RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 11871061 \ UE VERZ 25-259 MS/1270 Tussenbeschikking van 31 december 2025 in de procedure op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de stichting BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE GROOTHANDEL IN VLAKGLAS, DE GROOTHANDEL IN VERF, HET GLASBEWERKINGS- EN HET GLAZENIERSBEDRIJF, gevestigd te Heerlen, hierna te noemen: Pensioenfonds Vlakglas, gemachtigden: mr. E. Lutjens en mr. H.L. Doorn, en [verweerster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. M.W. Minnaard, 1De procedure 1.1 Partijen hebben de kantonrechter met een brief van 4 september 2025 verzocht om op grond van artikel 96 Rv een beslissing te nemen over de vraag of [verweerster] valt onder de verplichtstelling van deelneming in Pensioenfonds Vlakglas. Zij hebben op 21 november 2025 het procesdossier opgestuurd dat de volgende stukken bevat: - een verzoekschrift met producties van Pensioenfonds Vlakglas; - een verweerschrift met producties en een tegenverzoek van [verweerster] ; - een conclusie van repliek houdende vermeerdering van vordering (hierna ook genoemd: vermeerdering van het verzoek) van Pensioenfonds Vlakglas; - een conclusie van dupliek met een vermeerdering van het tegenverzoek van [verweerster] . 1.2 Op 3 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Pensioenfonds Vlakglas zijn verschenen de heer [A] en de heer [B] , respectievelijk [functie 1] en [functie 2] van Pensioenfonds Vlakglas, en mr. E. Lutjens, gemachtigde. Namens [verweerster] zijn verschenen de heer [C] , CEO van [verweerster] , de heer [D] en mr. M.W. Minnaard, gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitaantekeningen toegelicht. Ze hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. 1.3 Aan het eind van de zitting hebben partijen afgesproken om nader overleg te voeren over de vraag of zij behalve een oordeel over de uitleg van de verplichtstelling van [verweerster] ook nog een oordeel willen krijgen over de overige onderdelen van het verzoek zoals dat is komen te luiden na formulering van het tegenverzoek en de vermeerdering van het (tegen)verzoek. De kantonrechter heeft partijen daarom verzocht op 10 december 2025 te laten weten of zij overeenstemming hebben kunnen bereiken over de aanpassing van hun (kantonarbitrage-)overeenkomst en daarmee van het gezamenlijk verzoek dat zij op basis van die overeenkomst hebben gedaan. 1.4 Pensioenfonds Vlakglas heeft de kantonrechter in een brief van 10 december 2025 meegedeeld dat hij het verzoek wenst te beperken tot een beslissing over de uitleg van het verplichtstellingsbesluit en dat hij de vermeerdering van vordering, onderdeel van de repliek, tot vergoeding van schade intrekt. 1.5 [verweerster] heeft in een brief van 11 december 2025 geschreven dat het procesdossier dat op 21 november 2025 is toegezonden het volledige partijdebat bevat dat aan het oordeel van de kantonrechter is voorgelegd en dat het een partij niet vrijstaat om dat debat eenzijdig en zonder instemming van de wederpartij te beperken of te herformuleren. [verweerster] stelt dat primair de vraag voorligt of zij onder de werkingssfeer valt. Indien de kantonrechter onverhoopt tot het oordeel zou komen dat dit het geval is, dienen wat [verweerster] betreft eveneens het subsidiaire verjaringsverweer en de vraag of zij gehouden kan worden een vrijwaringsverklaring te ondertekenen, te worden beoordeeld. Alleen onder die voorwaarde stemt [verweerster] ermee in dat de schadevordering buiten beschouwing wordt gelaten. 1.6 De kantonrechter heeft hierna bepaald dat vandaag een tussenbeschikking wordt gewezen. 2De kern van de zaak 2.1 Partijen hebben de kantonrechter gevraagd een oordeel te geven over de vraag hoe de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas moet worden uitgelegd. Pensioenfonds Vlakglas stelt zich op het standpunt dat ondernemingen die artikelen van kunststof vervaardigen daar zonder meer onder vallen. Volgens [verweerster] vallen deze ondernemingen echter alleen onder de werkingssfeer als zij oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof. De kantonrechter is van oordeel dat de werkingssfeerbepaling zo moet worden uitgelegd dat een onderneming als [verweerster] , die artikelen van kunststof vervaardigt, onder de werkingssfeer valt en dat geen aanvullende voorwaarde daarvoor is dat deze onderneming eerst met hout werkte. 2.2 De kantonrechter stelt vast dat partijen het niet eens zijn over de vraag of zij nog een ander gezamenlijk verzoek aan de kantonrechter willen voorleggen en zo ja, wat dat verzoek dan inhoudt. Deze procedure wordt daarom tot 1 april 2025 aangehouden om partijen de tijd te geven om hierover tot overeenstemming te komen. 