RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/246061-23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] (Somalië), op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats 1] , hierna: de verdachte. 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 4 april 2025 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 21 januari 2026. Op de zittingen waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. A.L. Rinsma; de advocaat van de verdachte: mr. F.N. Dijkers (hierna: de advocaat). 2Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 in de periode van 18 september 2023 tot en met 12 juni 2024 te Almere en/of Lelystad, althans in Nederland, samen met een ander of anderen, heeft gehandeld in harddrugs; feit 2 op 23 mei 2024 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,02 gram cocaïne; feit 3 in de periode van 4 maart 2022 tot en met 13 juni 2024 te Almere, althans in Nederland, samen met een ander of anderen, een hypotheekaanvraagformulier en/of de daarbij horende documenten heeft vervalst en/of dat hij hiervan gebruik heeft gemaakt; feit 4 in de periode van 4 maart 2022 tot en met 12 juni 2024 te Almere en/of Lelystad, althans in Nederland, samen met een ander of anderen, een bedrag van € 114.246,25 heeft witgewassen. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4 heeft gepleegd. Wel vordert de officier van justitie de verdachte partieel vrij te spreken voor een deel van de in feit 1 genoemde periode. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 2. De advocaat heeft verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken van de feiten 3 en 4. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 tot en met 4 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De verdachte bekent dat hij feit 2, namelijk het opzettelijk aanwezig hebben van 5,02 gram cocaïne, heeft gepleegd, zoals dit onder paragraaf 3.4 bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. De rechtbank noemt ten aanzien van dat feit in bijlage II daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.1 Bewijsoverwegingen feit 1 – handel in harddrugs Inleiding De naam van de verdachte is naar voren gekomen in een anonieme melding waarin werd gewezen op de betrokkenheid van de verdachte bij een drugslijn onder de naam ‘ [naam] ’. Op basis van nader onderzoek, waaronder observaties, het aftappen van telefoongegevens, onderzoek aan inbeslaggenomen telefoons en het horen van getuigen, is bij het Openbaar Ministerie de verdenking ontstaan dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met de handel in harddrugs. Alternatief scenario Verdachte heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van harddrugs. Volgens de verdediging was dit echter incidenteel en niet gedurende de volledige ten laste gelegde periode. De verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 december 2025 een verklaring afgelegd. Dit is volgens de verdediging een alternatief scenario dat niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven. De verdachte heeft verklaard dat hij in 2023 door de beheerder van het dealnummer [telefoonnummer 1] werd gevraagd om, tegen financiële vergoeding of in ruil voor drugs, een telefoon onder zich te houden met de simkaart behorende bij het dealnummer. Volgens de verdediging zou de WhatsApp-applicatie die gekoppeld is aan dit telefoonnummer op een ander toestel geïnstalleerd zijn, en had de verdachte verder geen betrokkenheid bij het versturen of ontvangen van berichten op dit account. De verdachte is volgens de verdediging gedurende een lange periode slechts houder geweest van de telefoon met het dealnummer, zonder op dat moment een aandeel te hebben gehad in het handelen in harddrugs. Volgens de verdediging was de rol van de verdachte slechts die van een katvanger, bedoeld om de daadwerkelijke dealers uit de wind te houden. De rechtbank oordeelt dat dit alternatieve scenario, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, niet aannemelijk is geworden. Los van het feit dat dit scenario pas op een zeer laat moment is aangevoerd (namelijk pas tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 december 2025), acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verdachte de hiervoor genoemde telefoon gedurende lange tijd onder zich heeft gehouden zonder deze daadwerkelijk te gebruiken voor het dealen in harddrugs. Een anonieme getuige heeft bijvoorbeeld verklaard dat telefonisch besteld kon worden bij het dealnummer dat op het toestel van de verdachte is aangetroffen. Dit betekent dat de harddrugs niet alleen konden worden besteld via WhatsApp, zoals de verdachte stelt, maar ook via de reguliere telefoonlijn. Daarnaast is op 28 december 2023 met het dealnummer gebeld naar een ander telefoonnummer. Hoewel er geen gesprek tot stand kwam, was er wel achtergrondgeluid te horen, waarop door verbalisanten de stem van de verdachte werd herkend. Bovendien zijn er op 12 en 13 januari 2024 sms berichten op het telefoonnummer binnengekomen die duiden op drugsbestellingen. Verder valt op dat al in 2019 het wachtwoord ‘ [wachtwoord] ’ (de