← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7867

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/575679 / HL ZA 24-145 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH EMERGENCY SUPPLIES INTERNATIONAL B.V., te Dronten , eisende partij, advocaat: mr. M.W. Rijsdijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

  1. [gedaagde sub 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,
  2. [gedaagde sub 2], te [woonplaats] , gedaagde partijen, advocaat: mr. G.A.C. van den Hout. Eisende partij wordt hierna DESI genoemd en gedaagde partijen zullen samen worden aangeduid als [gedaagde sub 1] c.s. en afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . 1De procedure 1.1 De rechtbank beschikt over de volgende processtukken: het vonnis in incident van 4 september 2024 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024 met producties 12 t/m 31; de akte van DESI van 22 januari 2025 met een eiswijziging en producties 29 t/m 33; de akte van DESI van 5 september 2025 met een eiswijziging en producties 34 t/m 41; de akte van DESI van 15 september 2025 met productie 42; de akte van 15 september 2025 van [gedaagde sub 1] c.s. met producties 32 t/m 33; de akte van DESI van 16 september 2025 met productie 43; de akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 16 september 2025 met productie 34; de akte van DESI van 18 september 2025 met producties 44 t/m 45; de akte van DESI van 22 september 2025 met producties 46 t/m
  3. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden op de locatie van deze rechtbank in Utrecht. Aan de kant van DESI waren de heer [A] (hierna: [A] ), [.] van DESI , en de heer [B] (hierna: [B] ), [..] van [A] , aanwezig. DESI werd bijgestaan door mr. Rijsdijk en mr. [C] . Aan de kant van [gedaagde sub 1] c.s. zijn de heer [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2] ), middellijk directeur van [gedaagde sub 1] , en de heer [D] (hierna: [D] ), verschenen, bijgestaan door mr. Van den Hout. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. Daarna is vonnis bepaald. 2De kern van de zaak DESI en [gedaagde sub 1] c.s. hadden een samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling en exploitatie van pop-up zorg-/woonunits. De ontwikkeling heeft geleid tot een bouwsysteem op basis waarvan een demo-woonunit is gebouwd. DESI vindt dat [gedaagde sub 1] c.s. deze demo-woonunit en de digitale bestanden waarin het bouwsysteem is vastgelegd (hierna: de Digitale Bestanden) aan haar moet verstrekken. Verder is er volgens DESI sprake van onrechtmatig wapperen omdat [gedaagde sub 1] c.s. niet alleen tegen DESI , maar ook tegenover derden verkondigt dat zij intellectuele eigendomsrechten heeft op het bouwsysteem van de zorg-/woonunits, de demo-woonunit en de Digitale Bestanden. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde sub 1] c.s. de Digitale Bestanden niet aan DESI hoeft te verstrekken. De demo-woonunit behoort toe aan DESI en [gedaagde sub 1] c.s. gezamenlijk, waarbij de rechtbank de unit toebedeelt aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] zal daarom € 4.000,- aan DESI moet betalen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat van (onrechtmatig) wapperen geen sprake is, waardoor de vorderingen die hierop betrekking hebben worden afgewezen. 3De achtergrond van het geschil De hoedanigheid van partijen 3.1 DESI is een dochtervennootschap van Dutch Emergency Supplies B.V. ( DES ). DES is op haar beurt weer een dochtervennootschap van Invento B.V. ( Invento ). Invento is houdster van een Nederlands octrooi NL 2018293B1 dat ziet op een onderdeel van een lichtgewicht stalen frame, namelijk de knooppunten. Dit frame wordt met Expanded Polystyrene (EPS) wanden afgebouwd tot woonunit. Dit wordt het ‘ Invento -systeem’ genoemd. [A] is [...] van Invento . 3.2 [gedaagde sub 1] ontwikkelt bouwoplossingen (conceptontwikkeling) en exploiteert deze met behulp van partners, zoals DMT Modular Construction B.V. (hierna: DMT ). Bij de exploitatie verstrekt [gedaagde sub 1] een licentie aan haar partners om gebruik te maken van de door haar ontwikkelde bouwoplossingen en ontvangt daarvoor een royalty. Een van de bouwoplossingen van [gedaagde sub 1] die zij door DMT wilde laten exploiteren is ‘Pop-Up Components’ (hierna: PUC), een bouwsysteem. Volgens [gedaagde sub 2] (middellijk bestuurder van [gedaagde sub 1] ) heeft hij PUC al vóór de samenwerking met [A] en [B] ontwikkeld. Het project [zorgboerderij] 3.3 Voordat [gedaagde sub 2] via een wederzijdse kennis met [A] en [B] in contact kwam, was hij over de ontwikkeling van zorgwoningen al in gesprek met [zorgboerderij] , een zorgboerderij. Een daadwerkelijke realisatie daarvan kwam toen vanwege ontoereikend budget niet van de grond. In de loop van 2020 hebben [gedaagde sub 2] , [A] en [B] besproken om een samenwerking aan te gaan om een zorg-/woonunits te ontwikkelen voor grote bouwprojecten. Ze besloten het project bij [zorgboerderij] gezamenlijk aan te pakken, met als uitgangspunt dat het Invento -systeem zou worden toegepast. [zorgboerderij] ging hiermee akkoord. Het idee was dat het bouwsysteem van de zorg-/woonunit dat voor het project bij [zorgboerderij] zou worden ontwikkeld (hierna: het Bouwsysteem), zou kunnen worden ingezet in toekomstige bouwprojecten. Om nieuwe projecten binnen te halen, werd besloten om een demo-woonunit (hierna: de Demo-woonunit) te ontwikkelen, die op de FlevoFood Floriade als demonstratiemodel is gebruikt om reclame te maken. De inhoud van de samenwerking 3.4 De samenwerking, die niet schriftelijk is vastgelegd, werd uitgevoerd via DESI , een (tot het moment van de samenwerking inactieve) vennootschap van [A] , onder de handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’. [gedaagde sub 1] zou zich tegen een vergoeding vanuit DESI (blijven) bezighouden met de (door)ontwikkeling van bouwoplossingen en DESI zou de door [gedaagde sub 1] bedachte concepten toepassen in projecten (exploiteren). Het was de bedoeling dat de achter DESI en [gedaagde sub 1] betrokken personen, te weten [gedaagde sub 2] , [D] , [A] en [B] op een bepaald moment ieder 25% van de aandelen in DESI zou krijgen en dat de (statutaire) naam in [handelsnaam] zou worden omgezet. Dit is nooit gebeurd. Vast staat verder dat [zorgboerderij] in april 2021 aan [handelsnaam] de opdracht heeft verstrekt tot het doen van een vergunningsaanvraag voor de bouw van vier zorg-/woonunits en dat [zorgboerderij] in november 2021 de opdracht voor de realisatie ervan aan [handelsnaam] heeft verstrekt. 