Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:3023
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12170878 \ UV EXPL 26-84 Vonnis in kort geding van 22 mei 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. N. Poggenklaas, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. W. Schilstra.
1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2 De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] werd vertegenwoordigd door [A] , HR-manager, bijgestaan door haar gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak 2.1 [eiser] is in dienst bij [gedaagde] als warranty engineer voor 40 uur per week. Het salaris is € 4.302,61 bruto per maand. [eiser] heeft zich op 13 januari 2025 ziekgemeld. Op 9 december 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [eiser] geen beperkingen meer heeft en geadviseerd om in vier tot acht weken een arbeidsritme op te bouwen. [gedaagde] betaalt [eiser] vanaf januari 2026 nog maar 70% van zijn loon omdat hij volgens [gedaagde] langer dan 52 weken ziek is. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld het ingehouden loon te betalen omdat hij weer geschikt is voor zijn eigen werk en voor het aflopen van het eerste ziektejaar hersteld is. De kantonrechter stelt [eiser] in het gelijk.
3De beoordeling Toetsingskader kort geding 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor nader onderzoek of bewijslevering.
Spoedeisend belang is aanwezig 3.2 [eiser] vordert betaling van het vanaf 13 januari 2026 ingehouden loon. Gelet op de aard van de vordering is het spoedeisend belang daarmee al gegeven. De omstandigheid dat [gedaagde] een deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd maakt dit niet anders. Op de zitting is hierover toegelicht dat eind mei 2026 een spreekuur bij de verzekeringsarts van het UWV plaatsvindt en dat het daarna nog een aantal weken kan duren voordat het deskundigenoordeel wordt gegeven. Gelet op het tijdsverloop tussen het advies van de bedrijfsarts van 9 december 2025 en de aanvraag voor een deskundigenoordeel, op 30 maart 2026, kan van [eiser] niet gevergd worden eerst de uitkomst van het deskundigenoordeel af te wachten terwijl hij al vier maanden niet het volledige loon ontvangt. [gedaagde] mocht het loon niet verlagen 3.3 Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiser] voor het verstrijken van het eerste ziektejaar is hersteld voor zijn werk.
3.4 De kantonrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat [eiser] niet meer dan 52 weken ziek is geweest voor zijn eigen werk. Dit volgt met name uit het advies van de bedrijfsarts van 9 december 2025 en de hersteldmelding van [eiser] op 30 december 2025, maar ook uit de berichten van de praktijkondersteuner van de bedrijfsarts van 20 februari 2026 en 9 april 2026.
3.5 Uit het rapport van de bedrijfsarts van 9 december 2025 blijkt dat [eiser] als nagenoeg volledig hersteld wordt beschouwd en dat de bedrijfsarts geen structurele beperkingen meer kan duiden. Volgens de bedrijfsarts moeten werknemer en werkgever in gesprek gaan over mogelijkheden om binnen 4 tot 8 weken op te bouwen naar een volledige urenbelasting in ofwel de functie van warranty engineer ofwel in ander passend werk. [eiser] heeft zich hierna in ieder geval per email van 30 december 2025 hersteld gemeld bij [gedaagde] en gevraagd zijn eigen werk weer te mogen verrichten. [gedaagde] heeft [eiser] daarna met ingang van 19 januari 2026 toegelaten tot het werk, niet in zijn eigen functie, maar in andere taken en meteen voor 40 uur per week, zonder opbouwschema. Aanvankelijk heeft [gedaagde] de hersteldmelding per 19 januari 2026 geaccepteerd, waarop zij per email van 4 februari 2026 is teruggekomen.
3.6 Gelet op het advies van de bedrijfsarts en de hersteldmelding van [eiser] wist [gedaagde] in ieder geval al op 30 december 2025 dat zij – als zij het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts – een deskundigenoordeel bij het UWV moet aanvragen. Dat heeft [gedaagde] toen niet gedaan. Het is in deze situatie niet aan [gedaagde] om de hersteldmelding niet te accepteren. Het oordeel rond arbeidsgeschiktheid of niet, is voorbehouden aan de bedrijfsarts. Bovendien heeft de arbodienst daarna zowel op 23 februari 2026 als op 9 april 2026 aan [eiser] nogmaals bevestigd dat er geen beperkingen zijn om zijn eigen werk te verrichten. [gedaagde] heeft pas geruime tijd na het advies van de bedrijfsarts een deskundigenoordeel aangevraagd, waardoor er op dit moment nog geen deskundigenoordeel beschikbaar is.
