Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:2911
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6074 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college (gemachtigden: mr. T. Vos en M. de la Rie).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van eiseres voor een eerste parkeervergunning voor bewoners mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een eerste bewonersparkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 6. Het college heeft aan eiseres een tweede parkeervergunning voor bewoners verleend, omdat de oprit van eiseres volgens het college als een eigen parkeervoorziening is aan te merken. Omdat eiseres een eigen parkeervoorziening heeft, komt zij niet in aanmerking voor een eerste parkeervergunning voor bewoners. Volgens het college is een gemiddelde auto vier meter lang en past dit op de oprit van eiseres.
Het standpunt van eiseres 7. Eiseres vindt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom bij de toepassing van het parkeerbeleid een maatstaf wordt gebruikt van een auto die gemiddeld vier meter is. Het college gaat volgens eiseres ten onrechte uit van het feit dat een gemiddelde auto vier meter is. Volgens eiseres was een gemiddelde auto uit 2016 4,20m lang en zijn auto’s uit 2024 gemiddeld 4,41m lang. De oprit van eiseres is 4,50m lang, maar die is niet volledig te gebruiken. Er moet namelijk ruimte overblijven tussen de auto en de deur van de berging. Als de auto daar tegenaan zou worden geparkeerd zouden de auto en de deur beschadigd kunnen raken. Bovendien is het niet mogelijk fietsen uit de berging te halen als de auto tegen de deur aan geparkeerd staat.
Eiseres vindt dan ook dat haar oprit geen eigen parkeervoorziening is. Eiseres wijst verder nog op de adviesnorm afkomstig van CROW en de ASVV waarin is opgenomen dat een parkeervlak voor een personenauto minimaal 5,13m diep moet zijn. Het college had volgens eiseres moeten motiveren waarom zij van deze norm afwijkt. Verder gaat het college er volgens eiseres ten onrechte vanuit dat haar auto op de oprit van viereneenhalf meter past. De auto van eiseres is namelijk 4,79m en dus langer dan de oprit. Als eiseres haar auto op de oprit parkeert, steekt die uit over de stoep en loopt eiseres het risico daarvoor beboet te worden. Het college gaat daarmee uit van een onjuiste feitelijke grondslag en heeft niet getoetst of de auto van eiseres daadwerkelijk op de oprit past.
Het besluit is daarom onzorgvuldig. Verder vindt eiseres dat doordat het college geen eerste parkeervergunning voor bewoners aan haar heeft verleend, zij onevenredig wordt benadeeld in haar toegang tot het parkeren voor bewoners.
Het parkeerbeleid 8. Het college stelt zich op het standpunt dat een gemiddelde auto in Nederland vier meter lang is en dat met deze maatstaf rekening wordt gehouden met auto’s uit verschillende bouwjaren. Volgens het college is daarmee gebruik gemaakt van een gegeneraliseerde en geobjectiveerde ‘doorsnee auto’ als maatstaf. Deze maatstaf is volgens het college niet zodanig afwijkend dat van het beleid moet worden afgeweken in het geval van eiseres.
Gelijkheidsbeginsel 11. Eiseres stelt dat haar overburen wel een eerste bewonersparkeervergunning hebben gekregen. Volgens eiseres is de oppervlakte van de voortuin bij de overburen vergelijkbaar met die van eiseres. De overburen hebben alleen een heg in de voortuin waardoor parkeren daar niet mogelijk is. Ter onderbouwing heeft eiseres foto’s van de voortuin van de overburen overgelegd. Omdat de overburen wel een eerste parkeervergunning hebben gekregen, had het college eiseres ook een eerste parkeervergunning moeten geven. Er is volgens haar sprake van gelijke gevallen.
Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en de afwijzing van de eerste parkeervergunning voor bewoners niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat het college opnieuw zal moeten motiveren waarom bij toepassing van het parkeerbeleid wordt uitgegaan van een maatstaf van vier meter diepte voor het aanmerken van een oprit als eigen parkeervoorziening. In sommige gevallen draagt de rechtbank aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De zaak wordt dan aangehouden en er wordt een einduitspraak gedaan nadat het gebrek hersteld is. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat in dit geval te doen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.
13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4373, overweging 6.6.