3.5 Voor het overige zijn partijen het oneens over de afspraken over en rolverdeling binnen de samenwerking tussen [A] (via DESI ) en [gedaagde sub 2] (via [gedaagde sub 1] ) en de juridische kwalificatie van hun samenwerking. Ook over wat er vervolgens is gebeurd ten aanzien van de ontwikkeling van het Bouwsysteem en de ontwikkeling van de Demo-woonunit, hebben partijen een verschillende lezing. De samenwerking is inmiddels geëindigd 3.6 Na verloop van tijd ging de samenwerking niet meer soepel en werd in 2023 beëindigd. [gedaagde sub 1] heeft het project [zorgboerderij] zonder DESI afgerond. De Demo-woonunit is nooit volledig afgebouwd. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is alleen het frame nog beschikbaar. Dit bouwsel stond in een loods op het bedrijfsterrein van [gedaagde sub 1] en is op 2 mei 2024 conservatoir beslagendoor DESI en in gerechtelijke bewaring afgegeven. Naast conservatoir beslag tot afgifte heeft DESI ook conservatoir bewijsbeslag en verhaalsbeslag onder [gedaagde sub 1] c.s. en conservatoir derdenbeslag onder de ING Bank laten leggen. Het geschil in deze procedure: de vorderingen van DESI 3.7 DESI vordert – samengevat en na eiswijzigingen in haar aktes van 22 januari 2025 en 5 september 2025 – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig tegenover DESI heeft gehandeld door openbare, en/of aan derden en/of aan DESI gerichte mededelingen die inhouden: o dat zij aanspraak maakt op enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, en/of o dat DESI door het gebruik van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem inbreuk op enige intellectuele eigendomsrechten zou maken of zou dreigen te maken; II. een verklaring voor recht dat geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem rusten; III. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] afzonderlijk en gezamenlijk te bevelen dat zij niet langer op enige wijze enig vermeend intellectueel eigendomsrecht onrechtmatig handhaven, daarmee dreigen of anderzijds daarover uitlatingen doen, meer specifiek dat zij zich onthouden van iedere mededeling richting DESI en/of aan derden die inhoudt dat: i. enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem rusten, ii. [gedaagde sub 1] c.s. aanspraak maakt op enige intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, en/of iii. DESI door het gebruik van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem inbreuk op enige intellectuele eigendomsrechten zou maken of zou dreigen te maken, en/of [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] afzonderlijk en gezamenlijk te bevelen onmiddellijk ieder onrechtmatig handelen te staken en gestaakt te houden; IV. Primair: [gedaagde sub 1] te bevelen om de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen door de Demo-woonunit af te geven dan wel fysiek aan DESI ter beschikking te stellen en om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren door DESI een toegangslink te sturen waarmee DESI toegang heeft tot de digitale omgeving waar de Digitale Bestanden door DESI kunnen worden gedownload; Subsidiair: [gedaagde sub 1] te bevelen om de onrechtmatige daad (het onrechtmatig handhaven van intellectuele eigendomsrechten en het daarmee in stand houden van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming) ongedaan te maken door de Demo-woonunit af te geven dan wel fysiek aan DESI ter beschikking te stellen en om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren door DESI een toegangslink te sturen waarmee DESI toegang heeft tot de digitale omgeving waar de Digitale Bestanden door DESI kunnen worden gedownload; Meer subsidiair: de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden tot zover deze strekt tot de vervaardiging van bouwtekeningen en het beschikbaar stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] enerzijds en de geldelijke investeringen van DESI daartoe anderzijds; V. in geval van de meer subsidiair gedeeltelijke ontbinding: een verklaring voor recht dat DESI aan haar ongedaanmakingsverplichting heeft voldaan en een bevel voor [gedaagde sub 1] om de ongedaanmakingsverplichting (teruggave van € 29.150,25 of € 27.818,25) aan DESI te voldoen; VI. een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van de onverschuldigde betaling (teruggave van € 6.000,-) aan DESI , en ook, voor het geval geoordeeld wordt dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de Demo-woonunit, een veroordeling tot (terug)betaling van € 16.434,72 aan DESI wegens onverschuldigde betaling en mee-financiering, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag; VII. een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding aan DESI van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het schenden van haar zorgplicht ten aanzien van de Demo-woonunit, begroot op minimaal €15.000,-, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, het meerdere nader op te maken bij staat; VIII. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de onrechtmatige handelingen, en een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot vergoeding aan DESI van de schade, begroot op minimaal €15.000,-, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, plus wettelijke rente, het meerdere nader op te maken bij staat; IX. een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] tot betaling van een dwangsom voor overtreding van de onder III en IV gegeven bevelen; X. een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] tot betaling van de proces-, beslag- en overige kosten op grond van artikel 1019h Rv; XI. veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de nakosten. 