Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:3286
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/067697-26 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [1981] in [geboorteplaats] , thans verblijvende in [verblijfplaats] , (hierna: de verdachte).
1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. J.P. Jansen; de advocaat van de verdachte: mr. K.I.E. Lammers (hierna: de advocaat).
2Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: op 20 februari 2026 in [horecagelegenheid] 88 euro heeft gestolen, en daarbij heeft gedreigd met geweld door een mes te tonen en op dreigende toon te roepen dat de medewerkster van de [horecagelegenheid] het geld uit de kassa moest geven. .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3Bewijs 3.1.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover de beschuldiging ziet op het dreigen met of tonen van een mes.
3.2.
Standpunt van de verdediging De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte voor de medewerkster van de [horecagelegenheid] een dreigende situatie heeft gecreëerd, maar dat geen sprake is geweest van geweld of het dreigen met geweld. De advocaat verzoekt dan ook de verdachte van die onderdelen vrij te spreken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank 3.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak De rechtbank oordeelt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte geweld heeft gebruikt of dat hij daarmee heeft gedreigd. De rechtbank zal de verdachte dan ook van die onderdelen vrijspreken. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Aangeefster, medewerkster van een [horecagelegenheid] , heeft verklaard dat de verdachte een mes uit zijn broekzak pakte en naar haar toe richtte. Het mes was niet uitgeklapt. Daarbij zei de verdachte tegen haar dat zij hem het geld uit de kassa moest geven. Hierop heeft de verdachte het geld zelf uit de kassa gepakt.
De verdachte heeft de diefstal bekend, maar van meet af aan heeft hij ontkend dat hij een mes bij zich had en dat hij hiermee heeft gedreigd.
De rechtbank heeft de camerabeelden bekeken en op basis van die beelden valt niet vast te stellen dat de verdachte op enig moment een mes in zijn hand heeft gehad. Wel legt hij zijn hand, nadat hij daarmee in zijn achterzak heeft gezeten, op de toonbank bij de kassa. Gelet op deze beelden en de beschrijving van de aangeefster van het mes, houdt de rechtbank voor mogelijk dat de aangeefster oprecht dacht dat de verdachte een mes in zijn hand had, maar zich daarin heeft vergist. Het dossier bevat geen andere aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte een mes had. Evenmin valt op basis van de audio bij de beelden vast te stellen dat de verdachte heeft geroepen dat de medewerkster het geld uit de kassa moest geven of dat er een dreigende toon uitging van hetgeen hij heeft gezegd. Ook de aangeefster verklaart dat niet. Daarom oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte heeft gedreigd met geweld. Dat neemt niet weg dat de situatie voor aangeefster dreigend is geweest, maar door de vrijspraak van beide onderdelen (het tonen van het mes en het – al dan niet op dreigende toon – roepen van woorden) is juridisch gesproken geen sprake meer een diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 Wetboek van Strafrecht.
3.3.2.
De bewijsmiddelen De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen in dit vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van 1 juni 2026; de aangifte van [slachtoffer] ;
3.4.
Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 20 februari 2026 te [plaats 1] , een geldbedrag, dat aan [horecagelegenheid] (gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1.
Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: diefstal.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5Straf en/of maatregel 5.1.
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
5.2.
Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De advocaat wijst erop dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij direct heeft bekend en dat hij oprecht spijt heeft van zijn handelen. Ook wil hij zich houden aan alle voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
5.3.
Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte is een [horecagelegenheid] binnengegaan waar op dat moment alleen een destijds 16-jarige medewerkster aanwezig was. De verdachte droeg een donkere sjaal voor zijn mond en neus en had zijn handen voortdurend in zijn zakken. De verdachte zei niets tegen de medewerkster en heeft enige tijd in de winkel rondgelopen en gestaan. Nadat hij aan de medewerkster vroeg of hij geld kon wisselen heeft zij de kassalade geopend. De verdachte heeft hierna, terwijl hij over de toonbank/balie leunde, ongeveer 88 euro uit de kassa weggenomen.
Uit de aangifte blijkt dat het handelen van de verdachte voor de medewerkster beangstigend is geweest en dat zij daar erg van is geschrokken. Hoewel de verdachte geen wapen heeft getoond en ook niet is gebleken dat hij met woorden heeft gedreigd, zal de diefstal voor de aangeefster erg beangstigend zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk handelen ook leidt tot gevoelens van angst en onrust bij slachtoffers, bij andere ondernemers in de buurt en in de samenleving.
