← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:147

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11820714 \ UC EXPL 25-6276 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van [eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam], wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Straetus Incasso Friesland B.V., tegen [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties- het proces-verbaal van de rolzitting van 13 augustus 2025 waarop de heer [A] als eigenaar van [gedaagde] mondeling zijn reactie op de dagvaarding heeft gegeven, met bijlagen- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 7 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis wordt uitgesproken. 2De kern van de zaak 2.
  3. [eiser] heeft een autobedrijf met werkplaats. Voor (de nieuwe locatie van) zijn bedrijf heeft hij bij [gedaagde] twee hefbruggen besteld. Hiervoor heeft [eiser] een aanbetaling gedaan aan [gedaagde] van € 2.000,
  4. [gedaagde] zou de hefbruggen op 12 juni 2025 leveren en monteren. [eiser] heeft deze levering een dag van te voren geannuleerd omdat zijn nieuwe werkplaats nog niet klaar was voor het plaatsen van de twee hefbruggen. Partijen hebben toen afgesproken dat de hefbruggen op 19 juni geleverd en gemonteerd zouden worden. Ook dit is niet doorgegaan en [gedaagde] heeft de klus daarna geannuleerd. Hij heeft de aanbetaling van [eiser] gehouden omdat hij kosten heeft gemaakt. [eiser] vordert zijn aanbetaling met rente en kosten terug van [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de aanbetaling terug moet betalen aan [eiser] . 3De beoordeling [gedaagde] moet € 2.000,00 terugbetalen aan [eiser] 3.
  5. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de aanbetaling van € 2.000,00 moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde] heeft op 18 juni 2025 via WhatsApp aan [eiser] laten weten dat hij de factuur crediteert met uitzondering van de aanbetaling van € 2.000,
  6. [gedaagde] heeft daarmee aangegeven dat zij een einde maakt aan de overeenkomst met [eiser] en zij de hefbruggen niet meer zal komen afleveren en monteren (ontbinding van de overeenkomst). Volgens [gedaagde] heeft zij de klus voor [eiser] geannuleerd omdat [eiser] de afspraak voor het afleveren en monteren van de hefbruggen voor de tweede keer annuleerde. [gedaagde] mocht de hefbruggen wel bij een vriend van [eiser] afleveren, maar volgens [gedaagde] zag die vriend dat niet zitten. Bovendien wilde [gedaagde] dat zelf ook niet omdat de hefbruggen goed gemonteerd moeten worden vanwege veiligheidsrisico's. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar redenering en is van oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] (nog) niet mocht ontbinden. Los van de vraag of [gedaagde] mag bepalen waar de hefbruggen afgeleverd en door haar gemonteerd moeten worden, geldt namelijk het volgende. Uit wat met partijen is besproken op de zitting en wat partijen hebben aangevoerd, volgt niet dat de afspraak voor het afleveren en monteren van de hefbruggen een zogenaamde ‘fatale’ termijn was. De eerste afspraak voor aflevering is zonder bezwaar verplaatst en [gedaagde] heeft niet aan [eiser] laten weten dat de tweede afspraak de laatste mogelijkheid was. [gedaagde] had [eiser] daarom nog een aanmaning moeten sturen om hem een duidelijke laatste kans te geven om zijn afnameverplichting na te komen. Omdat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, mocht zij de overeenkomst niet zomaar eenzijdig beëindigen (ontbinden). 3.
  7. Het is de kantonrechter duidelijk geworden dat [eiser] zich er inmiddels bij heeft neergelegd dat [gedaagde] de overeenkomst niet meer gaat uitvoeren. Dat betekent dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] toch geëindigd is, ondanks dat de ontbinding niet gerechtvaardigd was. Hierdoor moet [gedaagde] de aanbetaling van € 2.000,00 van [eiser] terugbetalen. Bij een ontbinding van een overeenkomst moeten partijen namelijk de prestaties die zij ontvangen hebben weer ongedaan maken. Omdat er geen sprake is van een terechte ontbinding, kan [gedaagde] niet op grond van de wet een schadevergoeding van [eiser] vragen voor de ontbinding. Bovendien heeft [gedaagde] ook niet met stukken onderbouwd (bijvoorbeeld facturen) dat hij schade heeft geleden doordat [eiser] de hefbruggen niet heeft afgenomen. De vordering van [eiser] dat [gedaagde] € 2.000,00 moet betalen, wordt dus toegewezen. 3.
  8. [eiser] vordert ook wettelijke handelsrente over zijn vordering vanaf de vervaldatum die genoemd is in de brief van 30 juni
  9. Artikel 6:119a BW (het wetsartikel over wettelijke handelsrente) ziet alleen op de betaling voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dat betekent dat de wettelijke handelsrente alleen gerekend kan worden als de partij die moet betalen voor de geleverde goederen of diensten, niet of te laat betaalt. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst kan leiden, zoals in dit geval een verplichting om de aanbetaling terug te betalen omdat de overeenkomst is ontbonden. [gedaagde] moet wel de wettelijke rente betalen. [eiser] heeft in zijn brief van 30 juni 2025 [gedaagde] nog vijf dagen na ontvangst van die brief de tijd gegeven om te betalen. De kantonrechter gaat er net als [eiser] vanuit dat [gedaagde] deze brief op 2 juli 2025 heeft ontvangen omdat [gedaagde] dit niet heeft weersproken. De wettelijke rente over € 2.000,00 wordt daarom toegewezen vanaf 8 juli
  10. [gedaagde] moet ook buitengerechtelijke kosten betalen 3.
  11. [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 300,00 worden toegewezen. [gedaagde] moet ook de proceskosten betalen 3.
  12. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 889,35 4De beslissing De kantonrechter 4.
  13. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.
  14. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 889,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
  15. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.
  16. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 7 januari
  17. Artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.