3.8 [gedaagde sub 1] c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van DESI , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van DESI , met veroordeling van DESI , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. op grond van artikel 1019h Rv en in de nakosten. Ook concludeert [gedaagde sub 1] c.s. tot veroordeling van DESI om de door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen. 4De beoordeling van de vorderingen Er is geen sprake van (dreigend) onrechtmatig wapperen met intellectuele eigendomsrechten De vordering onder I wordt afgewezen: [gedaagde sub 1] heeft niet (onrechtmatig) gewapperd 4.1 Volgens DESI handelt [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig omdat zij stof opgooit over vermeende ongespecificeerde en niet onderbouwde intellectuele eigendomsrechten op onder meer het Bouwsysteem. Volgens DESI willen de gemeente Almere, externe financier Horizon Flevoland (hierna: Horizon) en mogelijke andere zakelijke relaties hierdoor niet (meer) met haar in zee gaan en worden subsidies stopgezet waardoor zij schade leidt. Volgens DESI is sprake van onrechtmatig wapperen met intellectuele eigendomsrechten door [gedaagde sub 1] c.s. De rechtbank is van oordeel dat van (onrechtmatig) wapperen van [gedaagde sub 1] geen sprake is. 4.2 Uitgangspunt is dat het verzenden van een sommatiebrief of een andere waarschuwing door de rechthebbende van een intellectueel eigendomsrecht om inbreuk op dat recht te voorkomen of tegen te gaan, in principe niet onrechtmatig is, ook niet als die sommatie of waarschuwing aan (potentiële) afnemers van de beweerdelijk inbreukmaker is gericht. Onder omstandigheden kan dit anders zijn. In ieder geval is dat zo wanneer de rechthebbende niet te goeder trouw is, bijvoorbeeld omdat hij wist dat de aangeschreven partij geen inbreuk maakt op het ingeroepen recht, tenminste dat in redelijkheid niet heeft kunnen menen. Ook is daarvan sprake als hij weet, of moet beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat zijn recht geen stand zal houden in een procedure.De rechthebbende handelt dan immers tegen beter (hebben moeten) weten in, wat onzorgvuldig is. Of hiervan sprake is, moet steeds beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de lat hoog ligt, in die zin dat het evident moet zijn dat het ingeroepen recht ongeldig is. 4.3 DESI heeft in haar productie 33 een heel aantal uitingen/gedragingen van [gedaagde sub 1] aangevoerd die volgens haar als onrechtmatig wapperen kwalificeren. In haar spreekaantekeningen heeft DESI deze uitingen/gedragingen in drie categorieën opgedeeld. De rechtbank bespreekt per categorie waarom er geen sprake is van (onrechtmatig) wapperen.  In een gesprek met Horizon heeft [gedaagde sub 1] aan Horizon voorgesteld om vragen aan DESI te stellen over (onder meer) de intellectuele eigendomsrechten op het Bouwsysteem. Volgens DESI wekte [gedaagde sub 1] hiermee de indruk dat zij mogelijk niet over het recht beschikt om bepaalde bouwopdrachten uit te voeren, waardoor zij subsidie en een lening zou zijn misgelopen en daarmee omzet zou hebben gederfd. Volgens DESI handelt [gedaagde sub 1] hiermee onzorgvuldig jegens haar. Hier is geen sprake van wapperen door [gedaagde sub 1] ten opzichte van Horizon, tenminste het is onvoldoende duidelijk dat [gedaagde sub 1] aan Horizon specifiek heeft medegedeeld intellectuele eigendomsrechten op het Bouwsysteem te hebben of dat DESI inbreuk zou maken op haar intellectuele eigendomsrechten. Aan de vraag of sprake is van onrechtmatig wapperen komt de rechtbank daarom niet toe.  Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] meerdere keren tegenover haar geclaimd de intellectuele eigendomsrechten te hebben op het Bouwsysteem en heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dit ook zo naar buiten te blijven communiceren. Voor zover hierbij sprake is van wapperen, vindt de rechtbank dit niet onrechtmatig in de zin dat [gedaagde sub 1] in strijd met de geldende zorgvuldigheidsnormen handelde of de mededelingen in nodeloos tendentieuze of agressieve vorm is gedaan. Hierbij wijst de rechtbank op het volgende: o Het gaat om mededelingen aan DESI zelf, niet aan afnemers van DESI; o In de mededelingen van [gedaagde sub 1] stelt zij zich tegenover DESI op het standpunt dat zij intellectuele eigendomsrechten heeft op PUC dat volgens [gedaagde sub 1] is gebruikt voor de ontwikkeling van het Bouwsysteem. Later heeft [gedaagde sub 1] c.s. dit verduidelijkt door aan te geven dat zij geen intellectuele eigendomsrechten claimt op PUC, maar dat zij stelt de ontwerper van PUC te zijn. o Het betreft geen dreiging met handhaving in de zin dat [gedaagde sub 1] c.s. DESI waarschuwt dat zij inbreuk zou maken op een intellectueel eigendomsrecht van [gedaagde sub 1] ; o Niet kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] op het moment van deze mededelingen wist of zich moest beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat geoordeeld zou worden dat zij geen intellectuele eigendomsrechten op PUC (of de volgens haar daarop gebaseerde Digitale Bestanden waarin het Bouwsysteem is vastgelegd) zou hebben. Daar was toen onvoldoende duidelijkheid over, in ieder geval wat betreft de vraag of sprake kon zijn van auteursrechtelijke bescherming.  Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] tijdens een kort geding (hierna: het Kort Geding) dat DESI tegen [gedaagde sub 1] c.s. had aangespannen een beroep gedaan op intellectuele eigendomsrechten en gesteld dat DESI daarop inbreuk dreigde te maken. Van de zitting in deze procedure is verslag gedaan in het regionale dagblad De Stentor. Dit is voor de gemeente Almere (subsidieverstrekker bij bouwprojecten) reden geweest om nadere vragen aan DESI te stellen, aldus DESI , en zij stelt dat hierdoor vertraging in de projectfinanciering is ontstaan, waardoor zij projecten niet heeft kunnen op- of voortzetten. DESI wijst hierbij op de pleitaantekeningen van [gedaagde sub 1] c.s. in het Kort Geding waarin staat vermeld: ‘Toen het ons duidelijk was geworden dat de heren inbreuk wilde maken op ons intellectuele eigendom hebben we ze logischerwijs de toegang tot de map (met daarin de Digitale Bestanden, rechtbank) ontzegd’. Ook wijst DESI op het proces-verbaal van het Kort Geding, waarin [gedaagde sub 1] c.s. op vragen van de voorzieningenrechter antwoordt: ‘
  4. In de e-mail van 9 oktober 2023 werd inderdaad geen beroep op IE-rechten gedaan. Maar er werden door DESI pogingen gedaan om de IE-eigendom van [gedaagde sub 1] af te nemen en er werden onwaarheden verspreid. Dat vond [gedaagde sub 1] niet terecht.