naam van de verdachte) voor het whatsappaccount van het dealnummer [chatnaam 1] is gebruikt en dat er notities zijn aangetroffen op de bij de verdachte aangetroffen telefoon die op 21 en 22 mei 2024 zijn bewerkt en duiden op het dealen in harddrugs. Dit alles past niet bij het scenario dat de verdachte de telefoon niet in gebruik had en slechts katvanger zou zijn geweest. Pleegperiode De rechtbank is, net als de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte zich buiten de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte zich ook voor 1 januari 2024 bezig hield met drugshandel, is het bewijs daarvoor onvoldoende concreet. Zo dateert het eerste chatgesprek over drugs op de bij de verdachte inbeslaggenomen telefoon van 1 januari 2024.. Uit het strafdossier blijkt verder niet dat de verdachte zich nog heeft beziggehouden met handel in harddrugs nadat hij op 22 mei 2024 in een andere zaak werd aangehouden. De rechtbank verklaart daarom bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van verschillende soorten harddrugs. Voor de overige periodes in de beschuldiging spreekt de rechtbank de verdachte vrij. Handel verschillende soorten harddrugs De rechtbank overweegt dat, mede op basis van de aangetroffen chatgesprekken en getuigenverklaringen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van 3-mmc, cocaïne, 2c-b en amfetamine. Ten aanzien van het middel amfetamine merkt de rechtbank op dat deze term niet expliciet in het dossier voorkomt. Wel wordt in chatgesprekken en getuigenverklaringen gesproken over “speed”, “pep” en “snelle”. Deze termen worden in de volksmond gebruikt ter aanduiding van amfetamine. Gelet op de context waarin deze termen zijn gebruikt, kan het niet anders dan dat daarmee amfetamine wordt bedoeld. De rechtbank acht daarom ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld in amfetamine. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte heeft gehandeld in het middel 4-mmc. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de beschuldiging vrijspreken. Medeplegen De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier volgen verschillende aanknopingspunten waaruit blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Uit getuigenverklaringen komt naar voren dat via één telefoonnummer kon worden besteld en dat de bestellingen vervolgens door verschillende personen werden bezorgd. Daarnaast zijn chats aangetroffen waaruit blijkt dat soms degene die het contact had met de afnemer zelf de drugs kwam brengen en dat soms een ander werd gestuurd. Dit beeld wordt bevestigd door chats op de applicatie Signal, waarin contacten zijn vastgelegd tussen verschillende personen die drugs leverden en waarin afspraken werden gemaakt over wie de drugs aan (potentiële) afnemers zou bezorgen. Uit deze omstandigheden volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen bij het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van verschillende soorten harddrugs. Daarmee acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen bewezen. Conclusie ten aanzien van feit 1 Gelet op de bewijsmiddelen in bijlage II en voorgaande overwegingen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 mei 2024 tezamen en vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van amfetamine, 3-mmc, 2c-b en cocaïne. 3.3.2 Bewijsoverwegingen feit 4 - witwassen Inleiding Uit een onderzoek naar de financiële situatie van de verdachte is bij het Openbaar Ministerie het vermoeden ontstaan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft salaris van drie werkgevers in de periode tussen maart 2022 en mei 2024 ontvangen ter hoogte van € 76.592,-. Volgens de officier van justitie zijn dit fictieve werkgevers waarvoor de verdachte feitelijk niet werkzaam was, die geen zichtbare bedrijfsactiviteiten ontplooiden en enkel bestonden met als doel een ogenschijnlijk legaal inkomen voor werknemers te verschaffen. De verdachte wordt verweten dat hij van het loon dat hij hieruit heeft ontvangen tezamen en vereniging met anderen de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat dit uit enig misdrijf afkomstig was. Ook is er op 15 november 2023 een bedrag ter hoogte van € 28.000,- overgeboekt op de rekening van de verdachte, door zijn zus [zus] . Ook ten aanzien van dit bedrag wordt de verdachte verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen de herkomst heeft verhuld terwijl hij wist dat dit uit enig misdrijf afkomstig was. Naast deze bedragen is er op 12 juni 2024 een bedrag van € 9.724,25 aangetroffen in de woning van de verdachte. Het Openbaar Ministerie stelt dat dit bedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, te weten de handel in harddrugs, en dat er sprake is van eenvoudig witwassen. Beoordelingskader witwassen Witwassen is strafbaar gesteld onder artikel 420bis lid 1 Sr. Uit de wetsbepaling volgt onder andere dat vereist is dat het voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”. Voor een bewezenverklaring hiervan is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, toch bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit