Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:3138
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5278 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. L.K. Tsui), en Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: mr. A.M. Pelgrim).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een besluit van de minister waarbij aan eiseres een bestuurlijk boete is opgelegd van € 1.050,- voor het overtreden van de Arbeidstijdenwet (Atw). Eiseres is het niet eens met het boetebesluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiseres zes overtredingen van artikel 5:5, eerste lid heeft begaan en één overtreding van artikel 5:7, eerste lid, onder b, van de Atw. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boete te matigen, vanwege de inspanning die eiseres achteraf heeft verricht en vanwege de voortgezette handeling die heeft geleid tot zes overtredingen van artikel 5.5, eerste lid, van de Atw. Eiseres heeft wat dat betreft dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. De minister heeft eiseres met het primaire besluit van 16 augustus 2023 een boete van € 1.050,- opgelegd wegens meerdere overtredingen van de Atw.
2.1 Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de boete gebleven.
2.2 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3 De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4 De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mevrouw K.P. Woo als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank Aanleiding voor de boete 3. Eiseres exploiteert een restaurant en een cafetaria aan de [adres] in [plaats] (hierna: de horecagelegenheid). Eiseres is volledig eigendom van [A] (hierna: de eigenaresse). Naast de eigenaresse zijn meerdere werknemers werkzaam in de horecagelegenheid. Op 23 februari 2023 hebben inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (de arbeidsinspectie) een controle uitgevoerd in de horecagelegenheid. Deze werkplekcontrole zag op de naleving van onder meer de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Arbeidstijdenwet.
Het totale boetebedrag komt dan neer op: € 200,- x 0,5 x 1,5 = € 150,- x 7 overtredingen = € 1.050,-.
Is er een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en dochter?
Verder komt de dochter altijd naar het restaurant als zij klaar is met school, omdat zij het niet fijn vindt om alleen thuis te zijn vanwege een eerdere overval in het huis van de eigenaresse. De dochter maakt dan vaak huiswerk, voordat zij meehelpt in de spitsuren op de dagen dat ze is ingeroosterd. Op de zitting heeft eiseres verder uitgelegd waarom zij betwist dat sprake is van loonuitbetaling. De boekhouder van eiseres maakt de loonstroken van de dochter op conform de urenregistratie en het minimumloon. Dit bedrag krijgt de dochter ook daadwerkelijk uitbetaald, naar aanleiding van de verplichting die volgt uit de opgemaakte loonstrook door de boekhouder. Volgens eiseres moet dit worden gezien als zakgeld.
Over de gezagsverhouding wordt in de geschiedenis van de totstandkoming vermeld dat daarvoor niet zonder meer duidelijke criteria te geven zijn. Een gezagsverhouding kan aanwezig worden geacht, wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Deze omschrijving heeft tot gevolg dat het een breed scala van gezagsrelaties omvat, namelijk zowel de gezagsrelatie in een strikt hiërarchische organisatie, als die in een arbeidsrelatie waarin in de praktijk vrijwel nooit instructies of aanwijzingen worden gegeven, aldus de geschiedenis van de totstandkoming.
Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding, moet worden gekeken naar alle relevante feiten en omstandigheden.
Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 8 heeft overwogen, kan ook sprake zijn van een gezagsrelatie bij een arbeidsrelatie waarbij in de praktijk vrijwel nooit instructies of aanwijzingen worden gegeven. Het gaat namelijk om het recht om toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Dat eiseres stelt dat de dochter verder vrij is om buiten de spitsuren om haar huiswerk te maken, doet niks af aan het feit dat op deze manier uitvoering wordt gegeven aan de arbeidsovereenkomst. De afspraak is immers dat de dochter tijdens de spitsuren helpt en dit doet zij ook.