  5. [gedaagde sub 1] sluit niet uit dat zij IE-rechten (zal) hebben: zij is daarmee bezig. [gedaagde sub 1] weet nog niet of dat haalbaar is, maar [gedaagde sub 1] is zeker weten de bedenker van PUC.’ Over de mededelingen van [gedaagde sub 1] c.s. dat DESI inbreuk wilde maken op haar intellectuele eigendomsrechten en dat door DESI pogingen waren gedaan om de IE-eigendom van [gedaagde sub 1] af te nemen heeft [gedaagde sub 1] c.s. nog aangevoerd dat zij hier niet mee bedoelde dat zij intellectuele eigendomsrechten pretendeerde te hebben, maar hiermee (alleen) wilde voorkomen dat DESI er met haar creatie (PUC) vandoor zou gaan. Voor zover hierbij sprake is van wapperen vindt de rechtbank deze uitingen ook niet onrechtmatig in de zin dat [gedaagde sub 1] in strijd met de geldende zorgvuldigheidsnormen handelde of de mededelingen in nodeloos tendentieuze of agressieve vorm is gedaan. Hierbij is het volgende van belang: o [gedaagde sub 1] c.s. mocht zich op het moment van het Kort Geding op het standpunt stellen dat zij (mogelijk) intellectuele eigendomsrechten had en dat DESI hier inbreuk op zou maken: daar was toen onvoldoende duidelijkheid over, in ieder geval wat betreft de vraag of sprake kon zijn van auteursrechtelijke bescherming. Op het moment van deze procedure was hier geen rechterlijk oordeel over. Ook hier kan niet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] op het moment van deze mededelingen wist of moest beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat geoordeeld zou worden dat zij geen intellectuele eigendomsrechten zou hebben en dat van een inbreuk geen sprake kon zijn. Van een waarschuwing tegen beter weten in was op dat moment dan ook geen sprake, terwijl er niets mis is met de wens van [gedaagde sub 1] c.s. dat zij wilde voorkomen dat DESI er met haar creatie (PUC) vandoor zou gaan. o [gedaagde sub 1] c.s. heeft zich met de hierboven genoemde uitingen niet rechtstreeks gericht tot afnemers van DESI . o DESI heeft gelet op het voorgaande niet of onvoldoende duidelijk gemaakt wat over de hierboven genoemde uitingen specifiek onrechtmatig is richting DESI . Dat de gemeente Almere naar aanleiding van het artikel in De Stentor bij DESI heeft geïnformeerd naar de context en de uitspraak in het Kort Geding, maakt niet dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld richting DESI . Dit geldt ook als, maar dat is niet gebleken, de gemeente vanwege vermeende onduidelijkheid over de (aanwezigheid van) intellectuele eigendomsrechten de subsidie zou hebben stopgezet. De vordering onder II wordt afgewezen: DESI heeft geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht en heeft te weinig gesteld 4.4 Ook de vordering van DESI onder II, een verklaring voor recht dat geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem rusten, zal worden afgewezen, en wel om twee redenen.
  6. Voor de ontvankelijkheid van een vordering tot verklaring voor recht is vereist dat eiser, in dit geval DESI , een voldoende concreet belang bij die vordering heeft in de zin van artikel 3:303 BW. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering die wordt ingesteld te rechtvaardigen. DESI heeft, in het licht van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s., onvoldoende aan haar stelplicht voldaan. Volgens DESI is haar belang bij de vordering onder II erin gelegen dat zij naar derden toe (bijvoorbeeld de gemeente Almere en Horizon) kan laten zien dat er geen onduidelijkheid bestaat over de afwezigheid van intellectuele eigendomsrechten, en zij hiermee misstanden die zijn ontstaan kan rechtzetten. Zoals de rechtbank in haar vonnis in incident al heeft overwogen en dit is tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde sub 1] c.s. bevestigd, stelt [gedaagde sub 1] c.s. zich in deze procedure op het standpunt dat (ook) wat haar betreft geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale bestanden, het Bouwsysteem en de Demo-woonunit rusten. Daarom ontbreekt een voldoende concreet belang van DESI bij de vordering onder II: zij vordert hiermee namelijk een verklaring voor recht van een situatie die door [gedaagde sub 1] c.s. is erkend. Een andere onderbouwing van de vordering is door DESI niet gegeven. De vordering zal daarom op grond van het bepaalde in artikel 3:303 BW worden afgewezen.