3De beoordeling Inleiding 3.1 Pensioenfonds Vlakglas is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf). De deelneming in Pensioenfonds Vlakglas is op grond van de Wet Bpf verplicht gesteld voor de sectoren Vlakglas, Verf, het Glasbewerkings- en Glazeniersbedrijf en sinds 1 april 2022 ook voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw. 3.2 Tot 1 april 2022 kende de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw een eigen bedrijfstakpensioenfonds, het bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw (hierna: Bpf Hout). Per 1 april 2022 is het verplichtstellingsbesluit voor Bpf Hout ingetrokken en is het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas uitgebreid met de bedrijfstakken Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw. De werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Bpf Hout is daarbij niet gewijzigd. De bij Bpf Hout opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten zijn via een collectieve waardeoverdracht overgedragen aan Pensioenfonds Vlakglas. 3.3 [verweerster] houdt zich bezig met de productie van kunststofproducten in de verlichtings-, zonnepanelen- en medische industrie. Zij had tot 1 juni 2025 een pensioenregeling die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden (NN). [verweerster] heeft zich op 30 maart 2023 bij Pensioenfonds Vlakglas gemeld met het verzoek te beoordelen of zij mogelijk onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. 3.4 Pensioenfonds Vlakglas heeft [verweerster] bij brief van 10 maart 2025 meegedeeld dat [verweerster] in elk geval vanaf 1 april 2022 verplicht bij haar is aangesloten en dat [verweerster] in de periode vóór 1 april 2022 bedrijfsactiviteiten heeft verricht die onder de werkingssfeer van Bpf Hout vielen. Pensioenfonds Vlakglas is bereid de premieheffing met terugwerkende kracht te beperken tot 30 maart 2018, op voorwaarde dat [verweerster] een vrijwaringsverklaring ondertekent waarin zij Pensioenfonds Vlakglas vrijwaart van de financiële gevolgen van vorderingen die verband houden met pensioenaanspraken en/of pensioenrechten die door haar werknemers zijn opgebouwd in de periode vóór 30 maart
- 3.5 [verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas valt en heeft geweigerd de vrijwaringsverklaring te ondertekenen. Zij heeft zich per 1 juni 2025 vrijwillig aangesloten bij Stichting Pensioenfonds PGB, het bedrijfstakpensioenfonds voor de rubber- en kunststofverwerkende industrie. Het verzoek van Pensioenfonds Vlakglas en de onderbouwing daarvan 3.6 Pensioenfonds Vlakglas verzoekt na vermeerdering van haar verzoek:
- te verklaren voor recht dat [verweerster] vanaf 30 maart 2018 onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw valt en vanaf 1 april 2022 onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas, gebonden is aan de statuten, reglementen en besluiten van Pensioenfonds Vlakglas en premie moet betalen voor al haar (gewezen) werknemers;
- ( vermeerdering 1) voor het geval (een deel van) de onder 1 bedoelde premievordering verjaard zou zijn: [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Pensioenfonds Vlakglas heeft geleden doordat [verweerster] vanaf 30 maart 2018, in strijd met de verplichtstelling, zich niet heeft aangesloten en geen premie heeft afgedragen (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), althans voor recht te verklaren dat [verweerster] deze schade verschuldigd is, waarbij de schade is te bepalen op de voet van hetgeen in punt 22.1 van het verzoekschrift is beschreven;
- ( vermeerdering 2) [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Pensioenfonds Vlakglas heeft geleden doordat [verweerster] vóór 30 maart 2018, in strijd met de verplichtstelling, zich niet heeft aangesloten en geen premie heeft afgedragen (onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW), althans voor recht te verklaren dat [verweerster] deze schade verschuldigd is, waarbij de schade is te bepalen op de voet van hetgeen in punt 22.1 van het verzoekschrift is beschreven;
- De proceskosten te compenseren conform de tussen partijen gemaakte afspraak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.7 Pensioenfonds Vlakglas stelt zich op het standpunt dat [verweerster] onder de werkingssfeer en het verplichtstellingsbesluit valt omdat zij zich bezighoudt met de vervaardiging van artikelen van kunststof. Het tegenverzoek van [verweerster] en de onderbouwing daarvan 3.8 [verweerster] verzoekt na vermeerdering van haar tegenverzoek:
- primair: te verklaren voor recht dat [verweerster] niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas valt, althans niet over de periode tot 1 juni 2025;
- subsidiair: te verklaren dat de vordering tot premiebetaling over de periode tot en met 30 maart 2018 is verjaard en dat geen verplichting bestaat tot ondertekening van een vrijwaringsverklaring zoals voorgelegd door Pensioenfonds Vlakglas;
