Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:1865
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.037848.20 (strafzaak) Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: de verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De strafzaak van de verdachte is (gelijktijdige met de aanhangige ontnemingsvordering) inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. A.E. Lohuis; de advocaat van de verdachte: mr. W.K. Cheng (hierna: de advocaat).
2TENLASTELEGGING De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 26 september 2019 in een woning te Baarn stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn tot het plegen van een strafbaar feit uit de Opiumwet, te weten het kweken van hennep.
3VOORVRAGEN De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat uit de gedingstukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat dat het recht tot strafvervolging in deze zaak is verjaard. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij artikel 11a van de Opiumwet (het artikel wat in deze zaak ten laste is gelegd) geldt als strafmaximum een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar. In artikel 70, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald wanneer het recht tot strafvordering door verjaring vervalt. Bij misdrijven waar een strafmaximum van 3 jaar gevangenisstraf geldt, betreft de verjaringstermijn 6 jaar. In deze strafzaak zijn het binnentreden in de woning van verdachte, het verhoor en het opstellen van het ontnemingsrapport allemaal afgerond in oktober 2019. De dagvaarding en de ontnemingsvordering dateren echter van december 2025.
De rechtbank is van oordeel dat er vooralsnog uit de stukken niet gebleken is van een stuiting van de verjaring (een daad van vervolging waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt) als bedoeld in artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
Bovenstaande maakt dat de rechtbank het ernstige vermoeden heeft dat het recht op vervolging in deze zaak is verjaard. Dat heeft ook gevolgen voor de beslissing op de ontnemingsvordering. De rechtbank zal daarom dit tussenvonnis wijzen, de zaak heropenen en het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid geven zich hier (schriftelijk) over uit te laten.
4BESLISSING De rechtbank:
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2026.