  7. Ook voor de vraag of sprake is van intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale bestanden, het Bouwsysteem en de Demo-woonunit is te weinig door DESI gesteld. Weliswaar heeft DESI in het kader van een vooruitgeschoven niet-inbreuk verweer gesteld dat volgens haar van octrooi-, (Unie- en Benelux)model- en auteursrechten geen sprake kan zijn, maar met name haar standpunt dat er geen sprake kan zijn van auteursrechtelijke bescherming vanwege de techniek-exceptie, heeft DESI te weinig handen en voeten gegeven. Hierdoor heeft zij naar het oordeel van de rechtbank zo weinig concreets aan feiten en omstandigheden naar voren gebracht dat de vordering onder II (ook) daarom moet worden afgewezen. De vordering onder III en de daarvoor gevorderde dwangsom onder IX worden afgewezen: geen reële dreiging van onrechtmatig wapperen 4.5 Ook de vordering onder III zal worden afgewezen. Kort gezegd vordert DESI hiermee een bevel voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] om in de toekomst geen mededelingen aan DESI en/of derden te doen over het bestaan van intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, de Demo-woonunit en het Bouwsysteem, hier geen aanspraak op te maken en/of zich niet op het standpunt te stellen dat DESI hierop inbreuk zou maken of zou dreigen te maken. Voor de toewijsbaarheid van een dergelijk op de toekomst gericht bevel is noodzakelijk dat er een concreet belang bestaat, in die zin dat er een reële dreiging is dat de handelingen waarop het door DESI gevorderde bevel zien, zullen worden verricht. Deze dreiging is volgens de rechtbank niet aanwezig, omdat [gedaagde sub 1] c.s. in het verleden niet onrechtmatig heeft gewapperd (zie 4.3), en zij zich in deze procedure op het standpunt stelt dat er (ook) wat haar betreft geen intellectuele eigendomsrechten op de inhoud van de Digitale Bestanden, het Bouwsysteem en de Demo-woonunit rusten en dat ze daar ook geen beroep op doet. Gelet hierop zal ook de gevorderde dwangsom onder IX voor zover deze ziet op de vordering onder III worden afgewezen. [gedaagde sub 1] hoeft Demo-woonunit en Digitale Bestanden niet aan DESI af te geven De vordering onder IV en XI wordt afgewezen: geen verplichting om Digitale Bestanden af te geven na beëindiging van de samenwerking 4.6 Primair vordert DESI onder IV om [gedaagde sub 1] te bevelen om de Demo-woonunit af te geven aan DESI en de Digitale Bestanden aan DESI te leveren. Volgens DESI zijn dit verplichtingen van [gedaagde sub 1] die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. bracht de samenwerking tussen DESI en [gedaagde sub 1] alleen met zich mee dat [gedaagde sub 1] bepaalde werkzaamheden zou verrichten voor derden, zoals [zorgboerderij] , en kwalificeert de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomt van opdracht. Hieruit vloeit geen verplichting voort voor [gedaagde sub 1] om de Digitale Bestanden af te geven ondanks dat zij dit eerder onverplicht had gedaan, aldus [gedaagde sub 1] . Wat betreft de Demo-woonunit is volgens [gedaagde sub 1] sprake van mede-eigendom. 4.7 DESI en [gedaagde sub 1] hebben hun samenwerking niet schriftelijk vastgelegd. Er gelden dus mondelinge afspraken. Wat partijen zijn overeengekomen moet daarom worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit hun verklaringen en gedragingen over en weer hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. 4.8 Met betrekking tot de Digitale Bestanden was de insteek van [A] en [gedaagde sub 2] dat ze eerst, in de woorden van DESI , ‘verkering zouden aangaan, voordat ze in het huwelijksbootje zouden stappen’. Daarmee werd bedoeld: ze zouden eerst enkele projecten samen doen en als dat goed zou bevallen zouden ze in de toekomst samenwerkingspartners worden. [gedaagde sub 2] , [A] , [B] en [D] zouden dan ieder 25% van de aandelen in DESI krijgen en de (statutaire) naam van DESI zou in [handelsnaam] worden omgezet. Ten tijde van het project [zorgboerderij] was het nog niet zover, en uiteindelijk is deze toekomstige samenwerking er ook niet gekomen. 4.9 [zorgboerderij] gaf in november 2021 DESI de opdracht vier zorg-/woonunits te ontwikkelen. Het project [zorgboerderij] hebben [A] en [gedaagde sub 2] uitgevoerd vanuit DESI , onder de handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’. Partijen hebben afgesproken dat die units gebouwd zouden worden bij [gedaagde sub 1] . Dat hebben ze vormgegeven als een opdracht van DESI aan [gedaagde sub 1] . Volgens DESI heeft zij hiervoor input geleverd waarop binnen de samenwerking is voortgeborduurd. Ze wijst daarbij op de door haar (in EP32) overgelegde e-mail van [B] van 8 december 2020 aan onder meer [gedaagde sub 2] . Maar het enige wat in deze e-mail staat is dat een tekening van het bouwsysteem is toegepast in een ander project van [A] . Niet is gebleken dat DESI (alleen) op basis van deze tekening een daadwerkelijke bijdrage aan de ontwikkeling van de zorg-/woonunits heeft geleverd. De rechtbank houdt het er daarom op dat [gedaagde sub 1] de daadwerkelijke engineer van de zorg-/woonunits was. 4.10 De samenwerking tussen [gedaagde sub 1] en DESI zag dus specifiek op het project [zorgboerderij] . Dat [gedaagde sub 1] de door haar gemaakte Digitale Bestanden van het Bouwsysteem destijds en in het kader van de samenwerking aan DESI ter beschikking heeft gesteld (via Google Drive), betekent niet dat [gedaagde sub 1] dit moest blijven doen nadat de samenwerking was beëindigd. Het beschikbaar stellen van deze documenten was tijdelijk, namelijk voor de duur van het project (dat inmiddels is geëindigd). Nergens blijkt uit dat anders is overeengekomen. De rechtbank zal de primaire vordering onder IV om [gedaagde sub 1] te bevelen