RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2887 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J. Piet), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar (gemachtigde: D. Koopmans). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 maart
- 1.
- De heffingsambtenaar heeft aan eiser in de beschikking van 22 november 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.
- Bij brief van 22 februari 2023 heeft de gemachtigde van eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. Bij brief van 18 april 2023 heeft de gemachtigde van eiser de heffingsambtenaar verzocht een dwangsombeschikking te nemen. 1.
- In de beschikking van 9 mei 2023 heeft de heffingsambtenaar beslist geen dwangsom toe te kennen. De gemachtigde van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking. In de uitspraak op bezwaar van 1 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
- De gemachtigde van eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Beoordeling door de rechtbank Dwangsom
- Eiser stelt dat de heffingsambtenaar zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen dwangsom is verbeurd. De rechtbank stelt vast dat op 22 november 2022 de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. Op 21 december 2022 is daartegen bezwaar gemaakt. Volgens de heffingsambtenaar is op 2 februari 2023 de uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde van eiser verzonden. De heffingsambtenaar heeft hiervan echter geen bewijs kunnen overleggen. Op 22 februari 2023 heeft de gemachtigde van eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beschikking ten aanzien van zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Vaststaat dat de beslistermijn op 22 februari 2023 is overschreden. De heffingsambtenaar had na de ingebrekstelling hierdoor twee weken om de uitspraak op bezwaar alsnog op de juiste wijze bekend te maken. Op 18 april 2023 heeft de gemachtigde van eiser verzocht de verschuldigde dwangsom bij besluit vast te stellen. Op 9 mei 2023, verzonden op 14 mei 2023, heeft de heffingsambtenaar bij beschikking beslist geen dwangsom toe te kennen. Op 3 juli 2023 heeft de gemachtigde van eiser bezwaar ingesteld tegen deze beslissing. In de uitspraak op bezwaar van 1 maart 2024, verzonden op 5 maart 2024, heeft de heffingsambtenaar geoordeeld dat een dwangsom terecht is afgewezen, omdat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag op 6 februari 2023 is verzonden. Eiser betwist in beroep dat hij de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 tijdig te hebben ontvangen. Volgens eiser is er geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Uit de verzendadministratie moet namelijk blijken welk precieze stuk daadwerkelijk is verzonden en aan welk vervoerbedrijf.
- De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast dat de uitspraak op bezwaar op de aangegeven datum daadwerkelijk is verzonden naar het juiste adres. Indien de uitspraak op bezwaar niet aangetekend is verzonden, zoals in dit geval, kan de heffingsambtenaar dat bewijs leveren door een verzendadministratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum de uitspraak op bezwaar is verzonden. De heffingsambtenaar heeft op de zitting toegelicht dat hij geen verzendadministratie kan overleggen en hierdoor niet kan voldoen aan zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 op de juiste manier tijdig is bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 is verzonden. Op 14 mei 2023 is de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 als bijlage bij de dwangsombeschikking naar de gemachtigde van eiser verzonden. Eiser heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank pas op 14 mei 2023 kennisgenomen van de uitspraak op bezwaar. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag niet tijdig heeft bekendgemaakt.
- Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
- De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar tot en met 8 maart 2023 had om de uitspraak op bezwaar naar eiser te versturen. De heffingsambtenaar is daarom vanaf 9 maart 2023 een dwangsom verschuldigd. Doordat de gemachtigde van eiser op 14 mei 2023 op de hoogte is gebracht van de uitspraak op bezwaar dient de heffingsambtenaar een dwangsom te verbeuren voor 42 dagen. De rechtbank stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb vast dat de maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd.
- Eiser vraagt daarnaast om uitbetaling van wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. Gelet op het bepaalde in artikel 4:18 van de Awb diende de heffingsambtenaar de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (in dit geval 20 april 2023) bij beschikking vast te stellen. Gelet hierop diende de heffingsambtenaar uiterlijk op 4 mei 2023 de dwangsom vast te stellen. Uit artikel 4:87, eerste lid, van de Awb volgt dat betaling van de dwangsom in beginsel zes weken na bekendmaking van de beschikking geschiedt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. De laatste dag waarop de dwangsom had moeten worden betaald is zes weken na 4 mei 2023, dus op 15 juni 2023, zodat de heffingsambtenaar met ingang van 15 juni 2023 in verzuim is en wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag van algehele voldoening. Conclusie en gevolgen
- Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser betalen.
- Ook ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 633,
- De rechtbank stelt de in bezwaar gemaakte proceskosten van eiser die de heffingsambtenaar moet betalen vast op € 166,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank stelt de proceskosten in beroep vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,25, omdat er sprake is van een evident geschil over een dwangsom.
- De gemachtigde van eiser stelt dat er sprake is van re- en dupliek. De gemachtigde van eiser verzoekt een vergoeding toe te kennen voor het opstellen van het stuk van 14 augustus
- De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:866) volgt dat alleen dan sprake is van een conclusie van repliek in de zin van artikel 8:43 van de Awb, als de rechter de indiener van het beroepschrift op diens verzoek of ambtshalve in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te repliceren. Dit heeft de rechter in deze zaak niet gedaan. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat de rechter de heffingsambtenaar niet in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te dupliceren.
- Eiser heeft verder verzocht om vergoeding van wettelijke rente indien niet tijdig de proceskosten en het griffierecht is voldaan. De rechtbank zal deze vordering toewijzen met ingang van vier weken na het verzenden van deze uitspraak. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden. veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 633,50 aan proceskosten; bepaalt dat de heffingsambtenaar over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, vanaf het moment dat vier weken zijn verstreken na de dag van verzending van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening. Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:
- Artikel 4:17 en 4:18 Awb. Artikel 4:17 lid 1 Awb. Dit volgt uit het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:
- Zie hiervoor de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8281 en de Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866/