- meer subsidiair: de vermeerdering van het verzoek af te wijzen, nu geen sprake is van onrechtmatig handelen door [verweerster] en de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd;
- Pensioenfonds Vlakglas te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.9 [verweerster] betwist dat zij onder de verplichtstelling valt. Zij stelt dat zij sinds haar oprichting in 1983 uitsluitend kunststofproducten vervaardigt en nooit actief is geweest in de houtverwerkende industrie of de jachtbouw. Volgens haar blijkt uit de formulering en achtergrond van de werkingssfeer dat ondernemingen die artikelen van kunststof vervaardigen alleen onder de verplichtstelling vallen wanneer deze ondernemingen oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof. [verweerster] valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas 3.10 De kantonrechter is van oordeel dat de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas in redelijkheid zo moet worden uitgelegd dat een onderneming als [verweerster] , die zich bezighoudt met de vervaardiging van artikelen van kunststof, valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit en dat daarvoor niet nodig is dat de onderneming oorspronkelijk met hout werkte en later is overgestapt op kunststof. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Juridisch kader 3.11 Bij de beantwoording van de vraag of [verweerster] valt onder de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit komt het aan op de uitleg van die bepaling. Uitleg van een werkingssfeerbepaling van een verplichtstellingsbesluit dient te geschieden aan de hand van de cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. De werkingssfeerbepaling 3.12 In de werkingssfeeromschrijving van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas is onder meer het volgende bepaald: “II. Voorts is de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas (…) verplicht gesteld voor alle werknemers (...), die in dienst zijn van ondernemingen in de bedrijfstak als hierna genoemd onder C (...): C. Ondernemingen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van de vervaardiging, assemblage, import en groothandel van artikelen van hout of kunststof danwel hetgeen binnen het kader van deze ondernemingen ter vervanging van deze grondstof dient, waaronder begrepen: (…)
- technische artikelen ten behoeve van industrie, ambacht, bedrijf, beroep en instellingen; (…)
- andere producten van hout of hetgeen ter vervanging daarvan dient, met uitzondering van: (...) f. producten van de ondernemingen die zijn aangesloten bij bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds PGB, rubber- en kunststofbranche.” Uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling volgt niet dat ondernemingen alleen onder de verplichtstelling vallen als zij oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof 3.13 Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de bewoordingen van deze werkingssfeerbepaling dat ondernemingen die zich bezighouden met de vervaardiging van artikelen van kunststof onder de werkingssfeer vallen en kan hierin niet worden gelezen dat ondernemingen alleen onder de verplichtstelling vallen als zij oorspronkelijk met hout werkten en later zijn overgestapt op kunststof. 3.14 [verweerster] stelt dat de formulering “deze grondstof” (in enkelvoud) in de tekst van het verplichtstellingsbesluit taalkundig bezien uitsluitend kan verwijzen naar het zelfstandig naamwoord “hout”, dat als eerste wordt genoemd in de opsomming “artikelen van hout of kunststof”, en niet naar beide materialen. Zij meent dat de uitdrukking “ter vervanging van deze grondstof” ook alleen logisch is als met “deze grondstof” “hout” wordt bedoeld, omdat er – zo begrijpt de kantonrechter – volgens [verweerster] geen materiaal bestaat dat ter vervanging van kunststof kan dienen. 3.15 De kantonrechter leest deze bepaling net als Pensioenfonds Vlakglas echter zo, dat er twee zelfstandige en gelijkwaardige categorieën zijn, namelijk artikelen van hout of artikelen van kunststof. Hieraan wordt vervolgens een derde aanvullende categorie toegevoegd, namelijk materialen die noch hout noch kunststof zijn, maar een vervangingsfunctie vervullen. Pensioenfonds Vlakglas noemt bioplastic als voorbeeld van een materiaal dat ter vervanging van kunststof kan dienen. [verweerster] heeft gesteld dat bioplastic ook een soort kunststof is, maar de juistheid van deze stelling kan hier in het midden worden gelaten. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit deze bepaling voldoende duidelijk dat sociale partners hebben willen voorzien in de mogelijkheid om een materiaal dat als vervanging van hout of kunststof dient onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit te brengen, ongeacht de vraag of dat materiaal op dit moment al bestaat. Ook als een dergelijk materiaal op dit moment nog niet bestaat, kan immers niet worden uitgesloten dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. De uitleg van Pensioenfonds Vlakglas is niet onaannemelijk vanwege de aard van de betrokken werkgeversverenigingen 3.16 [verweerster] stelt dat de uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan de werkingssfeerbepaling geeft onaannemelijk is, omdat uit de aard van de betrokken werkgeversverenigingen – de Nederlandse Emballage- en Palletindustrie Vereniging, de Nederlandse Vereniging van Klompenfabrikanten, Dutch-Man (branchevereniging van Nederlandse borstel-, kwasten- en houtwarenproducenten) en Hiswa-Recron – blijkt dat het moet gaan om (oorspronkelijk) van hout gemaakte producten. Zij stelt dat zij geen enkele binding heeft met de sectoren die door deze werkgeversverenigingen worden vertegenwoordigd. Zij kan geen lid kan worden van deze werkgeversverenigingen en kan daarom ook geen invloed uitoefenen op de totstandkoming van de collectieve pensioenregeling. De functies die in de cao voor de Houtverwerkend Industrie worden beschreven, komen binnen [verweerster] ook niet voor. [verweerster] wijst erop dat ondernemingen als zijzelf tot 1 april 2022 ook niet bij Bpf Hout werden aangesloten, terwijl de werkingssfeerbepaling van beide verplichtstellingsbesluiten overeenkomt en ongewijzigd is gebleven. Dit onderstreept volgens [verweerster] dat sprake is van een onjuiste en te ruime uitleg door Pensioenfonds Vlakglas. 3.17 De omstandigheid dat [verweerster] vóór 1 april 2022 niet bij Bpf Hout werd aangesloten en nu wel bij Pensioenfonds Vlakglas, terwijl de werkingssfeer ongewijzigd is gebleven, kan bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling echter geen rol spelen. Een werkingssfeerbepaling moet immers naar objectieve maatstaven worden uitgelegd en het beleid dat een bedrijfstakpensioenfonds in het verleden heeft gevoerd is daarbij niet relevant. Verder geldt dat een onderneming ook onder de werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit kan vallen als zij niet wordt vertegenwoordigd door een werkgeversorganisatie die de aanvraag voor de verplichtstelling heeft gedaan en zich daar ook niet bij kan aansluiten. Het criterium van representativiteit is van belang voor de vraag of de minister een verplichtstelling kan vaststellen, maar speelt geen rol bij de uitleg van de werkingssfeer. De werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit en die van een cao in een bepaalde bedrijfstak kunnen ook uiteenlopen. De omstandigheid dat de functies die beschreven worden in de cao voor de Houtverwerkende Industrie binnen [verweerster] niet voorkomen, betekent dus niet dat zij niet onder de werkingssfeer van Pensioenfonds Vlakglas kan vallen. De uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan de werkingssfeerbepaling geeft is daarom niet onaannemelijk. De uitleg van Pensioenfonds Vlakglas is ook niet onaannemelijk vanwege uitspraken van sociale partners 3.18 [verweerster] stelt ten slotte dat haar interpretatie is bevestigd in een overleg op 18 juli 2023 met vertegenwoordigers van Pensioenfonds Vlakglas en haar pensioenuitvoeringsorganisatie AZL. Volgens [verweerster] heeft de vertegenwoordiger van AZL toen toegezegd dat de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit dusdanig zou worden gewijzigd dat de activiteiten van [verweerster] hier niet langer onder zouden vallen. 3.19 Pensioenfonds Vlakglas erkent dat sociale partners een mogelijke wijziging van de werkingssfeer hebben besproken en dat het niet hun bedoeling is geweest om fabrikanten van artikelen van kunststof aan te sluiten. Zij stelt echter terecht dat uitspraken en bedoelingen van sociale partners en de mededeling van de vertegenwoordiger van AZL op 18 juli 2023 niet relevant zijn in het kader van de uitleg van de werkingssfeerbepaling. De cao-norm brengt immers mee dat de bedoelingen of motieven van partijen slechts relevant zijn voor zover deze in de tekst van de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting (hier: het verplichtstellingsbesluit) zijn neergelegd. Dat is hier niet het geval. [verweerster] heeft een beroep gedaan op de reactie van de minister in het verplichtstellingbesluit op de ingediende zienswijzen en heeft gesteld dat hieruit blijkt dat sociale partners tegenover de minister uitdrukkelijk hebben benadrukt dat het gaat om houtverwerkende activiteiten. Pensioenfonds Vlakglas heeft er echter terecht op gewezen dat sociale partners blijkens de aangehaalde tekst alleen hebben benadrukt dat de Houtverwerkende Industrie als één bedrijfstak en niet als vier bedrijfstakken moet