Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:1191
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/851 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.J. Schimmel), en de burgemeester van de gemeente Almere (gemachtigde: mr. A. van Rossem).
Als derde partij neemt deel de heer [derde-partij] , eigenaar van het bedrijfspand dat verzoeker huurt.
Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van het bedrijfspand op het adres [adres] in Almere (pand). Verzoeker huurt dit pand. De burgemeester sluit het pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden en legt aan de sluiting onder meer ten grondslag dat er een handelsvoorraad drugs is aangetroffen die erop wijst dat die bestemd was voor verkoop, aflevering en/of verstrekking. De sluiting heeft tot doel de beëindiging en- of voorkoming van de samenleving ondermijnende activiteiten en moet daarmee voorkomen dat het pand wordt gebruikt voor verdere drugsdoeleinden.
Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de sluiting. Hij verzoekt verder de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Procesverloop 3. Met het bestreden besluit van 22 januari 2026 heeft de burgemeester het bedrijfspand dat verzoeker huurt op het adres [adres] in Almere (het pand) gesloten voor de duur van drie maanden vanaf 28 januari 2026 om 13.00 uur. Verzoeker heeft hiertegen – zoals reeds vermeld - bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het bestreden besluit 6. Verzoeker huurt een pand en drijft daar [handelsnaam] . Op 21 november 2026 heeft de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt naar aanleiding van gebeurtenissen die plaatsvonden op 20 november 2025 waar het pand dat verzoeker huurt bij betrokken was.
Dit pand ligt op minder dan honderd meter van de plaats waar de mishandeling plaatsvond. In dit pand werden drie personen, waaronder verzoeker, aangehouden. Ze werden verdacht van openlijke geweldpleging, poging tot doodslag en diefstal met geweld. In het bedrijfspand werden tevens drie anderen personen aangetroffen waarvan de gegevens zijn genoteerd door de politie. De politie stelde vervolgens een onderzoek in, in het pand van verzoeker, omdat er sprake zou zijn geweest van een vuurwapen. De politie trof in de loods drie honkbalknuppels aan. In het kantoor werden 1 honkbalknuppel, twee messen, twee stroomstootwapens, een balaclava (gezichtsbedekking), 85 voorgedraaide joints en een zak hennep aangetroffen.
Bij het insluiten van verzoeker op 20 november 2025 trof de politie € 4.100,- aan contanten aan in de kleding van verzoeker. De politie Almere heeft over het betrokken pand en de eigenaar in de afgelopen 5 jaar, één keer eerder gerapporteerd. Dit was naar aanleiding van het aantreffen van goederen die geschikt waren voor het wassen van cocaïne en of voor de productie van XTC. Bij de woning van het slachtoffer van de mishandeling heeft eerder dit jaar een explosie met brand tot gevolg plaats gevonden. De in het kantoor van verzoeker aangetroffen drugs waren dusdanig verpakt, dat bij het niet openen van de verpakking, het niet aannemelijk was dat men ervan uit kon gaan dat er drugs aanwezig was in het pand.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Welke gronden handhaaft verzoeker niet langer?
Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek?
Was de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen?
Is het besluit evenredig?
Geschiktheid 15. Verzoeker stelt dat in lijn met uitspraken van de Afdeling de maatregel geschikt moet zijn om het doel te bereiken en volgens verzoeker is de opgelegde last onder bestuursdwang niet geschikt. Verzoeker betoogt dat de burgemeester in het bestreden besluit alleen heeft vermeld dat hij in een dergelijke situatie verplicht is om in te grijpen en dat de veiligheid van Almere daarbij van belang is. De burgemeester licht ook niet toe waarom hij verplicht is om in te grijpen, terwijl het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat afschrikking en preventie geen doelen zijn die aan een sluiting ten grondslag mogen worden gelegd. De last onder bestuursdwang is ook geen geschikt middel, omdat het pand nooit een rol heeft gespeeld in het drugscircuit, er tot nu geen incidenten zijn geweest en er geen loop naar het pand is.
Uit een rapport van de Universiteit van Groningen van augustus 2021 blijkt dat onduidelijk is of de maatregelen geschikt zijn om de door de burgemeester genoemde doelen te bereiken en worden met name kwetsbare personen worden getroffen door een woningsluiting. Ook wordt betwijfeld of de sluiting bijdraagt aan het herstel van de openbare orde en of dit effect heeft op de bredere aanpak van drugscriminaliteit. De maatregel heeft vooral nut indien deze wordt ervaren als punitieve sanctie. Echter, dit is expliciet niet het doel van de sluiting. Ook is tijdsverloop van invloed op de vraag naar de evenredigheid en er zijn ruim twee maanden tussen het aantreffen van de drugs en de sluiting gepasseerd waarin geen handelaars of gebruikers zijn aangetroffen.
Verder vindt de voorzieningenrechter het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat niet dusdanig lang dat daarmee de sluiting niet langer zal bijdragen aan het bereiken van dat doel. Verzoeker heeft verder geen deugdelijke toelichting gegeven over de relevantie van (de passage uit) het onderzoek van de Universiteit van Groningen nu het hier gaat om een sluiting van een bedrijfspand en niet een sluiting van een woning. Verzoekers overige stellingen, waaronder de stelling dat er geen incidenten hebben plaatsgevonden en er geen loop naar het pand is, zal de voorzieningenrechter beoordelen bij de vraag naar de noodzaak van de sluiting.