Bovendien blijkt uit het werkrooster dat de dochter vaak vanaf 16:00 uur of 18:00 uur wordt ingeroosterd, terwijl dit in de meeste gevallen niet aansluit op haar schoolrooster. Vaak eindigt het schoolrooster namelijk al veel eerder dan het begin van het werkrooster. Soms betekent het werkrooster juist dat de dochter haar laatste lesuur niet volledig kan volgen, omdat zij al vanaf 16:00 uur wordt ingeroosterd. Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de spitsuren in het restaurant vaak gelijk zijn aan de begintijden van de dochter. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de dochter meteen uit school in het restaurant aanwezig is om huiswerk te maken, omdat zij niet alleen thuis wil zijn.
Het opleggen en de hoogte van de boete 12. Eiseres voert aan dat het opleggen van een boete, en subsidiair de hoogte daarvan, een te zware straf is voor eiseres. Eiseres was zich er niet bewust van dat zij in overtreding was. Dit blijkt ook uit de stukken die zijn opgemaakt naar aanleiding van de inspectie. Daarin vraagt eiseres namelijk meerdere keren om bepalingen uit de Atw uit te leggen. Eiseres vraag zich af of het überhaupt algemeen bekend is dat een werkgever het rooster van schoolgaande jeugdigen moet opvragen om een overtreding van de Atw te voorkomen. Bovendien veranderen schoolroosters vaak nog op het laatste moment. Op de zitting heeft eiseres uitgelegd dat zij hierdoor de keuze heeft gemaakt om het inroosteren van jeugdigen uit te besteden aan [website] .nl.
Het opleggen van de boete 13. Wat betreft de verwijtbaarheid, is het aan de werkgever om een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden te voeren. In de situaties waarin verwijtbaarheid ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Wanneer de verwijtbaarheid volledig ontbreekt, moet dus van boeteoplegging worden afgezien, zoals bedoeld in artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiervoor moet de overtreder aannemelijk maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was, heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een cumulatie van boetes, waarbij de overtredingen die worden beboet te herleiden zijn tot één gedraging of nalatigheid, is niet per definitie onevenredig. Het is wel aan de minister om de hoogte van de boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Daarbij kan de mate van samenhang van overtredingen een relevante factor zijn om de boete te matigen.
De hoogte van de boete 16. Wat betreft de hoogte van de boete, kan de minister omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als de rechter het beleid als zodanig niet onrechtmatig acht, moet de minister bij de toepassing daarvan in een individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze niet onevenredig is. De rechter toetst het besluit van het bestuursorgaan zonder terughoudendheid. Het gedeeltelijk voldoen aan een matigingsgrond op grond van artikel 5:46, tweede en derde lid, van de Awb kan leiden tot matiging van de boete. De mate van samenhang van overtredingen kan een relevante factor zijn om de boete te matigen. Ook inspanningen die zijn verricht na de overtreding, ter voorkoming van verdere overtredingen, kunnen van betekenis zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete evenredig is. Inspanningen achteraf kunnen alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn en uit eigen beweging en zo snel mogelijk zijn verricht.
Conclusie en gevolgen 20. Het beroep is gegrond, omdat de rechtbank aanleiding ziet om de boete te matigen. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank stelt de boete vast op € 682,50. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 16 augustus 2023 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 9 februari 2024; herroept het boetebesluit van 16 augustus 2023; stelt het bedrag van de opgelegde boete vast op € 682,50; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-; bepaalt dat de minister aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 371,– vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026. griffier rechter De rechter is verhinderd deze uitspraak te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 1:1, derde lid, van de Atw. artikel 5:5, eerste lid, van de Atw. artikel 5:7, eerste lid, onder b, van de Atw Bijlage 1 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet.
Artikel 2 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet.
Bijlage 2 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:54, en van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:318, ECLI:NL:RVS:2021:319 en ECLI:NL:RVS:2021:321.
ECLI:NL:RVS:2024:960.
ECLI:NL:RVS:2024:4173.
ECLI:NL:RVS:2025:6149.
ECLI:NL:RVS:2021:1112.
ECLI:NL:RVS:2023:2320.
ECLI:NL:RVS:2021:1750.
ECLI:NL:RVS:2023:3379.