting EGG). 3De beoordeling 3.1 [eiser] is eigenaar van het bedrijfsverzamelgebouw aan de [adres] in [plaats] . Stichting EGG is in juni 2022 opgericht door [gedaagden c.s] en heeft als doel het verrichten van kennisonderzoek en informatievergaring van materieel- en immaterieel erfgoed over vier thema’s “Heemkunde, Familiekunde Wapenkunde en Bouwkunde”. Alle (voormalig) bestuurders zijn bij Stichting EGG betrokken vanuit het ideële doel om de kennis over deze vier thema’s van cultureel erfgoed te vergroten. Stichting EGG huurde een (aantal) ruimte(
- s)in dat gebouw van [eiser] van 1 juli 2022 tot en met december 2023. Tussen [eiser] en Stichting EGG is een geschil ontstaan over het gehuurde. Vanwege het geschil heeft de Stichting EGG het betalen van de huur opgeschort. [eiser] heeft tegen Stichting EGG een procedure gestart, waarin zij betaling van de huurachterstand heeft gevorderd. Bij vonnis van 24 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland Stichting EGG veroordeeld tot betaling van € 47.200,52 aan achterstallige huur, boetes, incassokosten en proceskosten en de vorderingen in reconventie afgewezen. Stichting EGG heeft niet voldaan aan het vonnis. Tegen het vonnis heeft Stichting EGG hoger beroep ingesteld. Die procedure loopt nog. 3.2 Omdat Stichting EGG niet heeft voldaan aan het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis van 24 december 2024, vordert [eiser] [gedaagden c.s] – kort gezegd – te veroordelen tot betaling van € 47.200,52. [eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagden c.s] in privé als (voormalig) bestuurders aansprakelijk zijn. 3.3 De rechtbank oordeelt dat [gedaagden c.s] als (voormalig) bestuurders niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor betaling van de huurachterstand (en bijkomende kosten) aan [eiser] , waartoe Stichting EGG is veroordeeld bij vonnis van 24 december 2024. Wettelijk kader bestuurdersaansprakelijkheid 3.4 De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt hoog. Als uitgangspunt geldt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar schulden. Uitsluitend in bijzondere gevallen kan, naast de vennootschap, het bestuur van de vennootschap aansprakelijk worden gehouden voor de schuld van de vennootschap aan een schuldeiser. Dit kan zich voordoen als de bestuurder persoonlijk ter zake van de benadeling van de schuldeiser een ernstig verwijt kan worden gemaakt in een situatie waarbij de bestuurder
- i)namens de vennootschap heeft gehandeld of
- ii)heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. 3.5 Voor situatie
- i)geldt als maatstaf dat er sprake kan zijn van een ernstig verwijt wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade tegenover de schuldeiser (de Beklamel-norm). Voor situatie
- ii)geldt de maatstaf dat er sprake kan zijn van een ernstig verwijt als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (de Ontvanger/Roelofsen maatstaf). Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. De vordering op Stichting EGG is onbetaald en onverhaalbaar gebleken 3.6 Aan bestuurdersaansprakelijkheid wordt pas toegekomen als de vordering van [eiser] door Stichting EGG onbetaald blijft en op Stichting EGG onverhaalbaar blijkt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De vordering van [eiser] op Stichting EGG tot betaling van € 47.200,52 is tot nu toe onbetaald gebleven. Daarnaast heeft het conservatoire beslag op de bankrekeningen van Stichting EGG van maart 2025 ook geen doel getroffen. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er van uit dat de vordering die [eiser] heeft op Stichting EGG onverhaalbaar is. Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. Beklamel-norm (situatie
- i)3.7 Tussen partijen is niet in geschil dat Stichting EGG in juni 2022 de huurovereenkomst met [eiser] heeft gesloten. Daarom moet worden beoordeeld of [gedaagden c.s] op dat moment wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat Stichting EGG niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade tegenover [eiser] . De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op [eiser] . i. Het sluiten van de eerste huurovereenkomst 3.8 Het standpunt van [eiser] dat [gedaagden c.s] ten tijde van het sluiten van de (eerste) huurovereenkomst wisten of behoorden te weten dat Stichting EGG financieel niet in staat was de huur te voldoen, leidt niet tot de conclusie dat [gedaagden c.s] een persoonlijk ernstig verwijt treffen. Op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten was Stichting EGG nog in oprichting. Stichting EGG bevond zich dus nog in de opstartfase. De activiteiten die Stichting EGG zou gaan ontplooien, moesten nog ontwikkeld worden. Dat betekent dat Stichting EGG nog geen inkomsten genereerde, maar ook dat dat door de (voormalige) bestuurders was voorzien. Om die reden hebben de (voormalig) bestuurders afgesproken de huur uit eigen (privé) middelen te voldoen, totdat Stichting EGG voldoende inkomsten zou genereren om de huur zelf te kunnen voldoen. Dat maakt niet dat de (voormalig) bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt treffen. Ze zouden er immers voor zorgen dat Stichting EGG aan haar huurverplichting zou voldoen en zij hebben daar ook daadwerkelijk voor gezorgd. [eiser] was bovendien bekend met deze constructie. Een van de bestuurders (de heer [gedaagde sub 3] ) heeft namelijk vanaf zijn privérekening de waarborgsom en de eerste huurbetalingen verricht. [eiser] was dus reeds vanaf het begin van de huurovereenkomst ervan op de hoogte dat Stichting EGG de verplichtingen uit de huurovereenkomst niet uit eigen middelen voldeed. Zij heeft daar nooit een punt van gemaakt. [eiser] heeft voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst geen enkel onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van Stichting EGG. 3.9 Daar komt bij dat [gedaagden c.s] voldoende gemotiveerd hebben betwist dat er geen sprake is van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil, die voortkomt uit een juridisch geschil tussen Stichting EGG en [eiser] . Pas na het ontstaan van het juridisch geschil zijn [gedaagden c.s] namelijk gestopt met het betalen van de huur. Partijen hebben een meningsverschil over twee punten. Ten eerste de vraag of [gedaagden c.s] een beroep op opschorting van de huurbetalingen toekomt in verband met tekortkomingen aan het gehuurde en het andere geschil gaat over de vraag of [gedaagden c.s] extra ruimte(
- n)hebben gehuurd en of zij de daarvoor verschuldigde huur moeten betalen aan [eiser] . Partijen hebben de geschillen voorgelegd aan de kantonrechter, die op 24 december 2024 vonnis heeft gewezen. Tegen dat vonnis hebben de bestuurders van Stichting EGG hoger beroep ingesteld. Dat Stichting EGG gestopt is met het betalen van huur komt dus (in eerste instantie) niet door een gebrek aan de beschikbaarheid van door de bestuurders verstrekte financiële middelen, maar is het gevolg van een juridisch geschil. Het procederen over een juridisch geschil en het om die reden opschorten van de betaling van de huur leveren geen persoonlijk verwijt aan de bestuurders van Stichting EGG op. Dat is mogelijk anders als er (duidelijk) sprake is van misbruik van procesrecht, maar dat is niet gebleken. ii. Het sluiten van de tweede huurovereenkomst 3.10 Het verwijt van [eiser] dat [gedaagden c.s] namens Stichting EGG een tweede huurovereenkomst zouden hebben gesloten voor de huur van extra ruimten, terwijl Stichting EGG op dat moment niet de financiële middelen had om de huur te kunnen voldoen, treft ook geen doel. Zoals hiervoor toegelicht, zijn partijen verwikkeld in een juridische procedure over dit punt. [gedaagden c.s] betwisten een tweede huurovereenkomst te hebben gesloten. Hoewel de kantonrechter in het vonnis van 24 december 2024 heeft geoordeeld dat er wel een tweede huurovereenkomst tot stand is gekomen, hebben [gedaagden c.s] (tegen dat oordeel) hoger beroep ingesteld, zodat het geschil nog niet definitief is beslecht tussen partijen. Dat betekent dat het niet-betalen van de huur voor de extra ruimten ook (in eerste instantie) geen financiële kwestie is, maar het gevolg is van een meningsverschil tussen partijen over de vraag of er überhaupt een tweede huurovereenkomst is gesloten. Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. Ontvanger/Roelofsen maatstaf (situatie