Noodzaak 17. Volgens verzoeker is de opgelegde last onder bestuursdwang niet noodzakelijk en kan met een minder vergaande maatregel worden volstaan. Het ligt op de weg van de burgemeester om uit te leggen waarom sluiting voor de duur van drie maanden noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een last onder dwangsom of een waarschuwing. Zo is het voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding van belang of de aangetroffen drugs daadwerkelijk vanuit het pand werden verhandeld en blijkt niet van loop van drugsgebruikers naar het pand. Daarnaast lijkt het alsof voornamelijk de grote hoeveelheid drugs die aangetroffen zijn de sluiting noodzakelijk maken, maar de Afdeling zegt daarover dat de burgemeester niet alleen mag afgaan op de hoeveelheid drugs die is aangetroffen, maar alle omstandigheden van het geval in aanmerking moet nemen. Buiten dat er geen sprake is van loop naar het pand zijn er tot op heden ook geen incidenten meer geweest en is de situatie reeds beëindigd. Er is nooit handel en daarmee samenhangende overlast geweest. Als er geen verstoring is van de openbare orde dan hoeft die ook niet te worden hersteld. Daarom was er volgens verzoeker geen noodzaak om een dusdanig vergaande maatregel te nemen en het pand te sluiten.
En dat het gelet op dit samenspel van aangetroffen goederen aannemelijk is dat er vanuit het pand in drugs werd gehandeld. Dit staat ook in de bestuurlijke rapportage. Daarnaast heeft de burgemeester op zitting de noodzaak nog verder toegelicht en er daarbij op gewezen dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er zich een geweldsincident heeft afgespeeld waar verzoeker bij betrokken was, dat hij antecedenten heeft op de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, en dat er eerder bij de woning van het slachtoffer van het geweldsincident een explosie heeft plaatsgevonden, wat het te meer aannemelijk maakt dat het geweldsincident samenhangt met de in het pand aangetroffen drugs en wapens en er dus sprake is van handel.
De burgemeester kan deze nadere toelichting nog meenemen in de heroverweging in bezwaar. De voorzieningenrechter acht gezien dit alles het vooralsnog voldoende aannemelijk dat sprake is van een noodzaak van de sluiting. De stelling van verzoeker op zitting dat hij niet van een drugsdelict verdacht wordt, maar alleen van openlijke geweldpleging, poging tot doodslag en diefstal met geweld, maakt niet dat de noodzaak aan de opgelegde maatregel ontvalt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat er voorafgaande aan het incident geen meldingen van overlast zijn geweest of aanloop is geconstateerd, en tot op heden volgens verzoeker geen kenbare incidenten of represailles hebben plaatsgevonden. Zoals de burgemeester niet ten onrechte stelt, ligt het pand op een bedrijventerrein en is het een garagebedrijf, waardoor loop naar het pand op de dag moeilijk waarneembaar is, omdat er klanten komen, terwijl er ’s avonds weinig publiek op het bedrijventerrein aanwezig zal zijn waardoor het dan om die reden niet controleerbaar is wie het bedrijf betreden en wat er zich binnen afspeelt.
Dat er volgens verzoeker geen link is gelegd met de georganiseerde misdaad, heeft de burgemeester evenmin hoeven volgen, omdat die link wel uit de bestuurlijke rapportage volgt. De burgemeester kan ook het voorgaande nog meenemen in de beslissing op bezwaar. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat de burgemeester in het bestreden besluit nog expliciet heeft toegelicht dat een waarschuwing een beperkte rechtsgevolgfunctie heeft en niet borgt dat de locatie daadwerkelijk aan het drugscircuit wordt onttrokken, terwijl een dwangsom de feitelijke beëindiging niet verzekert, zodat dat geen geschiktere lichtere maatregelen zijn.
Evenwichtigheid 19. Volgens verzoeker zijn bij de beoordeling van de evenwichtigheid verschillende omstandigheden van belang zoals de mate van verwijtbaarheid, een bijzondere binding met het pand en verdere gevolgen van de sluiting. Vraag is of er sprake is van verwijtbaarheid. Verzoeker voert aan dat “de jongens hebben verklaard dat de drugs van hen waren”, althans dat heeft verzoeker zo begrepen. Verzoeker kon niet weten dat en had geen reden te vermoeden dat zij meer dan een gebruikershoeveelheid bij zich hadden. Daarom ontbreekt betrokkenheid en verwijtbaarheid bij verzoeker. Niet is gebleken dat de drugs aanwezig waren op een voor verzoeker zichtbare of gemakkelijk vindbare plek. Verder is het voor een dergelijk bedrijf onmogelijk om elders onderdak te vinden voor 3 maanden en is de financiële schade niet te overzien. Drie maanden geen omzet is het einde van de bedrijven. Sluiting is daarom niet evenwichtig en ook niet evenredig in de zin van artikel 4:84 van de Awb.
Verder mag de burgemeester, ongeacht of verzoeker wist van de drugs, hem als huurder van het pand en eigenaar van het daarin uitgeoefende bedrijf verantwoordelijk houden voor wat er in zijn pand gebeurt. Dat is mogelijk anders als er volledige afwezigheid van verwijtbaarheid is, maar die situatie is hier niet aan de orde. Uit de in de bestuurlijke rapportage geschetste omstandigheden immers volgt die betrokkenheid en verwijtbaarheid wel. De voorzieningenrechter ziet verder in wat is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen volgens het Damoclesbeleid gevolgen voor verzoeker heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Conclusie en gevolgen 21. Het bezwaar van verzoeker heeft op dit moment geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet verder, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
Griffier Voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5133) Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 Zie de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3251 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3934