tussenvonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Locatie Amersfoort Strafrecht Parketnummer: 96.076267.24 Datum uitspraak: 26 september 2025 Vonnis van de kantonrechter mr. F.C. Berg, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september
- De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij oproeping van 23 januari 2025, naar aanleiding van het verzet van verdachte tegen de aan hem opgelegde strafbeschikking van 19 december 2023 met nummer [CJIB-nummer] . Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 3 december 2023 te Bilthoven, gemeente De Bilt, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht / het Wetboek van Strafvordering / het Wetboek van Strafrecht; ( art 2 Wet op de identificatieplicht, art 447e Wetboek van Strafrecht ) Op 2 april 2025 is het onderzoek geschorst. Op 15 september 2025 is het onderzoek opnieuw aangevangen. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Wat de ontvankelijkheid van de officier van justitie betreft, overweegt de kantonrechter dat de daarover door de verdediging naar voren gebrachte bezwaren naar zijn voorlopig oordeel neerkomen op een bewijsverweer en niet op een ontvankelijkheidsverweer, zodat die bezwaren moeten worden verworpen voor zover deze bezwaren zich richten op de ontvankelijkheid. De officier van justitie kan voorshands in haar vervolging worden ontvangen. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De verzoeken om getuigen te horen. Voorwaardelijk is in de al op 2 april 2025 overgelegde pleitaantekeningen verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen. Dat verzoek is ter terechtzitting van 15 september 2025 herhaald. Zij zouden kunnen verklaren over “de bevoegdheid van de BOA’s” en over “de verklaring van client over wat zich ter plaatse heeft afgespeeld”. Maar met name wordt de bevoegdheid tot opsporing van [verbalisant 1] op [landgoed] betwist nu dat geen terrein van Vereniging Natuurmonumenten is. De verdediging heeft de verbalisanten nog niet kunnen ondervragen. Gewezen wordt op de Keskin-jurisprudentie, zoals die naar voren komt in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:
- De kantonrechter overweegt dat de Hoge Raad in zijn rechtsoverweging 2.9.3 in het bedoelde arrest overweegt dat van het horen van een niet door de verdediging gehoorde getuige kan worden afgezien “omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.” De kantonrechter is van oordeel dat deze situatie zich in de onderhavige zaak voordoet, nu de verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam bij de Vereniging Natuurmonumenten, met medeondertekenaar verbalisant [verbalisant 2] , werkzaam bij RUD Utrecht in hun ambtsedig opgestelde (vrijwel identieke) proces-verbalen van 23 januari 2024 en het brondocument van 6 december 2023 – samengevat – hebben verklaard dat [verbalisant 1] een proces-verbaal heeft aangezegd aan de verdachte nadat de verbalisanten hem erop hadden betrapt dat hij zijn hond niet aangelijnd had en hij daarvoor een proces-verbaal wilde uitschrijven en dat hij vervolgens het tonen van legitimatie heeft gevorderd waarop de verdachte niet onmiddellijk zijn legitimatie toonde. Deze gang van zaken is wat ook de gang van zaken is zoals die geschetst wordt in het verzetschrift (waaruit blijkt dat de verdachte na de vordering van [verbalisant 1] ten onrechte zou hebben gemeend dat hij zijn identiteitsbewijs niet op zak had, maar dat hij wel heeft aangeboden om ongeveer 150 meter naar zijn auto te lopen om zijn legitimatiebewijs daar te pakken en te tonen. In de bijlage 3 die bij het verzetschrift is gevoegd is het kennelijk de verdachte zelf die op 4 december 2023 aan [persoon 1] van Vereniging Natuurmonumenten in een klacht dezelfde gang van zaken schetst, net zoals de verdachte ook ter zitting heeft verklaard en door de raadsvrouw ter zitting niet is weersproken. De verklaring van de verdachte zoals die in het proces-verbaal is opgenomen is slechts de volgende: V. wilt u nog verklaren waarom u niet op vordering u identiteitsbewijs toonde? A: Ik dacht dat ik hem echt niet bij mij had, De kantonrechter is van oordeel dat de verdediging geen redelijk belang heeft om de getuigen te horen (als dat impliciet ook aan de kantonrechter gevraagd is) omtrent de vraag hoe duidelijk het bordje bij de ingang van het landgoed zichtbaar was, nu de verdachte ter zitting ook het daar staan van het bedoelde bordje en de tekst erop bevestigd heeft, zodat in elk geval niet