← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:340

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5055 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: J.H. Swart). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] . Inleiding

  1. Het Uwv heeft eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met het besluit van 19 augustus 2024 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser per 30 november 2024 omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Met het besluit van 3 maart 2025 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiser per 1 maart 2025 als voorschot wordt betaald, omdat eiser weer is gaan werken. Ook is in dat besluit vermeld dat het Uwv vanaf 1 februari 2025 eens per drie maanden de hoogte van de uitkering zal berekenen. 1.
  2. Met het besluit van 14 april 2025 (primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser de definitieve berekening van zijn uitkering meegedeeld voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 maart
  3. Volgens het besluit heeft eiser van 1 februari 2025 tot en met 28 februari 2025 recht op een WGA-vervolguitkering en heeft hij van 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025 recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft dit berekend op basis van het loon dat eiser heeft ontvangen in februari 2025 en maart
  4. Eiser is het niet eens met de berekening en heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.
  5. Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  6. Het beroep van eiser is behandeld op zitting van de enkelvoudige kamer op 7 januari
  7. Eiser en de gemachtigde van het Uwv zijn verschenen. Standpunt van eiser
  8. Eiser voert aan dat hij op 24 en 25 februari 2025 heeft gewerkt voor zijn werkgever [bedrijf] , maar dat dit loon zonder dat hij daar invloed op heeft gehad pas in maart 2025 is uitbetaald. Volgens eiser moet het Uwv gebruik maken van de mogelijkheid om het loon voor die twee gewerkte dagen toe te rekenen aan februari 2025 in plaats van aan maart
  9. Doordat het loon over 24 en 25 februari 2025 door het Uwv wordt toegerekend aan maart 2025 heeft eiser zijn restverdiencapaciteit in februari 2025 onvoldoende benut en ontvangt hij over die maand een (lagere) WGA-vervolguitkering in plaats van een (hogere) WGA-loonaanvullingsuitkering. Als gevolg daarvan stelt eiser ongeveer € 800 te hebben misgelopen. Eiser stelt dat hij daardoor onevenredig groot nadeel heeft ondervonden. Door de financiële tegenvaller heeft eiser een lening moeten aangaan bij zijn ouders om te kunnen rondkomen. Daarnaast heeft dit proces negatieve effecten gehad op zijn hersteltraject. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een loonstrook en een schermafbeelding van zijn op 24 en 25 februari 2025 gewerkte uren overgelegd. Beoordeling door de rechtbank
  10. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken (de Centrale Raad van Beroep (CRvB)) dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv hier mogen uitgaan van de gegevens die de werkgever [bedrijf] heeft aangeleverd en die zijn opgenomen in de polisadministratie. [bedrijf] heeft het in maart betaalde loon opgegeven voor het loonaangiftetijd van maart
  11. Gelet op de regels in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), wordt het loon van eiser geacht te zijn genoten in maart 2025, het aangiftetijdvak waarover Randstand van dat loon opgave heeft gedaan. Hoewel eiser kan aantonen dat hij daadwerkelijk in februari 2025 heeft gewerkt, betekent dat niet dat de gegevens uit de polisadministratie onjuist zijn. 3.
  12. De rechtbank overweegt dat het Uwv een discretionaire bevoegdheid heeft om bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak toe te rekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft. De rechtbank oordeelt dat het Uwv heeft mogen vinden dat de situatie van eiser geen aanleiding geeft om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Eiser heeft het loon voor beide dagen ontvangen in maart
  13. [bedrijf] verloont elke maand op dezelfde manier en er is geen sprake van eenmalige afwijking of fout. De beroepsgrond dat het Uwv gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om het loon toe te rekenen aan een andere maand slaagt niet. 3.
  14. De rechtbank legt het beroep van eiser dat hij onevenredig wordt benadeeld uit als een beroep op artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Op grond van dit artikellid bepaalt het UWV het inkomen op een andere wijze als toepassing van artikel 4:1 AIB tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrecht in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep dient het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief te worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het aanstonds duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet beoogd is en onredelijk is. Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. 3.
  15. De rechtbank neemt aan dat het voor eiser financieel voordeliger was geweest om het loon aan februari 2025 toe te rekenen, omdat hij dan zijn restverdiencapaciteit over die maand meer had benut. Het is rechtbank ook duidelijk dat eiser nadelige gevolgen heeft ondervonden als hij over februari 2025 een lagere uitkering heeft ontvangen en hij daardoor een terugval in zijn herstel en een financiële tegenvaller heeft gehad waarvoor hij een lening is aangegaan. Dit betekent echter niet dat dat dit resultaat als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Er is namelijk niet gebleken dat eiser structureel niet kon rondkomen of anderszins zwaarwegende financiële gevolgen heeft ondervonden. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om als een kennelijk onredelijk resultaat te worden aangemerkt. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en heeft daarom terecht het inkomen niet op een andere wijze bepaald. De beroepsgrond dat het toerekenen van het loon aan maart 2025 een kennelijk onredelijk resultaat oplevert slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr.P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari
  17. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten De Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:
  18. Artikel 4:1, derde lid, van het AIB. Artikel 4:1, zevende lid, van het AIB. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 6 april 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:922) en van 4 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3902).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.