worden beschouwd. Uit het verplichtstellingsbesluit kan niet worden afgeleid dat zij het standpunt hebben ingenomen dat dit alleen op houtverwerkende activiteiten van toepassing zou zijn. De uitlatingen van sociale partners maken de uitleg van Pensioenfonds Vlakglas dus niet onaannemelijk. De werkingssfeerbepaling is voldoende duidelijk 3.20 [verweerster] heeft ten slotte, onder verwijzing naar de zogenoemde contra proferentem-regel, gesteld dat indien een werkingssfeerbepaling onduidelijk is of voor meerderlei uitleg vatbaar, deze moet worden uitgelegd in het nadeel van degene die deze voorwaarden tot stand heeft gebracht. Zij stelt dat daarom de voor haar gunstige uitleg dient te prevaleren. De kantonrechter volgt [verweerster] echter niet in dit standpunt. De werkingssfeerbepaling is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk. Maar ook indien deze bepaling onduidelijk zou zijn, dan geldt nog steeds dat deze naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm. Onduidelijkheid van een werkingssfeerbepaling heeft dus niet tot gevolg dat een onderneming daarom niet onder de werkingssfeer valt. Conclusie 3.21 De conclusie luidt daarom dat [verweerster] onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas valt. De bewoordingen van de werkingssfeerbepalingen zijn voldoende duidelijk en het rechtsgevolg van de uitleg die Pensioenfonds Vlakglas aan deze bepaling geeft is ook niet onaannemelijk. 3.22 Omdat de werkingssfeerbepaling van Bpf Hout hetzelfde was als de werkingssfeerbepaling van Pensioenfonds Vlakglas, betekent dit dat [verweerster] voorheen onder de verplichtstelling van Bpf Hout viel en vanaf 1 april 2022 onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas. 3.23 Dit geldt ook voor de periode vanaf 1 juni
- [verweerster] is per die datum weliswaar vrijwillig aangesloten bij Stichting pensioenfonds PGP, maar dit levert geen uitzondering op de verplichtstelling op. De uitzondering die in de werkingssfeerbepaling onder C lid 12 onder f staat vermeld voor ondernemingen die zijn aangesloten bij Stichting pensioenfonds PGP, rubber- en kunststofbranche, geldt namelijk alleen voor een onderneming die zich – kort gezegd – bezighoudt met de vervaardiging van andere producten van hout of hetgeen ter vervanging daarvan dient en niet voor een onderneming zoals [verweerster] die zich bezighoudt met de vervaardiging van artikelen van kunststof. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat met “hetgeen ter vervanging daarvan dient” ook kunststof wordt bedoeld, omdat kunststof in de aanhef onder C als aparte categorie wordt genoemd. Er wordt voor recht verklaard dat [verweerster] onder de verplichtstelling valt 3.24 De door Pensioenfonds Vlakglas verzochte verklaring voor recht dat [verweerster] vanaf 30 maart 2018 onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw valt en vanaf 1 april 2022 onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vlakglas, gebonden is aan de statuten, reglementen en besluiten van Pensioenfonds Vlakglas en premie moet betalen voor al haar (gewezen) werknemers, kan daarom worden toegewezen. 3.25 Dit betekent dat de door [verweerster] verzochte verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Vlakglas valt, kan worden afgewezen. De zaak wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen overeenstemming te bereiken over een wijziging van de overeenkomst op grond waarvan het gezamenlijk verzoek met tegenverzoek en vermeerdering van (tegen)verzoek is ingediend. 3.26 De kantonrechter stelt op basis van de brieven van partijen van 10 en 11 december 2025 vast dat zij het niet eens zijn over de vraag of zij de overeenkomst ter uitvoering waarvan zij op grond van artikel 96 Rv het huidige verzoek hebben ingediend nog willen wijzigen en zo ja, hoe het verzoek na die wijziging dan precies komt te luiden. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om deze procedure aan te houden tot 1 april 2026 om partijen de tijd te geven zich te beraden over de gevolgen van het oordeel dat [verweerster] onder de verplichtstelling valt en overeenstemming te bereiken over de vraag of zij het ingediende gezamenlijk verzoek nog zullen wijzigen. 3.27 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing De kantonrechter 4.1 bepaalt dat de zaak tot 1 april 2026 wordt aangehouden; partijen dienen de kantonrechter op die datum gezamenlijk te berichten of zij hun kantonarbitrage-overeenkomst hebben gewijzigd en zo ja, hoe het gezamenlijk verzoek is komen te luiden; 4.2 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 31 december
- Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- Hoge Raad 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:
- Hoge Raad 30 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1102.