Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:2323
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 26/1606 en UTR 26/1604 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. L.J. Moerdijk), en De korpschef van politie (gemachtigde: mr. S.S. Madarie).
Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).
1.1.
Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek gedaan om inzage in zijn politiegegevens. Aanleiding van dit verzoek is dat verzoeker een Verklaring omtrent Gedrag met politiegegevens (VOG-P) heeft aangevraagd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) is afgewezen. Deze afwijzing is gemotiveerd met verwijzing naar de politiegegevens. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en wil inzage in zijn politiegegevens om de gronden van zijn beroep te kunnen onderbouwen.
1.2.
De korpschef heeft de inzage in de politiegegevens met het besluit van 2 februari 2026 (het besluit) toegewezen, maar heeft daarbij inzage in de politieregistratie met kenmerk PL01 00-2024294677-1 geweigerd. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De korpschef heeft op 24 maart 2026 stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft op 7 april 2026 met toepassing van artikel 8:29 van de Awb beslist dat beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om deze stukken bij de beoordeling te betrekken.
1.4.
De korpschef heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Doet de voorzieningenrechter ook uitspraak op het beroep?
Wat voert verzoeker aan?
Wat vindt de korpschef?
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de korpschef de reden voor de weigeringsgrond van artikel 27, eerste lid, onder d, Wpg niet in het besluit heeft uitgewerkt, maar pas in het verweerschrift heeft gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor de vereiste belangenafweging. Verzoeker voert dus terecht aan dat het besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank het besluit wegens het gebrek moet vernietigen.
6.2.
Verder is op de zitting gebleken dat de weigeringsgrond niet op de gehele politieregistratie ziet. De korpschef heeft ter zitting erkend dat de informatie op pagina 2, vanaf het vetgedrukte kopje dat begint met ‘Facebook’ tot en met de zin op pagina 3 die eindigt met ‘taken’ openbare informatie betreft en daarom niet op basis van artikel 27, eerste lid, onder d Wpg geweigerd kan worden. Nu de inzage van die openbare informatie aan verzoeker ten onrechte is geweigerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit ook daarom gebrekkig is.
6.3.
De stelling van de korpschef ter zitting dat ten tijde van het nemen van het besluit nog onduidelijk was in hoeverre de politieregistratie gelakt zou worden, omdat verzoeker nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op inzage, leidt niet tot een ander oordeel. Los van het feit dat eiser ter zitting heeft gesteld dat telefonisch aan hem bevestigd is dat het document geheel geweigerd zou worden, hetgeen de korpschef niet kon bevestigen of ontkennen, blijkt uit het besluit niet dat de politieregistratie slechts gedeeltelijk gelakt zou worden. Bovendien heeft de korpschef ter zitting de eerdere vraag van de voorzieningenrechter of de weigeringsgrond ziet op het “gehele” document, bevestigend geantwoord. Pas na concrete vragen hierover van de voorzieningenrechter heeft de korpschef onderkend dat de weigeringsgrond niet van toepassing is op de openbare informatie zoals hiervoor omschreven.
Tussenconclusie 7. De voorzieningenrechter concludeert gezien het voorgaande dat het besluit is genomen in strijd met artikel 27 Wpg en artikel 3:46 van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het besluit. Met inachtneming van de motivering in het verweerschrift beoordeelt de voorzieningenrechter hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (voor zover niet betreft het gedeelte van de registratie genoemd in overweging 6.2 dat niet met een beroep op artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg geweigerd mocht worden) in stand blijven en/of dat zij zelf in de zaak voorziet.
Heeft de korpschef inzage voor het overige (los van het gedeelte vermeld in overweging 6.2) mogen weigeren?
8.1.
De voorzieningenrechter is – mede na kennisname van de vertrouwelijk aan de voorzieningenrechter verstrekte informatie- van oordeel de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg voor het overige deel van de registratie in dit geval van toepassing is. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de korpschef in het verweerschrift terecht heeft volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de korpschef het motiveringsgebrek voldoende hersteld.
8.2.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de korpschef de inzage in de politieregistratie voor het overige heeft mogen weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg ter bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
8.3.
De politieregistratie bevat gegevens die tegelijkertijd zowel verzoeker als derde(n) betreffen. De politieregistratie is, gelet op de specifieke omstandigheden waarover de registratie gaat en de kleine groep personen die betrokken is, daarmee herleidbaar tot individuele personen. De voorzieningenrechter is het daarom met het de korpschef eens dat kennisneming van de politieregistratie kan leiden tot ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken derde(n). Om dezelfde reden heeft de korpschef – zoals hiervoor reeds vermeld - ook de motivering van de gemaakte belangenafweging geheim mogen houden, omdat ook daarmee inzicht zou kunnen worden gekregen in de aard en inhoud van de politieregistratie en daarmee afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). Daarbij heeft de korpschef terecht van belang geacht dat kennisneming van de informatie een onomkeerbaar karakter heeft. Als verzoeker eenmaal kennis heeft genomen van de inhoud van de politieregistratie en de motivering, kan dit niet meer worden teruggedraaid, terwijl dat afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n).
8.4.
Dat de politieregistratie wél met de staatssecretaris kunnen worden gedeeld, laat onverlet dat de korpschef is gehouden aan zijn eigen wettelijk kader van het recht op inzage van politiegegevens neergelegd in artikel 25 Wpg en de op dat recht geformuleerde uitzonderingen van artikel 27 Wpg. In dat kader merkt de voorzieningenrechter nog op dat de staatssecretaris op grond van artikel 23a Wpg rechtstreeks toegang heeft tot politiegegevens in het kader van een onderzoek naar iemands betrouwbaarheid.
Het evenredigheidsbeginsel 9. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het besluit ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb. De overheid maakt het op deze wijze voor verzoeker onmogelijk om zich te verweren tegen informatie die wel aan hem door diezelfde overheid wordt tegengeworpen, namelijk als grondslag voor de weigering van de VOG-P én waarvan het behoud en de verstrekking ervan vergaande negatieve gevolgen heeft (verlies van zijn baan).
9.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te concluderen dat de korpschef in dit geval de inzage in de politieregistratie niet heeft mogen weigeren. De korpschef heeft het belang dat kennisneming van de politieregistratie kan leiden tot ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken derde(n), zwaarder mogen laten wegen dan verzoekers persoonlijke belang. Dat verzoeker als gevolg van het besluit zijn politiegegevens niet kan controleren en zich daarom niet (goed) kan verweren tegen het besluit van de staatssecretaris over de weigering van de VOG-P, kan verzoeker in die procedure aan de orde stellen.
Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat aan verzoeker binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, inzage wordt verleend in de openbare informatie genoemd onder punt 6.2. Gelet op de motivering van de korpschef in het verweerschrift ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige in stand te laten.
10.1.
Gelet op het oordeel in beroep, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is heeft verzoeker recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
10.3.
Verder moet de korpschef het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Op grond van artikel 25 van de Wpg.
OP grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg.
Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 mei 2023 van Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:1735, punt 6.1 Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139, r.o. 9. zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3350.