← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7873

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1250 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 2] , eiser, (gemachtigde: mr. H.J.J. Hendrikse), en Dienst Toeslagen, (gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om huurtoeslag per 1 januari
  2. 1.
  3. Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 17 juli 2024 (het primaire besluit) de aanvraag om huurtoeslag afgewezen. 1.
  4. Eiser is het daarmee oneens. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Overwegingen van de rechtbank Relevante feiten en besluitvorming
  6. Eiser woont sinds 2015 in een chalet op de [naam] aan de [adres] in [plaats 2] , in de gemeente [gemeente] . Eiser heeft de aanvraag gedaan, omdat hij per 1 januari 2023 huurtoeslag wil ontvangen.
  7. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat alleen huurtoeslag wordt toegekend als de huurder als ingezetene op het adres staat ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) of als een onjuiste inschrijving niet aan de huurder kan worden toegerekend. Eiser is niet op het betreffende adres ingeschreven in de brp en volgens Dienst Toeslagen heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hem dit niet valt toe te rekenen. Bovendien woont eiser in een recreatiewoning op een vakantiepark. Huurders van dergelijke recreatiewoningen komen niet voor huurtoeslag in aanmerking, tenzij permanente bewoning in het betreffende gedeelte van het vakantiepark wordt gedoogd door de gemeente. Dit is in het geval van eisers woning niet gebleken, aldus Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank
  8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inschrijving in de basisregistratie personen (brp)
  9. Eiser stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen ten onrechte zijn aanvraag om huurtoeslag heeft afgewezen, omdat hij met het adres waar hij verblijft niet staat ingeschreven in de brp. Eiser heeft namelijk een vonnis van de civiele rechter van 15 februari 2015 waaruit volgt dat hij permanent in een door hem gehuurde chalet woont en dat hij als ingezetene van de gemeente moet worden aangemerkt. De gemeente weigert inschrijving in de brp, omdat de beheerder van het vakantiepark geen permanente bewoning wil laten ontstaan, aldus eiser.
  10. Op grond van artikel 9, eerste lid en onder a, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt huurtoeslag slechts toegekend als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, als ingezetene op het adres van die woning zijn ingeschreven in de brp. Op grond van het tweede lid van artikel 9 van de Wht kan in afwijking van het eerste lid huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de brp niet aan de huurder kan worden toegerekend.
  11. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser niet staat ingeschreven in de brp op het adres van zijn chalet. De rechtbank is van oordeel dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit hem niet kan worden toegerekend. De verwijzing naar het civiele vonnis baat eiser niet, want dit vonnis gaat over de vraag of er nog een huurovereenkomst bestond tussen eiser en de verhuurder. Dat dit volgens het vonnis nog steeds het geval is, maakt niet dat ook is voldaan aan de voorwaarden voor huurtoeslag. Het gestelde over de verhuurder leidt evenmin tot de conclusie dat het niet ingeschreven staan niet aan eiser kan worden toegerekend. Niet onderbouwd is dat dit voor de inschrijving in de brp nodig is en voor zover dat al zo is, heeft eiser desgevraagd ter zitting toegelicht dat hij geen procedures heeft gevoerd ten aanzien van de weigering van de gemeente om hem in de brp in te schrijven. Eiser stelt dat het voeren van zulke procedures lang zal duren en daarom kan niet van hem worden verwacht dat hij hiertegen procedeert. De rechtbank vindt echter dat onder deze omstandigheden niet aannemelijk is dat eiser niet kan worden toegerekend dat hij niet in de brp is ingeschreven. Nu daarom het tweede lid van artikel 9 van de Wht niet op eiser van toepassing is, geeft de Wht Dienst Toeslagen geen bevoegdheid om eiser huurtoeslag toe te kennen. De beroepsgrond slaagt niet. Maakt eisers woning deel uit van een vakantiebestedingsbedrijf?
  12. Het niet voldoen aan de inschrijfplicht in artikel 9 van de Wht vormt al voldoende grond om de huurtoeslag te weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om - voor het geval die inschrijving toch gerealiseerd zou worden – ook de beroepsgrond gericht tegen het standpunt van Dienst Toeslagen dat eisers woning deel uitmaakt van een te behandelen vakantiebestedingsbedrijf en eiser ook om die reden geen recht heeft op huurtoeslag.