ter discussie staat dat er een verbod was ingesteld op het zich op het landgoed bevinden met een niet aangelijnde hond. Naar het oordeel van de kantonrechter kon daarmee op zichzelf bij de verbalisant [verbalisant 1] de verdenking bestaan dat de verdachte dat verbod overtrad. Dat de verbalisant [verbalisant 1] (mits ter plaatse bevoegd tot opsporing) een voldoende reden had om naar een identiteitsbewijs te vragen wordt aldus in wezen ook niet betwist. De verdediging heeft gesteld dat aan de verdachte door de verbalisanten niet de cautie is gegeven en dat de verklaring van de verdachte tegenover de verbalisant [verbalisant 1] daarom niet gebruikt kan worden voor het bewijs. Mogelijk wordt impliciet ook gevraagd om de getuigen hierover te horen. Afgezien nog van het feit dat het proces-verbaal vermeldt dat de cautie is gegeven door de verbalisant [verbalisant 1] , gaat het stuk waarop de verdediging zich beroept ter ondersteuning van het verweer dat de cautie niet gegeven is, alleen expliciet in op het niet gegeven zijn van de cautie door verbalisant [verbalisant 2] , die wel met de verbalisant [verbalisant 1] tezamen was, maar die niet degene was die de verdachte aansprak op het niet aangelijnd zijn van de hond en die niet een identiteitsbewijs vorderde en daarvoor proces-verbaal aanzegde. Nu de verklaring van de verdachte in het proces-verbaal niet verschilt van die van de verdachte ter zitting, heeft die verklaring in het proces-verbaal op zichzelf geen bijzondere bewijskracht. De kantonrechter ziet geen reden om te vermoeden dat juist die verklaring eventueel voor het bewijs gebezigd zal worden. Het horen van deze twee getuigen met betrekking tot de vraag of de cautie is door de verbalisant [verbalisant 1] wel of niet is gegeven kan dan ook achterwege blijven. Het horen van de getuigen omtrent hun mening omtrent de bevoegdheid van de verbalisant [verbalisant 1] kan naar het oordeel van de kantonrechter achterwege blijven omdat daaromtrent niets van voldoende gewicht verwacht kan worden dat bijdraagt aan de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering, nu de bevoegdheid van de BOA in beginsel al of niet voortvloeit uit wettelijke bepalingen en aktes die ter beoordeling van de kantonrechter staan. Omtrent het standpunt van [verbalisant 1] en dat van zijn werkgever is reeds het een en ander eenduidig bekend. Immers heeft de verbalisant daarover op 3 december 2023 in zijn proces-verbaal verklaard in die zin dat hij zich tijdens de discussie die daarover op het landgoed ontstond, tegenover de verdachte uitdrukkelijk als bevoegd heeft uitgelaten om het proces-verbaal aan te zeggen. Dat standpunt blijkt ook uit zijn mail aan [persoon 2] van het CVOM van 22 april 2025 waarin hij zijn bevoegdheid onderbouwt. Tenslotte wordt zijn standpunt ook gesteund door zijn werkgever, gelet op de door de verdediging overgelegde mail van [persoon 3] , gebiedsmanager Utrecht van de Vereniging Natuurmonumenten, aan de verdachte van 7 maart
- Daaruit blijkt dat ook de Vereniging Natuurmonumenten waarbij de verbalisant [verbalisant 1] als BOA Domein milieu, welzijn en infrastructuur (voorheen domein II) in dienst is, van mening is dat hij op het [landgoed] als BOA bevoegd is. Een en ander wordt ondersteund door het door verdediging en de officier van justitie overgelegde convenant “Optreden op elkaars grondgebied voor BOA’s domein II, provincie Utrecht”, ook aangeduid als de Samenwerkingsovereenkomst, waarin ook namens de Vereniging Natuurmonumenten is getekend. Voorts komt uit de door de officier van justitie overgelegde informatie naar voren dat door de heer [persoon 1] voor het [landgoed] in 2016 is getekend voor akkoord en deelname in de Samenwerkingsovereenkomst. De verdediging heeft ter zitting gesteld dat dat inderdaad mag worden aangenomen. Tenslotte blijkt dat weliswaar een door de Samenwerkingsovereenkomst genoemd document met de naam Handboek Uniform optreden BOA’s provincie Utrecht niet bestaat, maar wel een Gezamenlijke toezichtkalender 2023 die, zo blijkt, een jaarlijkse kalender is die vanaf komend jaar conform de door de Samenwerkingsovereenkomst gebezigde terminologie Handboek Uniform optreden BOA’s provincie Utrecht zal worden genoemd. Inhoudelijk is in de Gezamenlijke toezichtskalender 2023 ook een bladzijde gewijd aan de handhaving van op de deelnemende landgoederen geldende regels ten aanzien van honden. De kantonrechter verwacht niet dat een bij een getuigenverhoor