RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/019670-20 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [1968] in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] , (hierna: de veroordeelde). 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 december
- Het onderzoek is met instemming van de advocaat van de veroordeelde enkelvoudig gesloten op 7 januari 2026, waarna direct daarna uitspraak is gedaan. Op de zitting op 12 december 2025 waren aanwezig: de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi; de advocaat van de veroordeelde: mr. H. de Kroon, advocaat in Hilversum (hierna: de advocaat). De rechtbank heeft kennisgenomen van het onderliggende strafdossier en het daarin opgenomen ontnemingsrapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is geraamd op € 400.244,
- 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de officier van justitie geschat op € 400.244,
- Zij heeft verzocht de vordering toe te wijzen, maar de betalingsverplichting vast te stellen op nihil, omdat uit het procesdossier niet volgt hoe hoog de inkomsten van de veroordeelde precies zijn geweest. 2.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de veroordeelde geen geld heeft verdiend met zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 27 september 2016 tot en met 29 november
- De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht). 3.2 De beoordeling van de vordering De rechtbank is van oordeel dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals opgenomen in het rapport (berekening wederrechtelijk verkregen voordeel) van 9 mei 2017, niet tot uitgangspunt kan worden genomen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de veroordeelde heeft verklaard dat hij de aangetroffen hennepplanten negen weken lang van voeding en water heeft voorzien, maar nog geen geld had ontvangen voor deze werkzaamheden. Uit het procesdossier volgt verder dat er nog niet was geoogst toen de hennepplantage door de politie werd ontdekt. Nu het Openbaar Ministerie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel geld de veroordeelde met zijn werkzaamheden heeft verdiend, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet mogelijk is op basis van het dossier de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank de vordering tot ontneming af. 4BESLISSING De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mrs. H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari
- De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.