  13. Eiser stelt dat de gemeente impliciet gedoogt dat hij ingezetene is in de gemeente en zijn recreatiewoning permanent bewoont. Eiser heeft namelijk van de gemeente wel energietoeslag ontvangen en ook wijst eiser erop dat de gemeente hem in eerste instantie een aanslag in de forensenbelasting heeft gestuurd, maar deze later heeft ingetrokken. Eiser vindt daarom dat hij recht heeft op huurtoeslag. Ook stelt eiser dat de juridische gevolgen van het vonnis van de civiele rechter van 15 februari 2015 dienen te prevaleren boven de werking van de Wht.
  14. Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wht wordt in de Wht en de bepalingen die daarop berusten onder huurder verstaan: de persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij: 1° de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is, of 2° de woning onderdeel uitmaakt van een hotel-, pension, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf, ongeacht de duur van de huurovereenkomst.
  15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag Dienst Toeslagen er in beginsel vanuit gaan dat een woning die zich op een vakantiepark bevindt waar permanente bewoning volgens de bestemmingsregeling niet is toegestaan, deel uitmaakt van een vakantiebestedingsbedrijf als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, sub 2, van de Wht. Het is dan aan de aanvrager van de huurtoeslag om aannemelijk te maken dat de woning geen deel (meer) uitmaakt van een vakantiebestedingsbedrijf. Dit kan het geval zijn als de gemeente de permanente bewoning uitdrukkelijk gedoogt.
  16. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil dat het bestemmingsplan op dit moment permanente bewoning van eisers recreatiewoning niet toestaat. Eiser heeft ook geen gedoogbeschikking van de gemeente overgelegd. Het betoog dat de gemeente permanente bewoning impliciet zou gedogen, volgt de rechtbank niet. Dat eiser in 2022 en 2023 energietoeslag heeft ontvangen en de gemeente een aanslag forensenbelasting heeft vernietigd, maakt niet dat wordt voldaan aan de eis van de Afdeling dat uitdrukkelijk moet blijken dat de gemeente permanente bewoning gedoogt. Zoals hiervoor overwogen ziet het civiele vonnis van 15 februari 2015 alleen op de vraag of, en wat voor soort huurovereenkomst eiser heeft met de verhuurder. Dit vonnis gaat niet over de vraag of permanente bewoning van het chalet dat eiser huurt door de gemeente wordt gedoogd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woning geen deel (meer) uitmaakt van een vakantiebestedingsbedrijf. Eiser is dan ook geen huurder in de zin van de Wht, zodat hij ook niet voldoet aan deze voorwaarde om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De beroepsgrond slaagt niet. Evenredigheid
  17. Eiser vindt dat hij door de weigering van Dienst Toeslagen hem huurtoeslag toe te kennen, op een onevenredige wijze in zijn belangen wordt geschaad. In de belangenafweging is onvoldoende betrokken dat de gemeente hem weigert in te schrijven in de brp. Ook vindt eiser dat Dienst Toeslagen met de afwijzing van de huurtoeslag kennelijk een ander doel wenst na te streven dan waarvoor de Wht feitelijk is bedoeld.
  18. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wht, een wet in formele zin, en hierin is, zoals hiervoor overwogen terecht, vastgesteld dat niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor huurtoeslag. In dat geval kan een beroep op de evenredigheid slechts slagen als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die omstandigheden meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege dient te blijven. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd waarvan gezegd kan worden dat de wetgever daarmee geen rekening heeft gehouden, waarbij mede wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen. De rechtbank wijst verder in dit verband wat betreft de legitimiteit van de uitsluiting van huurders van recreatiewoningen op een vakantiebestedingsbedrijf ook nog op de Afdelingsuitspraak van 17 juli
  19. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat er geen reden is om af te wijken van de wet. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en Dienst Toeslagen terecht de aanvraag om huurtoeslag per 1 januari 2023 heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 november
  21. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  22. ECLI:NL:RVS:2019:2434, r.o. 5.4

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.