om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren daarom afwijzen. Onbenoemde overeenkomst tot vervaardiging Demo-woonunit: geen verplichting [gedaagde sub 1] tot afgifte Demo-woonunit 4.11 Met betrekking tot de Demo-woonunit zit het anders. Dat deze Demo-woonunit, zoals DESI betoogt, in het kader van het project [zorgboerderij] is gebouwd, blijkt nergens uit. Deze unit is namelijk gebouwd om op de FlevoFood Floriade als demonstratiemodel reclame te maken en zo toekomstige projecten binnen te halen. Dit doel blijkt ook uit artikel 3 lid 1 van de geldleningsovereenkomst die DESI is aangegaan voor de gedeeltelijke financiering van de Demo-woonunit: ‘De lening wordt aangegaan met als doel de groei van [handelsnaam] te financieren door middel van het (gedeeltelijk) bekostigen van de realisatie van de Signature unit tbv FlevoFood Floriade met een afmeting van 6,0 x 3,6 x 3,0 meter.’ Het was de bedoeling om de Demo-woonunit en de binnengehaalde projecten vervolgens in te brengen in DESI (waarvan [gedaagde sub 2] , [A] , [B] en [D] ieder voor 25% aandeelhouder zouden worden). De Demo-woonunit is dus gemaakt in het kader van deze toekomstige samenwerking, maar deze samenwerking is nooit tot stand gekomen en de Demo-woonunit is dus ook niet in DESI ingebracht. 4.12 Tegenover de financiële inbreng van DESI , stelt [gedaagde sub 1] c.s. dat [gedaagde sub 1] arbeid heeft ingebracht (in de vorm van de ontwikkeling van de Demo-woonunit). Dit is niet nader door DESI betwist. De Demo-woonunit is in een loods op het terrein van [gedaagde sub 1] door [A] en [gedaagde sub 2] gebouwd. Door de vervaardiging van de Demo-woonunit is een begin van uitvoering gegeven aan de samenwerking die [A] en [gedaagde sub 2] voor de toekomst voor ogen hadden. In zoverre is sprake van een onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit waarbij van beide kanten sprake is van inbreng, en waaruit geen verplichting voor [gedaagde sub 1] tot afgifte van de Demo-woonunit voortvloeit. De rechtbank zal de vordering van DESI om [gedaagde sub 1] te bevelen om de Demo-woonunit aan DESI te af te geven dan wel fysiek aan DESI ter beschikking te stellen daarom afwijzen. Geen onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] 4.13 Subsidiair onder IV vordert DESI [gedaagde sub 1] te bevelen om het onrechtmatig handhaven van intellectuele eigendomsrechten en het daarmee in stand houden van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming ongedaan te maken door de Demo-woonunit af te geven en om de Digitale Bestanden aan DESI te leveren. DESI onderbouwt deze vordering met de stelling dat het haar ontzeggen van de toegang tot de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] onrechtmatig is, omdat [gedaagde sub 1] hiermee een inbreuk maakt op het ongestoord genot van DESI op diens vermogensrechtelijke aanspraak op de Digitale bestanden. Zoals de rechtbank in 4.10 heeft overwogen, is van een dergelijke vermogensrechtelijke aanspraak van DESI geen sprake: het ter beschikking stellen van deze documenten was tijdelijk, voor de duur van het project [zorgboerderij] (dat inmiddels is geëindigd), en nergens blijkt uit dat anders is overeengekomen. Ook uit de onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit vloeit geen verplichting voor [gedaagde sub 1] voort tot afgifte van de Demo-woonunit aan DESI (zie 4.13). In die zin is van onrechtmatigheid aan de kant van [gedaagde sub 1] geen sprake en zal de rechtbank het subsidiair onder IV gevorderde afwijzen. Geen gedeeltelijke ontbinding: van een tekortkoming is geen sprake 4.14 Meer subsidiair onder IV vordert DESI de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst tot zover deze strekt tot de vervaardiging van bouwtekeningen en het beschikbaar stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] enerzijds en de geldelijke investeringen van DESI daartoe anderzijds. Ook dit onderdeel van de vordering onder IV zal de rechtbank afwijzen. Van de door DESI gestelde tekortkoming van [gedaagde sub 1] , het niet (meer) leveren van de Digitale Bestanden door het ontnemen van de toegang daartoe, is namelijk geen sprake. Zoals hierboven in 4.10 is geoordeeld, was het ter beschikking stellen van de Digitale Bestanden door [gedaagde sub 1] immers van tijdelijke aard, namelijk voor de duur van het inmiddels geëindigde project [zorgboerderij] . 4.15 Omdat de rechtbank het meer subsidiair onder IV gevorderde zal afwijzen, betekent dit dat ook de vordering onder V (waarin DESI in geval van de meer subsidiair gevorderde gedeeltelijke ontbinding, een verklaring voor recht vordert dat DESI haar ongedaanmakingsverplichting al heeft voldaan en een bevel voor [gedaagde sub 1] om de ongedaanmakingsverplichting aan DESI te voldoen) zal worden afgewezen. 4.16 Gelet op het bovenstaande, zal ook de gevorderde dwangsom onder IX voor zover deze ziet op de vordering onder IV worden afgewezen. De vordering onder VI wordt deels toegewezen, de overige vorderingen worden afgewezen Geen sprake van onverschuldigde betaling, wel gemeenschappelijk eigendom Demo-woonunit 4.17 Onder VI vordert DESI een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van een onverschuldigde betaling (teruggave van € 6.000,-) aan DESI . Voor het geval geoordeeld wordt dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de Demo-woonunit, vordert DESI ook een veroordeling tot (terug)betaling van € 16.434,72 aan haar wegens onverschuldigde betaling en mee-financiering. 