RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7357 uitspraak van voorzieningenrechter van 15 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en de GGD regio Utrecht, verweerder Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
- Verzoeker heeft op 1 oktober 2025 bij de GGD een aanvraag ingediend om aanpassingen aan te brengen in de organisatie (mensen, middelen en processen), die bij ieder contactmoment tussen verzoeker en de GGD worden toegepast. Een van de door verzoeker genoemde aanpassingen betreft het toepassen van de LeuKometer in elk contactmoment.
- Verzoeker heeft de GGD bij brieven van 27 november 2025 en 3 december 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
- De GGD heeft op 11 december 2025 gereageerd op het verzoek van verzoeker van 1 oktober
- Daarbij heeft de GGD meegedeeld dat zijn aanvraag niet kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief van 11 december 2025 is daarom ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
- Verzoeker heeft op 16 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 december
- Verzoeker verzoekt om de voorlopige voorziening te treffen dat de GGD tijdelijk wordt verplicht tot procedurele ordening van de communicatie en besluitvorming in onderhavig dossier, gedurende de bezwaarprocedure.
- De GGD heeft op 22 december 2025, ontvangen door de rechtbank op 23 december 2025, een reactie op het verzoek ingediend. Verzoeker heeft op 4 januari 2026 per e-mail daarop gereageerd.
- Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder een zitting te houden als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter maakt in de zaak van verzoeker gebruik van deze bevoegdheid. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Een verzoek om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter moet betrekking hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Als er geen sprake is van een besluit, kan er geen voorlopige voorziening worden getroffen. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit, waartegen op grond van artikel 7:1 en artikel 8:1 van de Awb bezwaar en beroep open staat, verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een publiekrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van de GGD van 11 december 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat de brief niet op rechtsgevolg is gericht. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.
- In het derde lid van artikel 1:3 van de Awb is bepaald, dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, om een besluit te nemen. In het eerste lid van artikel 1:3 van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat wil zeggen dat de beslissing die het bestuursorgaan neemt op rechtsgevolg gericht moet zijn. Een beslissing is op rechtsgevolg gericht als de beslissing een bevoegdheid, een verplichting of een recht voor één of meer anderen laat ontstaan of opheft, of de juridische staat van een persoon of zaak vaststelt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met zijn aanvraag niet om een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb heeft gevraagd. Verzoeker heeft immers gevraagd om aanpassing van processen, middelen en communicatie en toepassing van een LeuKometer. Verzoeker vraagt daarmee om het toepassen van feitelijke handelingen en niet om een besluit dat is gericht op rechtsgevolg. Dat betekent dat een reactie van de GGD op dat verzoek van verzoeker ook geen bevoegdheid, recht of plicht doet ontstaan en daarom geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
- Er is dus geen sprake van een besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt en de verzochte voorziening niet wordt getroffen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.