- ii)3.11 Voor aansprakelijkheid op deze grond moet worden beoordeeld of [gedaagden c.s] wisten of redelijkerwijze hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van Stichting EGG tot gevolg zou hebben dat Stichting EGG haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen of onrechtmatig handelt en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Ook hiervan rust de stelplicht en bewijslast op [eiser] . i. Selectieve betaling 3.12 [eiser] stelt dat zij is benadeeld door [gedaagden c.s] [eiser] voert aan dat [gedaagden c.s] een vergoeding hebben betaald aan een derde die apparatuur aan Stichting EGG in bruikleen had gegeven, waarvan de apparatuur uit het gehuurde gestolen is. [eiser] verwijt [gedaagden c.s] de waarde van die apparatuur aan de bruikleengever vergoed te hebben, terwijl zij dat geld ook had kunnen aanwenden om de huurachterstand te betalen. De waarde van de appratuur bedroeg € 21.519, -. Daarnaast hebben [gedaagden c.s] ook geen poging gedaan om de schade die zij zelf als gevolg van de diefstal hebben geleden vergoed te krijgen. [gedaagden c.s] betwisten echter dat zij de waarde van de appratuur vergoed hebben aan de bruikleengever. [eiser] heeft dit standpunt niet onderbouwd (bijvoorbeeld met een verklaring van de eigenaar van de apparatuur). Ter zitting heeft zij geen feiten gesteld waarop zij haar stelling heeft gebaseerd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Stichting EGG had dat wel van haar verwacht mogen worden. Omdat zij op dat punt haar stelplicht heeft verzuimd, komt de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht en wijst de rechtbank deze feitelijke grondslag af. ii. Te lang wachten met opzeggen huurovereenkomst 3.13 [eiser] verwijt [gedaagden c.s] ook dat zij (bewust) te lang hebben gewacht met het beëindigen van de huur, waardoor de huurachterstand onnodig is opgelopen. Dat enkele feit kan echter niet tot de conclusie leiden dat [gedaagden c.s] als bestuurders op grond van voornoemde maatstaf aansprakelijk zijn. De huurachterstand is namelijk ontstaan door een juridisch geschil tussen partijen, niet door een te late beëindiging van de huur. Ook had [eiser] als verhuurder de huurovereenkomst zelf eerder kunnen beëindigen. iii. Betaling huurachterstand onnodig traineren 3.14 [eiser] stelt daarnaast dat door de weigerachtige houding van [gedaagden c.s] de schuld verder is opgelopen, waardoor de rente toeneemt en de financiële positie van Stichting EGG verslechtert. Zij verwijt [gedaagden c.s] in dat verband in hoger beroep te zijn gegaan tegen het vonnis van de kantonrechter en dat vonnis niet te zijn nagekomen, ondanks dat het uitvoerbaar bij voorraad was. Niet alleen wordt de eindbeslissing daardoor uitgesteld, maar wordt Stichting EGG ook op (juridische) kosten gejaagd. Dat is alleen onvoldoende om te concluderen dat [gedaagden c.s] een persoonlijk ernstig verwijt treffen. Als procespartij mag je het standpunt innemen dat je niet verplicht bent tot betaling en heb je het recht om in hoger beroep te gaan, als je het niet eens bent met de beslissing in eerste aanleg. Dat zijn geen omstandigheden die tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagden c.s] kunnen leiden. iv. Geen deugdelijke administratie 3.15 [eiser] verwijt [gedaagden c.s] ook geen deugdelijke administratie gevoerd te hebben, terwijl dat een wettelijke taak is van het bestuur van een stichting (artikel 2:10 BW). Dat Stichting EGG die taak niet (zorgvuldig) heeft vervuld blijkt volgens [eiser] uit het feit dat Stichting EGG op een gegeven moment is gestopt met het betalen van de huur en een van de bestuurders daarop heeft laten weten dat er niet direct betaald kon worden. [eiser] verwachtte dat [gedaagden c.s] een betalingsvoorstel zouden doen, maar [gedaagden c.s] stelden dat dat ook geen optie was, aldus [eiser] . Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat Stichting EGG geen deugdelijke administratie zou voeren. Bovendien is het niet-betalen van de huur het gevolg van een juridisch geschil. [eiser] heeft ook op dit punt haar stelling dat Stichting EGG haar wettelijke taak om een deugdelijke administratie te voeren niet vervuld heeft, onvoldoende onderbouwd. Conclusie 3.16 De rechtbank oordeelt dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden (tezamen en afzonderlijk), mede gezien de hoge drempel die geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid, niet leiden tot aansprakelijkheid van [gedaagden c.s] De vorderingen van [eiser] worden dus afgewezen. [eiser] moet de proceskosten betalen 3.17 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden c.s] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.980,00 4De beslissing De rechtbank 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.980,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. WD 5648