4.18 De rechtbank gaat eerst in op de vordering tot veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van de door DESI gestelde onverschuldigde betaling door middel van teruggave van € 6.000,-. Dit bedrag betreft een door DESI betaalde factuur van 20 augustus 2021 met omschrijving ‘Product Development, management & prototyping’ die volgens DESI ziet op door [gedaagde sub 1] gefactureerde werkuren in het kader van vervaardiging en ontwikkeling van de Demo-woonunit. Volgens DESI zijn deze werkzaamheden nooit door [gedaagde sub 1] uitgevoerd omdat de Demo-woonunit nog altijd zonder wanden bij [gedaagde sub 1] staat. De factuur van 20 augustus 2021 is volgens haar daarom onverschuldigd betaald (in de zin van artikel 6:203 BW). 4.19 In artikel 6:203 lid 1 BW is gedefinieerd wat onder onverschuldigde betaling wordt verstaan: ‘Degene die een ander zonder rechtsgrond (onderstreping, rechtbank) een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen’. Uit artikel 6:203 lid 1 BW vloeit dus voort dat als een rechtsgrond voor de betaling aanwezig is, er geen sprake kan zijn van onverschuldigde betaling. Dit is hier het geval: de rechtsgrond voor de betaling van DESI van € 6.000,- aan [gedaagde sub 1] was namelijk de onbenoemde overeenkomst tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit (zie 4.12). Daarom is geen sprake van onverschuldigde betaling, zodat de vordering van DESI tot terugbetaling van het bedrag van € 6.000,- op deze rechtsgrond niet toewijsbaar is. 4.20 Ten aanzien van de Demo-woonunit, is door de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging ervan waarbij van beide kanten sprake is van inbreng. Namelijk een financiële inbreng van DESI enerzijds en inbreng van arbeid door [gedaagde sub 1] c.s. anderzijds (zie 4.12). Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat beide partijen gezamenlijk eigenaar van de Demo-woonunit zijn, en daarmee deelgenoten. Gelet daarop is ten aanzien van de Demo-woonunit sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. In dit wetsartikel is bepaald dat de aandelen van de deelgenoten in een gemeenschap van een of meer goederen gelijk zijn, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. 4.21 Voor het geval dat er sprake is van mede-eigendom, vordert DESI onder VI [gedaagde sub 1] te veroordelen tot (terug)betaling van € 16.434,72 aan DESI wegens onverschuldigde betaling. Dit bedrag betreft volgens DESI de helft van de ongedekte investering (50% van het totale bedrag aan voorfinanciering van de ontwikkelingskosten) van DESI in de Demo-woonunit. Ook voor betaling van dit bedrag geldt dat daar een rechtsgrond voor is, namelijk de onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit, en dat de vordering van DESI tot terugbetaling van het bedrag van € 16.434,72,- op grond van onverschuldigde betaling daarom niet toewijsbaar is. 4.22 De situatie die hier voorligt, namelijk dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de Demo-woonunit, is vanuit praktisch oogpunt voor partijen een onwenselijke situatie. Dit zal namelijk tot gevolg hebben dat er niets met de Demo-woonunit zal gaan gebeuren en dat zowel DESI als [gedaagde sub 1] c.s., die er allebei in hebben geïnvesteerd, met lege handen achterblijven. De rechtbank vat de vordering van DESI tot vergoeding van de kosten die zij voor de Demo-woonunit heeft gemaakt wanneer er sprake is van gemeenschappelijk eigendom, daarom op als een vordering tot verdeling ervan in de zin van artikel 3:185 BW. 4.23 De rechter gelast op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling of stelt zelf de verdeling vast voor zover de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen. Daarbij moet, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Uitgangspunt bij de verdeling is dat ieder van partijen in beginsel recht heeft op de helft van de waarde van de goederen. Daarbij geldt steeds dat voor de waarde van de goederen moet worden aangesloten bij de waarde op de datum van de feitelijke verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd, en hij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. 4.24 De rechtbank kiest ervoor om op voet van het bepaalde in artikel 3:185 BW zélf de wijze van verdeling vast te stellen. Zij is van oordeel dat [gedaagde sub 1] meer belang heeft bij toedeling van de Demo-woonunit dan DESI . De vorderingen die strekken tot afgifte van de Digitale Bestanden worden namelijk afgewezen (zie 4.10) en DESI heeft niets aan de Demo-woonunit zonder deze Digitale Bestanden, terwijl [gedaagde sub 1] c.s. heeft aangegeven dat zij de Demo-woonunit (die tot de beslaglegging in een loods op haar terrein stond) in een ander project kan verwerken. Tegenover de toedeling van de Demo-woonunit aan [gedaagde sub 1] , zal [gedaagde sub 1] een redelijke vergoeding aan DESI moeten betalen. Hierbij is niet het door DESI gevorderde bedrag aan voorgefinancierde ontwikkelingskosten van belang, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat ook niet is gebleken dat DESI aan de ontwikkeling van de Demo-woonunit heeft bijgedragen aangezien dit door [gedaagde sub 1] c.s. zou worden uitgevoerd. De rechtbank knoopt aan bij een schatting van de reële waarde die de Demo-woonunit op dit moment heeft. Op basis van een voorstel dat [gedaagde sub 1] c.s. op 13 maart 2024 aan DESI heeft gedaan (EP16a) en gelet op het feit dat inmiddels alweer 1,5 jaar is verstreken en [gedaagde sub 1] c.s. op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij de Demo-woonunit kan gebruiken bij een ander project, schat de rechtbank de reële waarde van de Demo-woonunit op € 4.000,-. 