← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:135

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/246061-23 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [1997] te [geboorteplaats] (Somalië), nu gedetineerd te [verblijfplaats] , hierna te noemen: de veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De officier van justitie heeft bij vordering van 27 november 2024 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 december

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van hetgeen de veroordeelde en zijn advocaat, mr. F.N. Dijkers, advocaat te Diemen, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie van 27 november 2024, mondeling aangevuld ter terechtzitting van 17 december 2025, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 114.316,
  2. 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten en heeft verzocht de vordering af te wijzen. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 21 januari 2026 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten: feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd feit 2 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod feit 3 medeplegen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaken of vervalsen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst feit 4 medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en eenvoudig witwassen Voornoemde feiten zijn gepleegd in de periode van 4 maart 2022 tot en met 12 juni
  3. De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)). Veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten “op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Volgens artikel 36e, lid 3 Sr. kan in dat geval aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.2 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. 3.2.
  4. De ontnemingsperiode In het ontnemingsrapport gaat de politie uit van een onderzoeksperiode van maart 2022 tot en met mei
  5. De rechtbank overweegt als volgt. Op 4 maart 2022 ontving de veroordeelde voor het eerst een ‘salarisuitbetaling’ van [bedrijf 1] BV. De rechtbank zal deze datum daarom als startdatum aanhouden. De rechtbank zal als einddatum bepalen de dag waarop de doorzoeking van de woning van de veroordeelde plaatsvond en een contant geldbedrag werd aangetroffen, namelijk op 12 juni
  6. 3.2.
  7. De opbrengsten Fictieve dienstverbanden De rechtbank gaat bij haar berekening uit van de overboekingen van [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 3] BV en [bedrijf 1] , waaruit veroordeelde inkomsten heeft gegenereerd. Zoals de rechtbank in de onderliggende strafzaak heeft geconcludeerd, betroffen dit fictieve dienstverbanden; de veroordeelde heeft nimmer arbeid verricht in deze ondernemingen. Ook is gebleken dat deze bedrijven geen bedrijfsactiviteiten hadden. In de periode van 4 maart 2022 tot en met 30 mei 2024 is er op de rekening van de veroordeelde een totaalbedrag van € 76.592,- bijgeschreven (€ 29.000,- plus € 12.399,- plus € 35.193,-). De rechtbank stelt vast dat dit gehele bedrag afkomstig is uit enig (eigen) misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit witwassen van geldbedragen die zijn verkregen uit deze fictieve dienstverbanden. De veroordeelde heeft met deze inkomsten in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Overboeking € 28.000,- In de vordering van de officier van justitie wordt ook uitgegaan van wederrechtelijk voordeel dat is genoten van de door de zus van de veroordeelde overgeboekte € 28.000,-. Gelet op de bewezenverklaring in de strafzaak, dient dit bedrag buiten beschouwing te worden gelaten, omdat niet is vastgesteld dat dit van misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijkt hierbij dus af van de vordering van de officier van justitie, omdat zij in de onderliggende strafzaak verdachte partieel heeft vrijgesproken van het witwassen van dit geldbedrag. De rechtbank oordeelt dat voor dit bedrag daarmee niet aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Aangetroffen € 9.754,25 in woning In de woning van de veroordeelde is een bedrag van € 9.754,25 aangetroffen in (voornamelijk) coupures van 50 euro verbonden met elastiekjes. Uiteindelijk is dit een bedrag van € 9.724,25 gebleken, omdat er mogelijk een biljet is vervalst. Uit onderzoek naar de banktransacties van de veroordeelde zijn in vijf jaar geen pintransacties te zien die het gevonden geldbedrag kunnen verklaren. Het geldbedrag is aangetroffen kort na de periode waarin de veroordeelde actief was met handel in harddrugs. De rechtbank stelt vast dat aannemelijk is dat dit gehele bedrag afkomstig is uit enig (eigen) misdrijf, namelijk de inkomsten van de handel in harddrugs. Met het voorhanden hebben van dit bedrag, afkomstig uit drugshandel, is de veroordeelde in een gunstigere positie gekomen en heeft hij daarmee wederrechtelijk voordeel verkregen. 3.2.
  8. De kosten De rechtbank stelt vast dat er in het dossier geen kosten naar voren zijn gekomen die de veroordeelde heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking zouden kunnen komen. 3.2.4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 86.316,25 (€ 76.592,- plus € 9.724,25,-). 3.3 Betalingsverplichting De rechtbank stelt het bedrag dat door de veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 86.316,
  9. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 86.316,25; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 86.316,25 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 863 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. H.C. Piet en mr. R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk en mr. K. Dam, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 januari
  10. Mr. Piet is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Wetboek van Strafrecht betrokkene [veroordeelde] ” en de daarbij behorende bijlagen, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer 2023285342 (pagina’s 250 tot en met 335). Pagina
  11. Pagina
  12. Pagina
  13. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2024, opgenomen op pagina 2074 van het proces-verbaal van 22 oktober 2024, genummerd MD2R023143 (onderzoek Volvo), opgemaakt door Districtsrecherche Flevoland. Pagina 262.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.