RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/261811-24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [1987] in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, gedetineerd in het [verblijfplaats] , (hierna: de verdachte). 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 16 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 20 januari 2026, waarna direct uitspraak is gedaan. Op de zitting van 16 december 2025 waren aanwezig: de officieren van justitie: mr. M. Kamper en mr. S.K. Lanning-Stein (hierna gezamenlijk in het enkelvoud: de officier van justitie); de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens (hierna: de advocaat); de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ; de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] : mr. B. Roodveldt. 2Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 primair op 10 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven; subsidiair op 10 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 2] , heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden; feit 2 op 13 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven; feit 3 op 13 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld; feit 4 op 10 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] opzettelijk te verkrachten en deze poging tot opzetverkrachting is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging; feit 5 op 13 augustus 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk te verkrachten en deze poging tot opzetverkrachtingis voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging; feit 6 op 16 augustus 2024 in Maastricht voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting door – onder andere – voorwerpen daartoe voorhanden te hebben gehad. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 4, 5 en 6. De advocaat voert geen verweer over het bewijs met betrekking tot de feiten 2 en 3. Over de feiten 1, 4, 5 en 6 voert de advocaat verschillende verweren over het bewijs. De standpunten van de officier van justitie en de raadsman worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Inleiding De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. In de nacht van 9 op 10 augustus 2024 is aangeefster [slachtoffer 2] , na uit te zijn geweest in het centrum van Utrecht, vanaf de Ganzenmarkt in het centrum in de richting van Kanaleneiland gefietst. Toen zij op de Jutfaseweg fietste, kwam er een man op het fietspad staan, die haar heeft laten stoppen, haar heeft vastgepakt en een hand voor haar mond heeft gedaan. Door te proberen te schreeuwen en te bijten in de hand van de man, liet de man haar weer los en is [slachtoffer 2] hard weggefietst. In de nacht van 12 op 13 augustus 2024 is aangeefster [slachtoffer 1] vanaf Tivoli Vredenburg in Utrecht op de fiets vertrokken op weg naar een vriendin. Op het fietspad op de Weg tot de Wetenschap kwam haar een witte auto tegemoet rijden. De bestuurder zette de auto stil op het fietspad onder de tunnel en stapte uit. De bestuurder heeft [slachtoffer 1] vastgepakt. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 1] los en liep de bestuurder naar zijn auto. Toen de bestuurder instapte, heeft [slachtoffer 1] haar fiets gepakt en kon zij wegfietsen. Na onderzoek kwam de verdachte in beeld bij de politie. Op 16 augustus 2024 is de verdachte na een klopjacht door de politie aangehouden in Maastricht. Bij zijn aanhouding had de verdachte in een rugzak voorwerpen bij zich waaronder een touw, een mes, glijmiddel, een buttplug en een kunstpenis. De verdachte ontkent de man te zijn geweest die aangeefster [slachtoffer 2] in de nacht van 9 op 10 augustus 2024 heeft vastgepakt en een hand voor haar mond te hebben gedaan. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte degene is geweest die aangeefster [slachtoffer 2] heeft benaderd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank te beoordelen hoe deze handelingen juridisch moeten worden geduid. Wat betreft aangeefster [slachtoffer 1] bekent de verdachte dat hij in de nacht van 12 op 13 augustus 2024 zijn witte auto op het fietspad heeft gezet en naar haar toe is gegaan. De verdachte heeft haar naar eigen zeggen alleen kort vastgepakt. De rechtbank dient te beoordelen welke gedragingen precies hebben plaatsgevonden en hoe deze juridisch moeten worden geduid. Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte met de voorwerpen die hij op 16 augustus 2024 in zijn rugzak bij zich had, zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding voor vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting. De rechtbank zal hierna uitleggen tot welke oordelen zij komt. 3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 (poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en feit 3 (mishandeling van [slachtoffer 1] ) De rechtbank oordeelt dat de verdachte degene is geweest die op 10 augustus 2024 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 13 augustus 2024 heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven en haar heeft mishandeld. Dit betekent dat de feiten 1 primair, 2 en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank legt deze oordelen als volgt nader uit. 3.3.3. Bewijsoverweging feiten 1 en 2 ( poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) en feit 3 (mishandeling van [slachtoffer 1] ) Aangeefster [slachtoffer 1] (feit 2 en 3) Wat betreft aangeefster [slachtoffer 1] heeft de verdachte bekend dat hij in de nacht van 12 op 13 augustus 2024 zijn auto op het fietspad heeft gezet en naar haar toe is gegaan. De lezingen over hoe de verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar in aanraking kwamen en wat er daarna is gebeurd, lopen echter uiteen. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] in de nacht van 12 op 13 augustus 2024 zag fietsen en haar heeft gevolgd, dat hij met zijn auto het fietspad in tegenovergestelde richting van [slachtoffer 1] reed, vervolgens uitstapte, zijn portier open liet staan, op haar afliep en haar bovenlichaam en hals vastpakte en er een hele korte worsteling kan hebben plaatsgevonden. Hij heeft ontkend dat hij het bijrijdersportier had opengezet voordat hij naar [slachtoffer 1] was gegaan en dat hij iets tegen haar zou hebben gezegd. Nadat hij [slachtoffer 1] bij haar bovenlichaam had vastgepakt, begon [slachtoffer 1] iets op haar telefoon te doen. Verdachte draaide de hand van [slachtoffer 1] weg en de fiets en de telefoon van [slachtoffer 1] vielen. Direct hierna liet hij haar weer los, waarna [slachtoffer 1] wegrende. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij bij haar nek werd vastgepakt, dat zij op de grond viel en de bestuurder zei: “Stil. Stil”. Zij zag en voelde dat zij in de richting van het openstaande bijrijdersportier werd getrokken. Zij wilde drie keer op de aan- en uitknop van haar telefoon drukken, zodat zij een SOS scherm te zien zou krijgen, waardoor zij het spoednummer 112 zou kunnen bellen. Echter zag en voelde zij dat de bestuurder haar telefoon uit haar hand pakte. Zij heeft geprobeerd om los te komen door zich zwaar te maken, om zich heen te slaan en te schoppen. Uiteindelijk liet de bestuurder haar los. Toen ze naar haar fiets liep, kwam ze erachter dat ze oorbellen en drie kettingen verloren was. De rechtbank hecht waarde aan de lezing van de gebeurtenissen door [slachtoffer 1] . De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden namelijk steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank wijst op het aantreffen van diverse (kapotte) sieraden van [slachtoffer 1] op de plaats delict over een afstand van 10 tot 15 meter, wat aansluit bij de verklaring van [slachtoffer 1] . Ook het letsel van [slachtoffer 1] bestaande uit een kras in de nek, de bebloede oorlellen en het wondje aan haar linkerpink passen bij het door [slachtoffer 1] beschreven verzet om los te komen uit de greep van de verdachte. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] over het vastpakken bij de nek, de woorden van de verdachte, het slepen naar het openstaande bijrijdersportier van de auto, en de worsteling naar de grond en het uit de hand pakken van haar telefoon. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag hoe de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte juridisch moeten worden geduid. Naar het oordeel van de rechtbank waren de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het beroven van de vrijheid van [slachtoffer 1] . Met zijn handelen heeft de verdachte geprobeerd [slachtoffer 1] tegen haar wil in zijn auto te krijgen. Gelet daarop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geprobeerd wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven door haar te volgen, zijn auto op het fietspad tot stilstand te brengen, het bijrijdersportier te openen, [slachtoffer 1] te laten stoppen door zijn arm uit te steken, haar van haar fiets te trekken, bij haar nek vast te pakken en te houden, de telefoon uit de handen van [slachtoffer 1] te trekken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en heeft hij haar vervolgens naar het bijrijdersportier proberen te slepen. Dat [slachtoffer 1] uiteindelijk niet is ontvoerd, is te danken aan haar (hevige) verzet. De rechtbank vindt dat deze handelingen, anders dan de officier van justitie, niet een poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 1] opleveren. Hierna, onder paragraaf 3.3.4, wordt dit verder uitgelegd. Wel acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld. Aangeefster [slachtoffer 2] (feit 1) De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving dan wel dwang van [slachtoffer 2] . De verdachte ontkent dit. Het bewijs voor de poging tot ontvoering van [slachtoffer 2] berust in essentie uitsluitend op de aangifte van [slachtoffer 2] en er is volgens de verdediging geen sprake van een specifieke modus operandi. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen, haar heeft vastgepakt en zijn hand voor haar mond heeft gehouden. Hiervoor geldt het volgende. Allereerst is de verklaring van de verdachte ter zitting van belang dat hij in de desbetreffende nacht in Utrecht op de Jutfaseweg heeft gereden in zijn witte Kia Stonic en dat zijn auto een groen dak heeft. De witte auto die ten tijde van het voorval is gesignaleerd, vertoont sterke overeenkomsten met de auto, waarin de verdachte die nacht reed. Hiervoor wijst de rechtbank op de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de Jutfaseweg van die nacht, waarop [slachtoffer 2] zichzelf herkent als de vrouw die om 03.11.00 uur in zuidelijke richting op de Jutfaseweg fietst. Op deze camerabeelden is ook te zien dat net daarna om 03.11.21 een witte auto met groen dak voorbijreed in zuidelijke richting en vervolgens om 03.15.01 uur weer in noordelijke richting rijdt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij direct na het incident haar ex-vriend heeft gebeld om 03.13 uur. Dit past ook bij de aangifte van [slachtoffer 2] waaruit volgt dat het incident in een kort tijdsbestek plaatsvond. Anders dan de raadsman acht de rechtbank het, gelet op voornoemd tijdsbestek, mogelijk dat het contact tussen [slachtoffer 2] en de bestuurder van de witte auto met keren en parkeren heeft kunnen plaatsvinden. Volgens [slachtoffer 2] was de man die op haar afkwam een kale man tussen de 35 en 45 jaar. De verdachte past in dit signalement. Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat er grote gelijkenissen zijn tussen het voorval met [slachtoffer 2] en dat met [slachtoffer 1] , waarvan de verdachte wel zegt dat hij de man is geweest. Het gaat in beide zaken om jonge vrouwen die in de nacht alleen op de fiets onderweg zijn. In beide gevallen rijdt er een witte auto met een groen dak in een kort tijdsbestek vlak voor het incident in de directe omgeving meerdere keren heen en weer. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn beiden in de nacht door een kale man van tussen de 35 en 45 jaar op een fietspad tot stilstand gebracht of bewogen te stoppen doordat de man daar ineens stond. Zij zijn vervolgens door hem vastgepakt. De kale man heeft bij [slachtoffer 2] zijn hand op haar mond geplaatst en tegen [slachtoffer 1] gezegd dat zij stil moest zijn. Beide feiten hebben zich binnen een periode van drie dagen voorgedaan in Utrecht. Gelet op de sterke overeenkomsten tussen de auto die ten tijde van het voorval is gesignaleerd en die van de verdachte, de verklaring van de verdachte dat hij met zijn auto in die nacht op de Jutfaseweg was geweest, het opgegeven signalement door [slachtoffer 2] dat strookt met de verdachte en de grote gelijkenissen met het voorval van [slachtoffer 1] , waarvan de verdachte zegt dat hij de kale man is geweest die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ook de kale man is geweest bij het incident van aangeefster [slachtoffer 2] . De verdediging heeft opgemerkt dat het door aangeefster [slachtoffer 2] opgegeven signalement niet volledig voldoet aan de verdachte, maar de rechtbank twijfelt er op grond van voorgaande niet aan dat het de verdachte is geweest die zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft geprobeerd te ontvoeren. De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde handelingen van de verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer erop waren gericht [slachtoffer 2] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, dat sprake is van een voornemen daartoe dat zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Door [slachtoffer 2] vast te pakken en zijn hand over haar mond te plaatsen en te houden, heeft verdachte geprobeerd haar opzettelijk van haar vrijheid te beroven. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, is te danken aan haar verzet door te bijten in de hand van verdachte, waarna de verdachte losliet en weer wegdook achter de geparkeerde auto’s. De rechtbank vindt dat deze handelingen, anders dan de officier van justitie, niet een poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 2] opleveren. Hierna, onder paragraaf 3.3.4, wordt dit verder uitgelegd. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wederrechtelijk van hun vrijheid te beroven en beroofd te houden (feit 1 primair en feit 2) en dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld (feit 3). 3.3.4. Vrijspraak feiten 4 en 5 (poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) De verdachte wordt er ook van beschuldigd dat hij heeft geprobeerd aangeefsters [slachtoffer 2] (feit 4) en [slachtoffer 1] (feit 5) te verkrachten. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van deze beschuldigingen en zal dat hieronder uitleggen. Uit artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat een poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Voor een bewezenverklaring van een poging tot opzetverkrachting is vereist dat sprake is geweest van het begin van uitvoering gericht op het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefsters. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven te plegen. De handelingen van de verdachte, bestaande uit het laten stoppen van [slachtoffer 2] , het vastpakken en het plaatsen en houden van zijn hand op de mond van [slachtoffer 2] , kunnen, hoe beangstigend en ernstig deze ook voor [slachtoffer 2] zijn geweest, op zichzelf beschouwd niet worden aangemerkt als handelingen die per definitie bedoeld zijn om het lichaam van de aangeefster seksueel binnen te dringen. Voor de handelingen van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] geldt hetzelfde. De handelingen van de verdachte bestaande uit het volgen van [slachtoffer 1] , het tot stilstand brengen van de auto op het fietspad, het laten stoppen van [slachtoffer 1] door het uitsteken van zijn arm, het trekken van [slachtoffer 1] van haar fiets en het vastpakken van [slachtoffer 1] bij haar nek en het slepen van [slachtoffer 1] over de grond richting zijn auto zijn eveneens beangstigend en ernstig. Ook deze handelingen zijn niet per definitie bedoeld om het lichaam van aangeefster seksueel binnen te dringen. Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, kan het immers ook zo zijn dat de handelingen van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op iets anders waren gericht. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de handelingen van de verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] of van [slachtoffer 1] . Dat de verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te verkrachten, is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij van de feiten 4 en 5 wordt vrijgesproken. 3.3.5. Vrijspraak feit 6 (voorbereiding van een ontvoering en/of opzetverkrachting) De rechtbank oordeelt dat feit 6, te weten het voorbereiden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting, niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom. De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij verschillende voorwerpen en/of stoffen – te weten een touw, een mes, aanzetstaal, glijmiddel, een veiligheidshamer, een buttplug en een kunstpenis (de voorbereidingsmiddelen) – voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij deze spullen bij zich had omdat hij van plan was te gaan survivallen. De voorwerpen met een seksueel karakter had hij bij zich voor persoonlijk gebruik en wilde hij bij zichzelf gaan gebruiken. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een strafbare voorbereiding op grond van artikel 46 Sr moet komen vast te staan dat de voorbereidingsmiddelen bestemd waren voor het begaan van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting. Daartoe dient te worden beoordeeld of deze middelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Daarnaast dient bij de vaststelling van de misdadige bestemming de intentie van de verdachte op een bepaald misdrijf worden betrokken. Het bestaan van de intentie zal op enige wijze uit objectieve omstandigheden moeten blijken. Er zal dus sprake moeten zijn van een enigszins geconcretiseerd plan. De voornoemde voorwerpen kunnen worden gezien als voorwerpen voor gebruik, die afzonderlijk noch gezamenlijk op grond van de uiterlijke verschijningsvorm overduidelijk bestemd zijn tot gebruik voor het criminele doel waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Vervolgens is het de vraag of er objectieve omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om met de middelen een misdadig doel als genoemd in de tenlastelegging te realiseren. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de middelen daadwerkelijk een rol zouden gaan spelen bij de uitvoering van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of een (gekwalificeerde) opzetverkrachting. Het enkele feit dat de verdachte deze middelen bij zich had is onvoldoende. Dat de verdachte in 2015 is veroordeeld voor verkrachting, waarbij hij het toenmalige slachtoffer heeft bedreigd met een mes en had vastgebonden, is op zichzelf onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat de verdachte op 16 augustus 2024 de intentie heeft gehad om met de genoemde voorwerpen een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting te plegen. Van enig concreet plan, gericht op het plegen van deze dergelijke delicten is daarbij niet gebleken. De rechtbank acht feit 6 dan ook niet bewezen en zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 (primair) op 10 augustus 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, - die [slachtoffer 2] heeft laten stoppen, - die [slachtoffer 2] bij haar lichaam heeft vast gepakt, en - zijn hand over de mond van die [slachtoffer 2] heeft geplaatst en gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 op 13 augustus 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, - die [slachtoffer 1] enige tijd heeft gevolgd en meerdere keren heeft gepasseerd, - de auto op het fietspad waar die [slachtoffer 1] fietste tot stilstand heeft gebracht, - het bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend, - die [slachtoffer 1] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken, - die [slachtoffer 1] van haar fiets heeft getrokken, - die [slachtoffer 1] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden - de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en - die [slachtoffer 1] over de grond heeft gesleept in de richting van het openstaande bijrijdersportier, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 op 13 augustus 2024 te Utrecht, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] - van haar fiets af te trekken, - bij de keel vast te pakken, - over de grond heen te trekken en/of te slepen, terwijl hij haar bij de keel vast had. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1: poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden; eendaadse samenloop van: feit 2: poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden; en feit 3: mishandeling. 4.2. Strafbaarheid feit en de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat voert aan dat de straf aanzienlijk moet worden gematigd bij een bewezenverklaring . Dit omdat er rekening moet worden gehouden met eendaadse samenloop, dat het merendeel van de feiten pogingen zijn en gezien oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud strafrecht (LOVS). Verder stelt de advocaat dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in het verleden succesvol een tbs-traject met voorwaarden afgerond en heeft stabiel fulltime werk gehad. De advocaat voert ook aan dat een matiging van de op te leggen straf gerechtvaardigd is, als de rechtbank vindt dat de stoornissen die bij de eerdere veroordeling in 2015 zijn vastgesteld, bij onderhavige feiten een rol hebben gespeeld. Het opleggen van een tbs-maatregel is niet aan de orde. De advocaat vindt een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan het voorarrest en de maximale taakstraf van 240 uren passend. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van deze straf en/of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en aan een mishandeling. Dit zijn zeer ernstige feiten. De verdachte heeft het eerste slachtoffer midden in de nacht, terwijl zij alleen onderweg was op de fiets naar huis na een avond uit in het centrum van Utrecht, laten stoppen, haar vastgepakt en zijn hand voor haar mond gehouden. Het slachtoffer heeft geprobeerd te schreeuwen en de verdachte gebeten waardoor zij los kon komen en kon wegkomen. Het tweede slachtoffer, dat ook alleen onderweg was, is door de verdachte van haar fiets getrokken en in de richting van het geopende bijrijdersportier van zijn auto gesleept. Hierbij heeft de verdachte geroepen dat ze stil moest zijn. Het slachtoffer heeft geschreeuwd en om zich heen geschopt en geslagen waardoor zij kon los komen en kon wegkomen. Dat het er heftig aan toe is gegaan blijkt wel uit haar letsel en uit de (kapotte) sieraden die op verschillende plekken gevonden zijn op de plaats delict. De verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Dat dit voor zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] een zeer angstige ervaring is geweest, blijkt uit hun aangiftes. Zij hebben angstige momenten beleefd en waren na de gebeurtenissen erg overstuur en in paniek. De angst en paniek blijkt ook uit de indringende slachtofferverklaring die door [slachtoffer 1] is afgelegd tijdens de zitting, waarbij zij heeft aangegeven dat zij voor haar leven heeft gevreesd. [slachtoffer 2] heeft aangegeven het niet aan te durven bij de behandeling op de zitting aanwezig te zijn omdat zij dan met de verdachte geconfronteerd zou worden. Beide slachtoffers ervaren nog steeds negatieve gevolgen van wat hen is aangedaan in de vorm van psychische klachten. Zij hebben allebei professionele psychische hulp ingeschakeld om te kunnen verwerken wat er is gebeurd. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd over de gevoelens of het welzijn van de slachtoffers en zich enkel laten leiden door zijn eigen verlangens en behoeftes. Hij heeft geen rekening gehouden met het leed dat hij hen zou toebrengen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Naast de impact op de slachtoffers zelf zorgen dit soort feiten voor onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen. Wat de slachtoffers is overkomen, is een scenario waar veel vrouwen bang voor zijn dat dit hen overkomt. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van: het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van 14 februari 2025; een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 2 oktober 2025, opgesteld door C.J. Kerssens, psychiater, en M.L. Sikkens, GZ-psycholoog; een retourverslag van 21 oktober 2025 van Reclassering Nederland en de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in het kader van een eerder aan de verdachte opgelegde tbs met voorwaarden, waaronder de Pro Justitia rapportage van 14 februari 2023, opgesteld door L.H.W.M. Kaiser, psychiater. Gevangenisstraf Vanwege de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles overwegende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hierna aan de orde komen, zal de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan die de officier van justitie heeft geëist omdat niet alle tenlastegelegde feiten bewezen zijn. Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of, naast de oplegging van een gevangenisstraf, ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Wettelijk kader De tbs-maatregel kan door de rechtbank worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan ook worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr). Voor oplegging van de maatregel is verder vereist dat de rechtbank beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien een verdachte zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van tbs de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van een tbs-maatregel niet mogelijk. Weigering mee te werken aan onderzoek De verdachte heeft in het kader van de huidige verdenking geweigerd mee te werken aan een consult rechtspleging NIFP en een ambulante Pro Justitia dubbelonderzoek. Om die reden is geadviseerd verdachte klinisch te observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC). De rechtbank heeft deze observatie bevolen. De observatie heeft van 24 juni 2025 tot en met 5 augustus 2025 plaatsgevonden. Uit de rapportage van 2 oktober 2025 van het PBC volgt dat de verdachte ook daar heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Daarmee heeft hij de deskundigen de mogelijkheid ontnomen hem te observeren en waar te nemen, waardoor over zijn psychische gesteldheid geen compleet beeld kan worden gevormd. De deskundigen konden om die reden steeds geen conclusie trekken over het classificeren van een psychische stoornis en of die stoornis ook bestond tijdens het plegen van de misdrijven. Daardoor hebben zij zich onthouden van enig advies. De rechtbank merkt op dat wanneer vanwege de weigerende houding van de verdachte door de gedragsdeskundigen geen psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling kan worden vastgesteld, dat niet betekent dat geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. Het is namelijk aan de rechtbank om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het gaat daarbij om vaststelling of sprake was van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in juridische zin; vaststellingen over de precieze aard van de bij verdachte vastgestelde stoornis zijn niet noodzakelijk (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2023 met vindplaats ECLI:NL:HR:2023:1295). De rechtbank heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen. Is er een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten? De rechtbank zal eerst nagaan of zij kan vaststellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. In