4.25 Concreet betekent dit dat de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vaststelt, zodanig dat de Demo-woonunit wordt toebedeeld aan [gedaagde sub 1] , onder de verplichting van [gedaagde sub 1] om de reële waarde aan DESI te vergoeden. Dit maakt dat de rechtbank de vordering onder VI zal toewijzen in de zin dat [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van € 4.000,- aan DESI . De vordering onder VII wordt afgewezen: geen schending zorgplicht door [gedaagde sub 1] ten aanzien van Demo-woonunit 4.26 Onder VII vordert DESI een veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding aan DESI van de schade die zij heeft geleden omdat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht ten aanzien van de Demo-woonunit zou hebben geschonden. DESI grondt deze vordering op artikel 6:27 BW. Deze wetsbepaling luidt: ‘Hij die een individueel bepaalde zaak moet afleveren, is verplicht tot de aflevering voor deze zaak zorg te dragen op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen’. Met aflevering wordt het verschaffen van bezit of houderschap bedoeld. Volgens DESI heeft [gedaagde sub 1] zich niet als een goed huisvader gedragen doordat zij de Demo-woonunit buiten heeft laten staan en niet heeft voorkomen dat deze is gaan lekken en vervolgens is gaan roesten. Ook heeft [gedaagde sub 1] niets gedaan om te voorkomen dat het plafond van de Demo-woonunit naar beneden kwam, aldus DESI . 4.27 Deze vordering zal de rechtbank afwijzen. Uit de onbenoemde overeenkomst tussen DESI en [gedaagde sub 1] tot gezamenlijke vervaardiging van de Demo-bouwunit vloeit geen verplichting voor [gedaagde sub 1] voort tot afgifte van de Demo-woonunit (zie 4.12), artikel 6:27 BW is daarom niet van toepassing. De vordering onder VIII wordt afgewezen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn geen schadevergoeding aan DESI verschuldigd 4.28 Onder VIII vordert DESI een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van onrechtmatige handelingen, en een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot vergoeding aan DESI van de schade, begroot op minimaal €15.000,-, het meerdere op te maken bij staat. De schade bestaat volgens DESI onder andere uit reputatieschade door het onrechtmatig wapperen, die zij schat op minimaal € 5.000,-, en omzetderving, die zij schat op minimaal € 10.000,-. 4.29 Ook deze vordering zal de rechtbank afwijzen. De vordering onder VIII ziet onder andere op reputatieschade door vermeend onrechtmatig wapperen met vermeende intellectuele eigendomsrechten. Van onrechtmatig wapperen is echter geen sprake (zie 4.3). Verder stelt DESI vertragingsschade te lijden door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde sub 1] , namelijk het uitblijven van levering van de Digitale Bestanden en de afgifte van de Demo-woonunit, waardoor DESI het Bouwsysteem niet (verder) kan ontwikkelen, op- of voortzetten. Hierboven in 4.10 en 4.12 heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor [gedaagde sub 1] geen verplichting hiertoe gold. Van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde sub 1] (en daardoor ontstane vertragingsschade bij DESI ) is dus geen sprake. 5De proceskosten worden gecompenseerd 5.1 Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6 De rechtbank gaat voorbij aan de conclusie van [gedaagde sub 1] c.s. om DESI te veroordelen om de door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen 6.1 In haar conclusie van antwoord concludeert [gedaagde sub 1] c.s. tot veroordeling van DESI om de door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen omdat DESI volgens haar geen belang heeft bij instandhouding ervan. 6.2 Op grond van artikel 704 lid 2 Rv komt aan het conservatoire beslag een einde als de afwijzing van de eis in de hoofdzaak definitief is geworden, dat wil zeggen in kracht van gewijsde is gegaan. Het beslag vervalt dan van rechtswege. Mocht de beslagene dit niet willen afwachten, dat kan hij in de hoofdzaak een opheffingsvordering in reconventie instellen, uitvoerbaar bij voorraad. Dat is hier niet gebeurd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de conclusie van [gedaagde sub 1] c.s. tot veroordeling van DESI om de door haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen. 7De beslissing De rechtbank 7.1 stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast zoals in 4.25 van dit vonnis is vermeld en veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van € 4.000,- aan DESI ; 7.2 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 7.3 compenseert de proceskosten in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 7.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker, mr. N.A.J. Purcell en mr. J.G. van Ommeren, bijgestaan door mr. L. Leber, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december
  8. LL5240 HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6098 r.o. 5.8 (CFS Bakel/Stork Titan). Handhaving tegenover afnemers van een concurrent zal eerder onrechtmatig zijn dan handhaving tegenover de concurrent zelf. Vergelijk rechtbank Den Haag 16 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12865 r.o. 4.42 met verwijzing naar de conclusie van de A-G bij CFS Bakel/Stork Titan, ECLI:NL:PHR:2006:AU6098, r.o.
  9. Als het belang in de zin van artikel 3:303 BW wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dat belang, rusten de stelplicht en bewijslast daarvoor in beginsel op degene die de vordering instelt (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). DESI heeft in haar spreekaantekeningen tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat het hierbij gaat om de digitale bestanden die door [gedaagde sub 1] zijn gemaakt van het Bouwsysteem. Dit is geen eiswijziging zoals [gedaagde sub 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, maar alleen een verduidelijking. HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2851 r.o. 3.3.
  10. HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631 r.o. 3.
  11. TM, Parl. Gesch. 6, p. 154.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.