volgt dat het voorwerp niet van enig misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo een verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Lening [zus] – partiële vrijspraak Uit het dossier volgt dat er op 15 november 2023 een bedrag ter hoogte van € 28.000,- is overgemaakt naar het rekeningnummer van de verdachte, vanaf de rekening van de zus van de verdachte, met de omschrijving “ [omschrijving] ”. Een overeenkomstig bedrag is daarvoor in twee delen naar haar rekening overgemaakt vanaf een bankrekening op naam van [A] . Niet is gebleken van een rechtstreeks verband tussen de het op de rekening van de verdachte gestorte bedrag en een specifiek misdrijf. De vragen die de rechtbank daarom dient te beantwoorden, en die voortvloeien uit het hiervoor besproken beoordelingskader, zijn: is er sprake van een witwasvermoeden en zo ja, heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring afgelegd dat het geldbedrag niet uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. Op 15 november 2023 in totaal € 28.000,- overgemaakt van de rekening van de heer [A] naar de rekening van de zus van de verdachte, met als omschrijving ‘lening’. Binnen een half uur na de laatste overboeking is ditzelfde bedrag aan de verdachte overgemaakt, met als omschrijving ‘ [omschrijving] ’. Deze constructie is opmerkelijk en vond plaats kort vóór de periode waarvan bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs, terwijl ook de verdenking bestaat dat de verdachte ten tijde van de overboekingen loon ontving uit fictieve dienstverbanden. Op grond hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De zus van de verdachte heeft op 12 februari 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het geldbedrag had overgemaakt ten behoeve van de aankoop van de woning van de verdachte. Zij verklaarde dat een schenking door een familielid het verkrijgen van een hypotheek vergemakkelijkt en dat zij, omdat zij de verdachte geen geld wilde lenen, het bedrag via een vriend van de familie heeft laten doorstorten om het vervolgens via haar rekening over te maken. De verdachte heeft ter terechtzitting van 17 december 2025 overeenkomstig verklaard. Volgens de verdachte, en ook de zus van de verdachte, is deze familievriend, de heer [A] , voldoende vermogend om een dergelijk bedrag te lenen aan de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp, te weten het geldbedrag van € 28.000,- uit enig misdrijf afkomstig is. Hoewel is geprobeerd de heer [A] als getuige te horen, heeft hij geweigerd een verklaring af te leggen. Het Openbaar Ministerie had de inhoud van de verklaring van de verdachte en zijn zus langs andere wegen kunnen onderzoeken, maar heeft daarvan afgezien. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte dit onderdeel van het ten laste gelegde feit 4 heeft witgewassen, zodat hij van dit onderdeel moet worden vrijgesproken. Loon uit (fictieve) dienstverbanden Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode vanaf 4 maart 2022 tot en met mei 2024 loon heeft ontvangen van de vennootschappen [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] , voor in totaal een bedrag van € 76.592,-. De verdediging heeft betoogd dat de verdachte wel degelijk werkzaamheden heeft verricht voor genoemde bedrijven en in ruil daarvoor loon heeft ontvangen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voor deze bedrijven onder meer heeft geklust en schoongemaakt, en dat hij hard heeft gewerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van een rechtstreeks verband tussen de loonbetalingen aan de verdachte en een specifiek misdrijf. De vragen die de rechtbank daarom wederom dient te beantwoorden zijn: is er sprake van een witwasvermoeden en zo ja, heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring afgelegd dat de ontvangen loonbetalingen niet uit misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat zich in het dossier ten aanzien van het door de verdachte ontvangen loon verschillende bewijsmiddelen bevinden die erop wijzen dat dit loon fictief is, dat de verdachte hiervoor geen werkzaamheden heeft verricht en dat derhalve sprake is van een witwasvermoeden. De rechtbank licht dit als volgt toe. Ten aanzien van [bedrijf 1] B.V. bevindt zich in het dossier een chatgesprek tussen [medeverdachte] en een persoon genaamd ‘ [B] ’, waarin afspraken worden gemaakt over het opmaken van een vervalste salarisspecificatie. Op deze salarisspecificatie staat het loonheffingsnummer van [bedrijf 1] B.V. vermeld. De opmaak van de aan de verdachte geadresseerde salarisspecificaties in het dossier vertoont grote gelijkenissen met de valse salarisspecificatie die [B] voor [medeverdachte] heeft opgemaakt. De rechtbank leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat er bij [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] sprake was van gefingeerde geldstromen zonder daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten. Uit bankgegevens en gegevens van de Belastingdienst met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. blijkt dat de loonbetalingen