eventueel andersluidende mening van een van de BOA’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omtrent [persoon 4] bevoegdheid een relevant gewicht in de schaal zal leggen. In een mail van 8 september 2025 aan de officier van justitie heeft de raadsvrouw ook, met verwijzing naar de mail van de heer ing [persoon 5] , Operationeel Specialist B KCT (Direct Toezicht BOA), Adviseur Bestuursondersteuning SGBO, werkzaam bij de politie Midden-Nederland, aan de raadsvrouw van 15 augustus 2025 gevraagd om de direct toezichthouders, de Korpschef van de politieregio Midden-Nederland, althans de hoofd-officier van justitie van het Functioneel Parket, althans de heer [persoon 5] , of – kort gezegd – een andere relevante persoon uit deze kring, te horen over het verschil van inzicht tussen de direct toezichthouders en de provincie Utrecht over de bevoegdheid van BOA’s van verschillende werkgevers om samen op te treden. [persoon 5] bevestigt met verwijzing naar de mail van [persoon 3] dat het door [persoon 3] benoemde verschil van inzicht bestaat. Nu geen getuige voor deze zitting was opgeroepen, heeft de raadsvrouw de kantonrechter ter zitting gevraagd om deze getuige of deskundige alsnog te kunnen horen. De kantonrechter overweegt dat dit verzoek in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Ofschoon de Samenwerkingsovereenkomst mede is ondertekend door (schijnbaar) alle relevante korpschefs als direct toezichthouder en de hoofd-officier van justitie als toezichthouder, is voldoende aannemelijk geworden door de bevestiging van [persoon 5] dat aan de kant van een of meer van de toezichthouders het inzicht zou bestaan dat de bevoegdheid van de BOA er niet is. Gelet op de positie van de toezichthouder of de direct toezichthouders zou de mening en de onderbouwing daarvan door de (direct) toezichthouder voor de kantonrechter een relevant gewicht kunnen meebrengen voor de beoordeling van deze zaak. Daarom is het fair om de verdediging de kans te geven om de (direct) toezichthouder hieromtrent te bevragen. Aan de kantonrechter komt het praktisch voor om de officier van justitie echter eerst te verzoeken om het ertoe te leiden dat de hoofd-officier van justitie bij het Functioneel Parket in zijn in de Samenwerkingsovereenkomst aangeduide hoedanigheid als toezichthouder (naast de mede-ondertekenaars Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de chefs van de eenheden Midden-Nederland en Noord-Holland en de Directeur-Generaal van het Directoraat Generaal Rijkswaterstaat) in een notitie aangeeft wat volgens hem het punt is waarop hij met de provincie Utrecht (en Vereniging Natuurmonumenten) van mening verschilt over de bevoegdheid van BOA’s om gezamenlijk op te treden buiten het terrein van hun werkgever, waarom dat het geval is, en of de direct-toezichthouders volgens hem dezelfde mening zijn toegedaan. Ook is de kantonrechter benieuwd welke betekenis dan toch moet worden gehecht aan de handtekening al deze toezichthouders op de Samenwerkingsovereenkomst. Na bestudering van deze notitie kunnen de verdediging en de officier van justitie vervolgens aan de officier van justitie verzoeken casu quo beslissen om de hoofd-officier van justitie en/of een direct toezichthouder of een relevant iemand uit hun kring ter volgende zitting te laten horen. De kantonrechter acht het gelet op artikel 5.1 en 7.1 van de Samenwerkingsovereenkomst verder noodzakelijk dat de aktes van beëdiging en de aktes van opsporingsbevoegdheid van de verbalisanten [verbalisant 1] (verbalisantnummer [verbalisantennummer 1] ) en [verbalisant 2] (verbalisantnummer [verbalisantennummer 2] ) aan het dossier worden toegevoegd. De kantonrechter verzoekt de officier van justitie om hiervoor zorg te dragen. Beslissing: De kantonrechter heropent het onderzoek ter terechtzitting; Verzoekt de officier van justitie om het ertoe te leiden dat de hierboven genoemde notitie van de hoofd-officier van justitie en de bedoelde aktes binnen acht weken aan het dossier worden toegevoegd, met kennisgeving daarvan aan de kantonrechter en de raadsvrouw. Gelast dat de verdachte en de raadsvrouw voor een zitting op een in overleg met partijen nader te bepalen datum en tijd worden opgeroepen. Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, kantonrechter, in tegenwoordigheid van mr. U. de Roos, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 september
- De griffier is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.