het strafdossier van de verdachte bevinden zich diverse rapportages die zijn opgemaakt over de persoon van de verdachte, waaronder ook rapportages die zijn opgemaakt in het kader van de eerder aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden. Aan de verdachte is bij vonnis van 19 november 2015 namelijk de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd, omdat hij is veroordeeld voor verkrachting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven met gericht. In het kader van deze tbs-maatregel is in de verlengingsrapportage van 14 februari 2023 geadviseerd over de wenselijkheid van verlenging van de tbs-maatregel met voorwaarden. De psychiater heeft op de vraag of de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en, zo ja, hoe is dit in diagnostische zin is te omschrijven het volgende aangegeven. Er is bij de verdachte sprake van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, borderline en antisociale kenmerken’, maar deze zijn gedeeltelijk in remissie. Ook is er een andere gespecificeerde parafiele stoornis, dominantie type, in remissie. De stoornis in cannabisgebruik is in volledige remissie. De diagnostiek komt volgens de psychiater overeen met de beschrijvende diagnostiek van de eerdere rapportages, maar hij heeft er borderline kenmerken aan toegevoegd om daarmee de instabiliteit in zelfbeeld en in zijn gevoelsleven weer te geven. De kans op herhaling van een seksueel geweldsdelict is volgens de actuariële inschatting laag. De psychiater geeft het advies om de tbs niet te verlengen als de verdachte op de verlengingszitting stabiel functioneert. Op 25 juli 2023 is de tbs-maatregel geëindigd. Zoals eerder is overwogen, heeft de verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. De rapporteurs van het PBC schrijven het volgende: Ook in het PBC heeft betrokkene gedecideerd en standvastig vormgegeven aan een procespositie waarin slechts enige observatie mogelijk was ten aanzien van het functioneren op de afdeling (…). Betrokkene ging niet in gesprek met het onderzoeksteam, nam niet deel aan testpsychologisch onderzoek of psychomotorische observatie, verleende geen toestemming tot het opvragen van informatie, voerde geen persoonlijke gesprekken op de afdeling, had geen netwerkcontacten en wilde geen kennisnemen van conceptrapportages of verloop van overlegmomenten. (…) Betrokkene heeft van 2017 tot 2023 een traject van tbs met voorwaarden doorlopen, naar aanleiding van een in 2015 gepleegde verkrachting. In het dubbelonderzoek PJ van 2015, waar betrokkene medewerking aan verleende, werd een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken) en een stoornis in cannabisgebruik vastgesteld. Gedurende het (voorwaardelijke) tbs-traject, wordt deze diagnostiek niet significant gewijzigd. (…) Op basis van de beschikbare informatie kan samenvattend gedragskundig een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (ontwikkelings- en persoonlijkheidsgericht) worden vermoed, maar is er onvoldoende eigen 'onderzoeksdikte' om dit te kunnen onderbouwen (…) Doordat onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over een mogelijke doorwerking van betrokkenes psychopathologie in de ten laste gelegde feiten, kunnen zij geen onderbouwd antwoord geven op de vraag of mogelijke psychopathologie van invloed is op het recidivegevaar van feiten zoals het hem thans ten laste wordt gelegd. De vraag naar het (psychopathologische bepaalde) recidivegevaar kan dan ook door onderzoekers niet worden beantwoord. Op basis van historische, niet veranderbare, indicatoren voor toekomstig geweld geldt evenwel statistisch dat betrokkene op groepsniveau een bovengemiddeld risico heeft voor het plegen van seksueel gewelddadig gedrag. Uit de PBC-rapportage maakt de rechtbank op dat bij de verdachte in 2015 in een dubbelonderzoek Pro Justitia een parafiele stooris, een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik is vastgesteld die gedurende het tbs-traject niet significant zijn gewijzigd. Omdat het verloop van diagnostisch onderzoek over een tijdspanne van tien jaar vragen oproept op het gebied van ‘finetuning’ en een actuele stand van zaken, hadden de onderzoekers graag diagnostisch onderzoek uitgevoerd gericht op in ieder geval de persoonlijkheid mogelijke ontwikkelingsproblematiek (meer concreet mogelijke autismespectrumproblematiek), copingstijl, middelengebruik buiten gecontroleerde context en forensisch meest relevant geacht seksuele problematiek. De onderzoekers komen niet toe aan diagnostische conclusies. Of voorheen gestelde diagnose(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.