RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/942 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Inleiding
- Dienst Toeslagen heeft aan eiser een voorschot gegeven voor het kindgebonden budget over
- Dit voorschot is op 22 juli 2023 vastgesteld op €8.429,-. Op 9 augustus 2024 heeft Dienst Toeslagen het kindgebonden budget definitief berekend en vastgesteld op nul. Voor de definitieve berekening heeft Dienst Toeslagen gekeken naar eisers vermogen op de peildatum 2023, aan de hand van de gegevens die door de inspecteur voor de inkomstenbelasting zijn vastgesteld. Aangezien eisers vermogen boven de vermogensgrens in 2023 ligt heeft hij volgens Dienst Toeslagen geen recht op het kindgebonden budget. Dienst Toeslagen heeft daarom in totaal €8.464,- van eiser teruggevorderd.
- Met het bestreden besluit van 27 december 2024 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingediend tegen dit bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De zitting vond plaats op 21 oktober
- Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat Dienst Toeslagen het kindgebonden budget heeft berekend op nul. Dit is vastgesteld op basis van het vermogen van eiser. Het vermogen van eiser zit boven de vermogensgrens waardoor hij geen recht heeft op het kindgebonden budget over
- De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of Dienst Toeslagen het voorschot kindgebonden budget had mogen terugvorderen. Eiser had namelijk meer compassie verwacht voor zijn situatie en hij vindt dat moet worden meegenomen dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
- De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat als iemand ten onrechte een voorschot heeft gehad, hij dit in beginsel moet terugbetalen. Dit is alleen anders als de gevolgen van het moeten terugbetalen van het voorschot onevenredig zijn. Het gaat dan om bijzondere omstandigheden. Als iemands vermogen boven de vermogensgrens uitkomt, is dit volgens het beleid van Dienst Toeslagen in beginsel geen bijzondere omstandigheid. Er moeten dan andere bijzondere omstandigheden zijn, die maken dat er toch een uitzondering wordt gemaakt. Daarvan is hier geen sprake. Dat eiser zijn vrouw plotseling is verloren en met drie kleine kinderen is achtergebleven, is vreselijk. In de tijd daarna moest er veel worden geregeld en van alles volgde op elkaar. Dat ziet de rechtbank. Tegelijkertijd betekent dit niet dat de gevolgen van de terugvordering zo groot zijn dat van die terugvordering moet worden afgezien. Eiser heeft ook gezegd dat hij het kan terugbetalen. Daarbij komt dat het wettelijk systeem werkt op een manier waarbij een voorschot wordt gegeven en achteraf pas wordt vastgesteld of dit voorschot terecht is gegeven. Het is dus niet zo dat eiser bewust iets fout gedaan moet hebben voordat Dienst Toeslagen kan terugvorderen. Dat eiser te goeder trouw was, is daarom geen reden om van terugvordering af te zien of om te bepalen dat maar een kleiner bedrag mag worden teruggevorderd.
- Op de zitting heeft eiser tot slot nog gezegd dat hij zich tijdens de bezwaarfase onvoldoende gehoord en serieus genomen voelde. De gemachtigden van Dienst Toeslagen hebben in reactie daarop aangegeven dit te betreuren en hebben benadrukt dat er echt naar de persoonlijke situatie van eiser is gekeken. Ook de rechtbank heeft dat gedaan. Die situatie is echter onvoldoende om te spreken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de toeslag niet of voor een kleiner deel moet worden terugbetaald.
- Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en geen vergoeding van zijn proceskosten
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 28 oktober 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 26, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Dit volgt uit artikel 13b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en het Verzamelbesluit Toeslagen van 11 januari 2021 (Stcrt. 2021, 2142).