Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:1665

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/2777 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen 1. [verzoeker sub 1] , 2. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] uit [plaats] , verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).

Procesverloop 1. Met het besluit van 5 februari 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de eerste verdieping aan de achterzijde en het realiseren van een dakopbouw met dakkapellen op het perceel van [adres] in [plaats] .

2.Verzoekers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gezamenlijk verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 16 april 2026 bericht dat de bouwwerkzaamheden naar verwachting aan het einde van de week voltooid zijn.

Overwegingen 3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat zij het verzoek als kennelijk ongegrond afwijst. De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.

4.De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt. Het college heeft een kopie van de bezwaarschriften meegezonden. Het college heeft de voorzieningenrechter in de brief van 15 april 2026 laten weten dat de bezwaarschriften waarschijnlijk binnen twee weken niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verzoekers hun bezwaarschriften te laat hebben ingediend en daar geen goede reden voor hebben.
5.Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omgevingsvergunning bekend is gemaakt. Bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
6.In dit geval heeft het college het besluit (de omgevingsvergunning) op 5 februari 2026 naar de vergunninghouder verzonden en daarmee dus bekendgemaakt. De bezwaarschriften hadden dus uiterlijk op 19 maart 2026 door het college ontvangen moeten zijn.
7.Verzoekers hebben hun bezwaarschriften digitaal ingediend op 25 maart 2026 om 21:54 en op 27 maart 2026 om 09:21. Dat blijkt uit de stukken in het dossier. Dat betekent dat de bezwaren te laat zijn ingediend. Verzoekers hebben dit zelf ook erkend in hun bezwaarschriften.
8.Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, mag het college besluiten het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen. Dit is anders wanneer er een geldige reden is waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Met de brief van 27 maart 2026 heeft het college verzoekers twee weken de gelegenheid gegeven om een eventuele reden van de overschrijding van de bezwaartermijn schriftelijk mee te delen.
9.Verzoekers hebben in de brief van 3 april 2026 aangegeven dat zij binnen de bezwaartermijn de bouwtekeningen behorende bij de omgevingsvergunning bij het college hebben opgevraagd, omdat de bouwtekeningen noodzakelijk waren om de aard en omvang van het bouwplan te kunnen beoordelen. Ondanks herhaalde verzoeken zijn de stukken pas op 23 maart 2026, en dus na het verstrijken van de bezwaartermijn, door het college aan verzoekers verstrekt, om welke reden de termijnoverschrijding verzoekers redelijkerwijs niet kan worden verweten. Ook voeren verzoekers aan dat de gepubliceerde aanvraag zag op een ander bouwplan, dan waarvoor het college uiteindelijk een omgevingsvergunning heeft verleend.
10.Dat verzoekers de bouwtekeningen hebben opgevraagd om hun bezwaargronden te formuleren, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om te oordelen dat de bezwaren verschoonbaar te laat zijn ingediend. Verzoekers hadden er ook voor kunnen kiezen om alleen een ‘formeel’ (pro-forma) bezwaarschrift in te dienen, met daarin de opmerking dat de redenen van het bezwaar- na ontvangst van alle bij de omgevingsvergunning behorende stukken- zouden worden ingediend.
11.Gelet op het voorgaande en de brief van het college van 15 april 2026 hebben de bezwaren van verzoekers evident geen kans van slagen, omdat deze niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. De voorzieningenrechter ziet ook niet dat de omgevingsvergunning evident onrechtmatig is.
12.De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.

Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.

Artikel 3:41 van de Awb.

Artikel 6:11 van de Awb.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.