van het bedrijf niet in verhouding staan tot de behaalde omzet. Ook bestaat er een groot verschil tussen het aantal opgegeven werknemers bij de Belastingdienst en het aantal werknemers in het dossier van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). Bovendien heeft degene die als eigenaar van [bedrijf 1] B.V. staat geregistreerd, verklaard dat hij niet wist dat dit bedrijf op zijn naam stond, en dat hij niets afweet van het bedrijf. Ten aanzien van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] (beide met hetzelfde KvK-nummer, maar een andere handelsnaam) volgt uit het dossier dat [C] eigenaar is van deze bedrijven. Op de twee bekende vestigingsadressen van deze bedrijven is geen enkele aanwijzing aangetroffen dat zich daar een bedrijf van [C] zou bevinden. De moeder van [C] heeft verklaard dat haar zoon geen eigen bedrijf heeft en daar ook het niveau niet voor heeft. Uit een analyse van de bankgegevens van [bedrijf 3] blijkt dat in een periode van 8,5 maand een bedrag van ongeveer € 1,2 miljoen over de rekening is gegaan. [C] heeft hieruit geen loon ontvangen, ontving een uitkering van het UWV en werkte daarnaast nog bij een andere B.V. Overboekingen die werden gedaan betroffen steeds ronde bedragen, hetgeen opmerkelijk is voor een bedrijf, mede gelet op het feit dat de bedragen inclusief btw zouden moeten zijn. Verder werd vrijwel dagelijks een bedrag van € 1.000,- aan contanten gepind van de bankrekening van dit bedrijf. Een persoon die interesse had om te gaan werken bij [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] , heeft verklaard daar nooit te hebben gewerkt, maar wel driemaal loon te hebben ontvangen van bijna € 4.000,-. Hij geeft aan dat hij dit nooit heeft hoeven terugbetalen. Door [bedrijf 1] B.V. is in totaal € 29.000,- op de bankrekening van de verdachte gestort. Door [bedrijf 2] B.V. is aan de verdachte in totaal € 12.399,- aan loon uitbetaald. Door [bedrijf 3] is in totaal € 35.193,- aan loon uitbetaald aan de verdachte. Niet is gebleken dat de verdachte enige werkzaamheden verrichtte voor deze bedrijven. De politie heeft op basis van observaties en taplocatiegegevens geen werkzaamheden geconstateerd. Daarnaast zijn er meerdere bijzonderheden met betrekking tot deze salarisbetalingen. Zo is het opvallend dat op 7 maart 2022 door [bedrijf 1] B.V. een voorschot van € 8.000,- is overgemaakt. Nergens blijkt uit dat dit voorschot ooit is verrekend of terugbetaald. Verder zijn de overgemaakte bedragen veelal ronde bedragen, zou de verdachte aanspraak hebben gehad op een dertiende maand die hij niet heeft ontvangen en vonden salarisbetalingen nooit plaats op vaste dagen of tijdstippen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het onder deze omstandigheden niet anders kan dan dat de verdachte van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. fictief loon heeft ontvangen. Op grond hiervan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de in de beschuldiging genoemde voorwerpen (de ontvangen geldsommen) uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit blijkt dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig is. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte hierover heeft afgelegd niet als zodanig kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdachte pas ter terechtzitting op 17 december 2025 een verklaring heeft afgelegd, terwijl hij daartoe eerder meerdere malen de gelegenheid heeft gehad, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Daarnaast vindt de verklaring van de verdachte geen steun in het dossier. De stelling dat hij werkzaamheden heeft verricht is reeds onderzocht door het Openbaar Ministerie, waarbij niet is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk werkzaamheden heeft uitgevoerd. Het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp, te weten het ontvangen loon ter hoogte van € 76.592,-, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Voor de rechtbank staat vast dat de verdachte, door de hiervoor besproken handelingen en omstandigheden, heeft getracht de herkomst van dit geldbedrag te verhullen en te verbergen. Aangetroffen geldbedrag in woning – eenvoudig witwassen Uit het dossier volgt dat op 12 juni 2024 een bedrag van € 9.724,25 werd aangetroffen in een nachtkastje in de woning van de verdachte. Bij een eerdere doorzoeking op 23 mei 2024 werd dit geldbedrag niet aangetroffen, waardoor het aannemelijk is dat dit bedrag tussen 27 mei en 12 juni 2024 in het nachtkastje gelegd is. Ten aanzien van dit bedrag wordt de verdachte beschuldigd van eenvoudig witwassen. Eenvoudig witwassen is het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf. De verdachte heeft ten aanzien van dit bedrag verklaard dat hij het geld heeft geleend van de heer [D] . [D] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 1 juni 2024 een bedrag van € 5.000,- heeft uitgeleend aan de verdachte voor meubels in zijn nieuwe huis. De verdachte heeft overeenkomstig verklaard dat [D] het bedrag in goed vertrouwen aan hem heeft uitgeleend voor zijn woning, en heeft over de rest van het aangetroffen geldbedrag verklaard dat het afkomstig is van hemzelf, zijn zus en zijn vriendin. Gelet op de omstandigheden waaronder het geldbedrag is aangetroffen, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat een deel van het bedrag door hem is geleend en deels van hem zelf is, niet aannemelijk. Het relatief hoge geldbedrag is in een tijdsbestek van slechts enkele weken in het nachtkastje terechtgekomen. Het geld werd aangetroffen in stapeltjes, die met elastiekjes bij elkaar werden gehouden, wat typerend is voor witwassen. De rechtbank acht het bovendien onaannemelijk dat er voor het uitlenen van een dergelijk bedrag geen schriftelijke afspraken gemaakt zouden zijn. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het bedrag is aangetroffen rondom de periode waarin bewezen verklaard is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Het telefoongesprek tussen de verdachte en [D] van 25 juni 2024 is naar het oordeel van de rechtbank een (vergeefse) poging om met elkaar een verhaal over legale herkomst van het geld af te stemmen. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen af dat het onder de verdachte in beslag genomen contante geldbedrag van € 9.724,25 afkomstig is uit de verkoop van drugs. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit geldbedrag van in totaal € 9.724,25 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit zijn eigen misdrijf, te weten de handel in drugs. Medeplegen De rechtbank acht ten aanzien van het witwassen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gepleegd. Ten aanzien van het geldbedrag dat afkomstig is uit fictieve dienstverbanden volgt het samenwerkingsverband uit de wijze waarop de organisatie is ingericht. Zo staan verschillende personen op de loonlijsten en lijkt sprake te zijn van een duidelijke organisatiestructuur, waarbij fictief loon wordt uitbetaald en in samenwerking met anderen verhullingshandelingen worden verricht. Ten aanzien van het eenvoudig witwassen van het bedrag van € 9.724,25 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Verdachte zal in zoverre worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Conclusie ten aanzien van feit 4 Resumerend acht de rechtbank, gelet op het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals onder paragraaf 3.4 is bewezen verklaard. De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van het gedeelte dat ziet op het geldbedrag van € 28.000,- afkomstig van de rekening van zijn zus, zoals hiervoor overwogen. 3.3.3 Bewijsoverwegingen feit 3 - hypotheekfraude De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de documenten die aan de hypotheekaanvraag ten grondslag liggen niet vervalst zijn. Volgens de verdediging is er daarom geen sprake geweest van fictieve dienstverbanden. De verdediging voert verder aan dat, als al sprake is van onvolkomenheden in de documenten, de verdachte daarvan niet automatisch op de hoogte was. De verdachte heeft volgens de verdediging noch documenten valselijk opgemaakt, noch opzettelijk valse documenten gebruikt, noch opzet gehad op het medeplegen daarvan. De rechtbank oordeelt anders en overweegt hiertoe als volgt. In de voorgaande overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet anders kan dan dat de verdachte geen werkzaamheden heeft verricht voor de bedrijven waarvoor hij loon heeft ontvangen en dat derhalve sprake is van fictieve dienstverbanden. Uit deze fictieve dienstverbanden heeft de verdachte geld gegenereerd. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte bij zijn hypotheekaanvraag een salarisstrook (betaling week 37–40 2023), een uitdraai van het UWV met gewerkte uren, loongegevens en arbeidsverleden, alsmede een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] B.V. heeft aangeleverd. In de aangeleverde documenten zijn verschillende afwijkingen geconstateerd, waaruit blijkt dat het om valselijk opgemaakte documenten gaat. Een aantal hiervan is reeds eerder uiteengezet, met name ten aanzien van onregelmatigheden in de salarisbetalingen, waaronder een niet-terugbetaald voorschot, een niet-uitgekeerde dertiende maand en veelvuldig overgemaakte ronde bedragen. De valsheid van de documenten blijkt verder duidelijk uit de opgevraagde UWV-gegevens en uit de UWV-documenten die de verdachte zelf heeft aangeleverd. Deze komen voor het jaar 2022 in het geheel niet met elkaar overeen: uit de door de verdachte overgelegde stukken blijkt dat hij in 2022 een werkverleden zou hebben, terwijl dit niet volgt uit de gegevens van het UWV. Door het zetten van zijn handtekening op het hypotheekaanvraagformulier heeft de verdachte verklaard dat de door hem aangeleverde gegevens juist zijn en dat hij geen informatie heeft achtergehouden. Door documenten te overleggen die zijn opgemaakt op basis van fictieve dienstverbanden heeft de verdachte de hypotheekaanvraag opzettelijk onderbouwd met valse informatie. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde feit. Pleegperiode De rechtbank acht de periode waarin dit feit heeft plaatsgevonden bewezen tot het moment dat de aanvraag voor de kredietovereenkomst is ondertekend, namelijk op 28 november 2023. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het overige deel van de ten laste gelegde periode. Medeplegen Vast is komen te staan dat de verdachte de documenten in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft vervalst, onder meer door het opmaken van een valse salarisspecificatie. De rechtbank acht daarom ook het onder feit 3 ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen voor zover het gaat om het opmaken van de vervalste documenten. Er is geen aanleiding om medeplegen bewezen te verklaren ten aanzien van het indienen van de documenten, daarom zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken. Conclusie ten aanzien van feit 3 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 4 maart 2022 tot en met 28 november 2023 tezamen en in vereniging met een of meer anderen de bij een hypotheekaanvraagformulier behorende bijlagen/documenten, die dienden tot bewijs van de inkomstenpositie van de verdachte, valselijk heeft opgemaakt en vervalst, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. Verder acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van deze documenten opzettelijk gebruik heeft gemaakt als waren zij echt en onvervalst, terwijl hij wist dat deze bestemd waren voor zodanig gebruik. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 in de periode van 1 januari 2024 tot en met 22 mei 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, - een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-mmc - een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2c-b en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde amfetamine, 3-mmc, 2c-b en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2 op 23 mei 2024 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,02 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 3 in de periode van 4 maart 2022 tot en met 28 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de bij een hypotheekaanvraagformulier behorende bijlagen/documenten valselijk heeft opgemaakt en vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken bestaande die valsheid uit onjuiste opgave van inkomstengegevens aan de bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] en in de periode van 4 maart 2022 tot en met 28 november 2023 in Nederland, opzettelijk één of meer geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de bij een hypotheekaanvraagformulier behorende bijlagen/documenten, als waren deze echt en onvervalst, bestaande die valsheden erin dat, valselijk en in strijd met de waarheid, op die geschriften staat vermeld een onjuiste opgave van inkomstengegevens aan de bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats 2] en bestaande dat doen gebruikmaken erin dat hij, verdachte, - dat hypotheekaanvraagformulier en de daarbij horende documenten heeft ingediend bij de bank en - op basis waarvan die bank een of meer hypothecaire leningen heeft verstrekt en uitbetaald; feit 4 omstreeks de periode van 4 maart 2022 tot en met 12 juni 2024 in Nederland, (ten aanzien van het eerste gedachtestreepje tezamen en in vereniging met een of meer anderen), van meerdere voorwerpen, te weten - een geldbedrag met een totaalbedrag van € 76.592,00 de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en de verplaatsing heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf en - een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 9.724,25, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 2 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 3 medeplegen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaken of vervalsen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; Feit 4 medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en eenvoudig witwassen 4.2 Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf en/of maatregel 5.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, met aftrek van het voorarrest. 5.2 Standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat verzoekt bij de strafoplegging in strafmatigende zin onder meer rekening te houden met het feit dat de verdachte al meer dan een jaar in voorlopige hechtenis verblijft, dat dit de eerste keer is dat hij met justitie in aanraking komt wegens een verdenking van overtreding van de Opiumwet, dat hij zijn woning noodgedwongen heeft moeten verkopen en dat hij het door lichamelijke klachten extra zwaar heeft in detentie. 5.3 Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten die allemaal verband hebben met ondermijnende criminaliteit. De verdachte heeft zich gedurende bijna een half jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 5,02 gram cocaïne, witwassen en valsheid in geschrifte. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs sterk verslavend zijn, en ernstige schade toebrengen aan de volksgezondheid. Het gebruik leidt niet alleen tot gezondheidsproblemen bij gebruikers, maar veroorzaakt ook aanzienlijke maatschappelijke schade. De ervaring leert dat de (georganiseerde) handel in harddrugs veelal gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, zoals geweldsdelicten en vermogenscriminaliteit, en dat hiervan een toenemend ondermijnend effect uitgaat op de rechtsstaat. De verdachte kan, gelet op zijn rol, als medeverantwoordelijk worden gehouden voor deze gevolgen. Door zijn gedragingen heeft de verdachte hieraan bijgedragen en kan hij daarvoor mede verantwoordelijk worden gehouden. De verdachte heeft van de opbrengsten een bedrag van bijna € 90.000,- witgewassen. Hierdoor heeft hij de illegale herkomst daarvan geprobeerd te verhullen. Dit leidt tot een vermenging van crimineel en legaal geld en tast de integriteit van het financiële systeem aan. Bovendien heeft de verdachte door het opmaken en gebruiken van vervalste documenten een bank op slinkse wijze misleid om hem een hypotheek te verstrekken. Door deze handelwijze heeft hij de bank ertoe bewogen een bedrag van € 300.000,- aan hem te verstrekken. Hiermee heeft hij het vertrouwen dat banken moeten kunnen stellen in de juistheid van verstrekte informatie ernstig geschaad. Dergelijk handelen brengt financiële risico’s mee voor de bank en ondermijnt het vertrouwen in het financiële verkeer. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte van 2 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom niet in strafverzwarende dan wel strafmatigende zin meewegen. Verder houdt de rechtbank rekening met een rapportage van Reclassering Nederland van 28 maart 2025. Uit dit rapport blijkt dat financiële motieven veelal ten grondslag lijken te liggen aan het delictgedrag van de verdachte. De financiën van de verdachte, met name het beperkte inkomen en aanwezige schuldenproblematiek, worden door de reclassering dan ook als voornaamste risicofactor gezien. Tevens heeft de reclassering zorgen geuit over verschillende leefgebieden, te weten de dagbesteding, sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren en houding van de verdachte. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht risico’s te beperken of gedragsverandering te bewerkstelligen, en adviseert daarom in beginsel een straf zonder bijzondere voorwaarden. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat, gedurende drie tot zes maanden met enige regelmaat, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Het oriëntatiepunt voor fraude, uitgaande van een benadelingsbedrag tussen de € 70.000,- en € 125.000,-, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden. De verdachte heeft met de gepleegde feiten bijgedragen aan de maatschappelijke problematiek die gepaard gaat met drugshandel en aan de ondermijning van de rechtsstaat. De rechtbank rekent het de verdachte in strafverzwarende zin aan dat hij deze feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte volstrekt ontoelaatbaar. Gelet op het voorgaande is slechts een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt passend. De rechtbank heeft een kortere pleegperiode en een lager witwasbedrag bewezenverklaard dan door de officier van justitie is geëist, en zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden. De rechtbank heeft overwogen om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, mede omdat sprake is van een eerste veroordeling van de verdachte voor dit soort feiten. Omdat de reclassering echter geen meerwaarde ziet van een toezichtskader en de verdachte zich bovendien in juni 2025 niet heeft gehouden aan de hem opgelegde schorsingsvoorwaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Verder doet een straf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden op, met aftrek van het voorarrest. Tenuitvoerlegging van de straf Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. De voorlopige hechtenis De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf. 6Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikel 47, 57, 225, 420bis en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 2 en 10 van de Opiumwet; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 7De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf en/of maatregel - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mrs. H.C. Piet en R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. K. Dam en E.C. Kasper-Kerkdijk als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026. De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging en nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: feit 1 hij op of omstreeks de periode van 18 september 2023 tot en met 12 juni 2024 te Almere en/of Lelystad, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, - een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of - een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-mmc - een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-mmc en/of - een gebruikershoeveelheid van een materiaal bevattende 2c-b en/of - een gebruikershoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde amfetamine en/of 3-mmc en/of 4-mmc en/of 2c-b en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 3 hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 maart 2022 tot en met 13 juni 2024 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.