De kantonrechter gaat daarom in deze procedure uit van de juistheid van het oordeel van de bedrijfsarts. Gelet op het advies van de bedrijfsarts had [gedaagde] geen geldige reden om de hersteldmelding van [eiser] per 30 december 2025 te weigeren. [eiser] heeft tijdens de zitting gemotiveerd de stelling van [gedaagde] weersproken dat hij volgens arbeidskundig onderzoek als blijvend ongeschikt voor zijn eigen werk wordt beschouwd. [eiser] heeft dit toegelicht door erop te wijzen dat dit onderzoek - van 3 september 2025 - een momentopname was. Uit de omstandigheid dat [eiser] zijn eigen werk nooit heeft hervat en dat hij alleen administratieve taken verricht, blijkt niet dat [eiser] om medische redenen niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. [gedaagde] heeft op de zitting zelf verklaard dat dit zo is omdat de eigen functie van [eiser] niet meer bestaat en er onvoldoende werk voor hem is.
Tijdens de zitting is bovendien gebleken dat [eiser] wel degelijk taken van zijn eigen functie verricht tijdens de afwezigheid van een andere warranty engineer. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] die taken niet aankan. Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat [eiser] met ingang van 30 december 2025 hersteld is, waardoor hij niet meer dan 52 weken ziek is geweest. [gedaagde] heeft daarom met ingang van 13 januari 2026 ten onrechte niet meer het volledige loon betaald.
3.7 [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat tijdens de mediation is afgesproken spoor 1 af te sluiten, waardoor terugkeer naar het eigen werk blijvend onmogelijk is. [eiser] heeft dit uitdrukkelijk weersproken en gesteld dat ook als dat wel zou zijn afgesproken, [gedaagde] nog steeds een loonbetalingsverplichting heeft op grond van artikel 7:628 BW. De kantonrechter volgt [eiser] hierin. Ook als [eiser] zijn eigen werk niet volledig verricht vanwege een afspraak tussen partijen over spoor 1, dan is [gedaagde] op grond van artikel 7:628 lid 1 BW verplicht het (volledige) loon door te betalen. De kantonrechter is niet gebleken van omstandigheden waardoor die loondoorbetalingsverplichting dan gedeeltelijk zou zijn vervallen.
3.8 De conclusie is dat [gedaagde] [eiser] vanaf 13 januari 2026 het loon volledig had moeten doorbetalen. De gevorderde ingehouden betalingen, van € 3.372,39 bruto voor het salaris van januari en februari 2026, en van € 1.290,78 bruto voor het salaris van maart 2026, waarvan de hoogte niet is weersproken, zullen worden toegewezen. Dit is een bedrag van in totaal € 4.663,17 bruto. [gedaagde] zal ook veroordeeld worden om over april 2026 en de daarop volgende maanden bij een ongewijzigde situatie 100% van het salaris aan [eiser] te betalen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente 3.9 Omdat [gedaagde] een deel van haar loonbetalingsverplichtingen te laat voldoet moet zij de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) aan [eiser] betalen. De kantonrechter ziet in de door [gedaagde] genoemde omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, zoals [gedaagde] heeft verzocht. [gedaagde] werd voor de weigering van de hersteldmelding bijgestaan door een gemachtigde en het had op haar weg gelegen eerder een deskundigenoordeel aan te vragen. Het achterstallige salaris, waartoe inmiddels ook de inhouding over april 2026 behoort, zal dan ook vermeerderd worden met de wettelijke verhoging van 50%. De kantonrechter merkt op dat de wettelijke rente voor het te late loon over januari 2026 pas verschuldigd is vanaf de loonbetaling in februari 2026 omdat [gedaagde] toen pas een deel van het loon over januari 2026 heeft ingehouden. Omdat de betaaltermijnen voor de maand mei 2026 en daarop volgende maanden nog niet zijn verstreken, kunnen de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover niet worden toegewezen omdat [gedaagde] (nog) niet in verzuim is en de toekomstige loontermijnen (nog) niet opeisbaar zijn.
Buitengerechtelijke incassokosten 3.10 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 591,32 worden toegewezen.
Proceskosten 3.11 [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
40160 Zie bijvoorbeeld r.o. 3.39 in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7459.
Productie 12 cva.