Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:2325
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5273 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.H. de Kamper), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren (het college), verweerder (gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).
De derde-partij [derde belanghebbende] (de vergunninghouder) heeft niet aan de zaak deelgenomen.
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan de vergunninghouder voor het realiseren van een derde bouwlaag en een dakkapel aan de voor- en achterzijde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] , gemeente Gooise Meren. Eiser woont tegenover deze woning en is het niet eens met de verleende vergunning.
Procesverloop 3. De vergunninghouder heeft op 3 december 2024 bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een derde bouwlaag en een dakkapel aan de voor- en achterzijde van haar woning. Het college heeft met het besluit van 17 april 2025 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft ingediend, heeft het college met het besluit van 5 augustus 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank Derde-partij 7. Vóór de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank [C] , wonend aan de [adres 2] , voorlopig toegelaten om als derde-partij aan de procedure deel te nemen. De rechtbank ziet aanleiding om op deze beslissing terug te komen. [C] had immers zelf bezwaar kunnen maken en beroep in kunnen stellen tegen de verleende omgevingsvergunning. Dat heeft zij niet gedaan. In dat geval kan zij niet als derde-partij alsnog aan deze procedure deelnemen.
Toetsingskader 8. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. De beoordelingsregels voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn vastgelegd in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl). Voor de toepassing van deze beoordelingsregels is relevant of de gevraagde omgevingsplanactiviteit wel of niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan gemeente Gooise Meren. In de kern is dit ook de vraag waar dit beroep om draait.
Dat betekent dat een aanvraag alleen kan worden geweigerd op grondslag van de in het omgevingsplan opgenomen regels. Als de omgevingsvergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet (imperatief) de omgevingsvergunning worden verleend.
Bespreking beroepsgronden 11. De rechtbank stelt vast dat de kernvraag in deze zaak is of er sprake is van een weigeringsgrond vanwege strijd met de regels van het bestemmingsplan Oudere Dorp. Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde activiteit (het bouwplan) past binnen het bestemmingsplan. Daarmee is er geen sprake van een weigeringsgrond en moet de vergunning worden verleend. Eiser vindt dat het bouwplan in strijd is met de planregels over de maximaal toegestane goothoogte, de hellingshoek van de kap en de toegestane dakkapellen. Het college had volgens hem de omgevingsvergunning niet zonder meer mogen verlenen maar had op z’n minst een belangenafweging moeten maken.
Maximale goothoogte 12. Volgens eiser wordt met het bouwplan een nieuwe, hogere goot gecreëerd. Uit artikel 2.5 van het bestemmingsplan volgt volgens hem dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Bij dit bouwplan wordt het overgrote deel van het hemelwater volgens eiser verzameld op het platte dak, waardoor het gebouw voornamelijk afwatert via dat platte dak. De goothoogte ligt daardoor volgens eiser op de plaats van de dakranden en is dus hoger dan de maximaal toegestane goothoogte van 6 meter.
Hellingshoek van de kap 14. Eiser voert aan dat de hellingshoek van de hellende daken te hoog is. Uit de meting met een digitale geodriehoek op de bouwtekening blijkt volgens eiser dat de hellingshoek meer bedraagt dan 65°. Dat betekent dat de toevoeging van de extra bouwlaag (het bouwplan) geen kap is in de zin van artikel 17.2.1, onder r, en artikel 1.42 van het bestemmingsplan. Het bouwplan is volgens eiser dus in strijd met de regels van het bestemmingsplan.
De dakkapellen 16. Eiser voert aan dat het college de regels van het bestemmingsplan verkeerd interpreteert. Artikel 17.2.1, onder s, van het bestemmingsplan is volgens eiser alleen van toepassing als een dakkapel goten heeft. In dit geval stelt niemand dat de dakkapellen eigen dakgoten hebben, zodat dit artikel toepassing mist. Verder blijkt uit artikel 17.3.3 van het bestemmingsplan dat de planwetgever een hogere goothoogte onder voorwaarden wel wil toestaan, maar alleen bij een dakopbouw met bescheiden afmetingen. Het door de vergunninghouder ingediende bouwplan is echter te groot.
Conclusie en gevolgen 18. De conclusie is dat het bouwplan van vergunninghouder voldoet aan de beoordelingsregels voor deze omgevingsplanactiviteit en dus moest het college de omgevingsvergunning verlenen. Dit betekent ook dat het college geen ruimte heeft voor een nadere belangenafweging. Die belangafweging heeft namelijk al plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit wordt geregeld in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht.
Dit is een activiteit die voldoet aan de regels van het omgevingsplan.