← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:100

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/593076 / HL ZA 25-126 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J. Evers, tegen [gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam], wonende en zaakdoende te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.J.M. Groen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 30 april 2025, met 20 producties; de conclusie van antwoord, met 45 producties; de descente en aansluitende mondelinge behandeling op 20 november 2025 en het proces-verbaal hiervan. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De kern van de zaak 2.
  3. [gedaagde] verricht sinds juni 2022 werkzaamheden voor [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ), waarvan [eiser] indirect bestuurder is. [eiser] heeft [gedaagde] begin september 2022 gevraagd de tuin van zijn nieuwe woning aan te leggen, waarna [gedaagde] op 7 november 2022 is gestart met de werkzaamheden. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de werkzaamheden niet (goed) uitgevoerd. Daarom heeft [eiser] de aannemingsovereenkomst ontbonden en vordert hij in deze procedure primair terugbetaling van het bedrag van € 42.065,52 dat hij al aan [gedaagde] heeft betaald. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij stelt zich onder meer op het standpunt dat de overeenkomst niet is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] , maar tussen [onderneming] en [gedaagde] . De rechtbank geeft [gedaagde] hierin gelijk. Alleen hierom worden de vorderingen van [eiser] al afwezen.
  4. De beoordeling De aannemingsovereenkomst is gesloten tussen [onderneming] en [gedaagde] 3.
  5. De rechtbank is van oordeel dat de aannemingsovereenkomst is gesloten tussen [onderneming] en [gedaagde] . Hieronder zal worden toegelicht waarom. 3.
  6. Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van dat wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoren ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. 3.
  7. De rechtbank neemt de volgende omstandigheden in aanmerking. [gedaagde] heeft voor de werkzaamheden in fase 1 een offerte uitgebracht. Deze offerte was eerst gericht aan [eiser] , maar is vervolgens op verzoek van [eiser] op naam van [onderneming] gesteld. Op het adres van de woning van [eiser] is ook [onderneming] gevestigd. [eiser] wilde de door [gedaagde] aan te leggen tuin niet alleen als privétuin gebruiken, maar ook als showtuin voor [onderneming] . Ook de facturen zijn op verzoek van [eiser] gericht aan [onderneming] en zijn betaald door [onderneming] . In het licht van het vorenstaande mocht [gedaagde] ervan uitgaan dat hij de aannemingsovereenkomst met [onderneming] aanging. Ook omdat tussen hen sprake was van een al bestaande zakelijke relatie. Dat [eiser] het in de berichtenwisseling via WhatsApp tussen partijen heeft over ‘privé tuin’ en ‘privé offerte’ en dat hieruit volgens hem ook verder blijkt dat het om een privéaangelegenheid ging, maakt dit niet anders. Het staat namelijk al vast dat de aannemingsovereenkomst zowel een zakelijk als privé doel had. Dat de tuin door de staat van het werk niet als showtuin kan worden gebruikt brengt hier geen verandering in. Dit geldt ook voor het gegeven dat de door [onderneming] betaalde facturen uiteindelijk privé door [eiser] zijn betaald. Verder is het niet zo dat de opdracht alleen kan worden verstrekt door de eigenaar van de woning, zoals door [eiser] is betoogd. Uit de omstandigheid dat de echtgenote van [eiser] tijdens het werk instructies heeft gegeven aan [gedaagde] volgt ook niet dat de opdracht door [eiser] aan [gedaagde] is verstrekt. Overigens stelt [eiser] niet dat zijn echtgenote medeopdrachtgever is. Zij is ook geen procespartij in deze zaak. Als ze al instructies heeft gegeven, kunnen deze daarom hoe dan ook niet als instructies van de opdrachtgever worden aangemerkt. 3.
  8. Het voorgaande leidt ertoe dat de onderhavige procedure niet door [eiser] , maar door [onderneming] aanhangig gemaakt had moeten worden. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak komt de rechtbank dan ook niet toe. Hoe nu verder? 3.
  9. De rechtbank realiseert zich dat dit ertoe leidt dat [onderneming] een nieuwe procedure zal beginnen en geeft partijen in overweging gebruik te maken van de eerder gewenste mediation. Mogelijk kunnen partijen hiermee in onderling overleg tot een oplossing komen. Ook voor het andere conflict dat meespeelt. [eiser] moet de proceskosten betalen 3.
  10. [eiser] is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij in deze procedure. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × tarief IV € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.980,00 Dit vonnis is wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad 3.
  11. Dit vonnis is wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. Deze beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4De beslissing De rechtbank 4.
  12. wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.
  13. veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot op heden begroot op € 3.980,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
  14. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Beukers - Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 21 januari
  15. 4578 Zie o.a. HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.