De rechtbank rekent het de verdachte dan ook aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. Het geld had hij naar eigen zeggen nodig om schuldeisers te betalen en een bedreiging van hemzelf en, naar hij vreesde, zijn moeder af te kunnen wenden. De verdachte is daarbij wel volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor de medewerkster van de [horecagelegenheid] .
Het spreekt in het voordeel van de verdachte dat hij lijkt in te zien wat de impact is van zijn daad op het slachtoffer en dat hij daarvoor ook zijn verantwoordelijkheid neemt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Over de verdachte heeft [A] , reclasseringswerker bij [instelling] , een rapport opgemaakt. In dit rapport van 23 april 2026 staat dat verdiepingsdiagnostiek heeft plaatsgevonden en er aanknopingspunten gebleken zijn voor verder onderzoek en aansluitend behandeling. De verdachte heeft aan de reclassering aangegeven hiervoor open te staan. De verdachte erkent dat hij problemen heeft op het gebied van psychisch functioneren, financiën, dagbesteding en middelengebruik. Zo vertelt de verdachte aan de reclassering middelen te gebruiken, geen inkomsten te hebben en werkloos te zijn, in een isolement te leven en negatief beïnvloed te zijn door “verkeerde mensen”. De reclassering merkt deze leefgebieden aan als delictgerelateerd. In het verleden zou een diagnose gesteld zijn, maar deze is verouderd. Het is volgens de reclassering mogelijk dat het psychosociaal functioneren een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan onderhavig feit. De reclassering zou graag zien dat er verder onderzoek wordt gedaan door [.] [instelling] om daar een antwoord op te krijgen om zo een passend plan van aanpak aan te kunnen bieden. De verdachte is al aangemeld en staat op de wachtlijst voor verdere diagnostiek en behandeling bij [.] [instelling] . Begeleiding door de reclassering wordt aanbevolen.
Voorafgaand aan het onderhavig delict hebben de problemen op de verschillende leefgebieden niet tot justitiecontacten geleid of voor ernstige ontregeling gezorgd. Om die reden schat de reclassering de risico’s, waaronder op recidive en onttrekken aan voorwaarden, laag in. Bij een veroordeling adviseert de reclassering – kort gezegd - de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering; gedragsinterventie middelengebruik; ambulante behandeling; dagbesteding; beheersing middelengebruik.
De verdachte erkent ook ter zitting dat hij problemen heeft op diverse leefgebieden. Om zijn leven een positieve wending te geven is hij bereid zich aan alle geadviseerde voorwaarden te houden.
Uit het strafblad van de verdachte van 23 april 2026 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De verdachte heeft tot het moment van deze uitspaak 103 dagen in voorlopige hechtenis gezeten.
Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere vergelijkbare zaken. De rechtbank merkt hierbij op dat dit een atypische zaak betreft die niet of nauwelijks valt te plaatsen in één van de oriëntatiepunten.
De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een winkeloverval, waarbij sprake is geweest van dreiging met geweld. Het oriëntatiepunt voor een dergelijk feit is een gevangenisstraf van 2 jaar. De rechtbank is echter tot een bewezenverklaring gekomen van diefstal, waarvoor aanzienlijk lagere straffen worden opgelegd. Bij de hoogte van de straf wordt echter in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat dit geen ‘gewone diefstal’ is. Hoewel de rechtbank in strafrechtelijke zin geen bedreiging met geweld heeft kunnen vaststellen, heeft de verdachte met deze diefstal uit de kassa wel een situatie gecreëerd die heeft geleid tot gevoelens van angst bij de medewerkster van de [horecagelegenheid] .
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 47 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het onvoorwaardelijk strafdeel is gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis op het moment van deze uitspraak. Dit betekent dat de verdachte zijn straf heeft uitgezeten. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal dan ook worden opgeheven.
Om nieuwe strafbare feiten in de toekomst te voorkomen en de verdachte de kans te geven zijn leven een positieve wending te geven, zullen aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden worden. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.
6Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte
Voorlopige hechtenis
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mrs. R.P. den Otter en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026. .
Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 februari 2026 te [plaats 1] , althans in Nederland een geldbedrag van 88,- euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan [horecagelegenheid] (gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, met proces-verbaalnummer PL0900-2026059694, doorgenummerd pagina 1 tot en met 58. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] , pag. 7 en 8.