RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.201643.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats 1] , verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. L.A. Lepoutre; de advocaat van de verdachte: mr. J.J. van 't Hoff (hierna: de advocaat) [nabestaande] , nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] ; [A] , casemanager bij Slachtofferhulp Nederland. 2Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: primair op 11 februari 2025 in Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, door zich zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen door (met een niet functionerende snelheidsmeter) ter hoogte van de voetgangsoversteekplaats met een hogere snelheid dan verantwoord was te rijden en geen voorrang te verlenen aan een overstekende voetganger, waardoor hij tegen deze overstekende voetganger, [slachtoffer] , is gebotst en als gevolg waarvan [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden; subsidiair: op 11 februari 2025 in Rhenenals bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd; meer subsidiair op 11 februari 2025 in Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig een voetganger die op een voetgangersoversteekplaats overstak, geen voorrang heeft verleend waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de schuldgradatie daarbij is dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire en subsidiaire feit. De advocaat stelt zich op het standpunt dat verdachte de ter plaatse geldende snelheid niet heeft overtreden, althans dat dat niet vastgesteld kan worden, en dat de niet functionerende snelheidsmeter geen bijdrage heeft gehad aan het ongeval. Ook het ‘niet, althans niet tijdig en/of in voldoende mate vergewissen dat een voetganger overstak’ is geen bijzonderheid die een veroordeling voor artikel 6 WVW rechtvaardigt. De advocaat meent dat in de tenlastelegging het “iets meer” ontbreekt om de sprong van een kale Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV)-overtreding naar artikel 6 WVW te maken. De advocaat stelt dat er sprake is geweest van een momentane onoplettendheid; er was ‘enkel’ sprake van een kort moment waarop verdachte niet naar het juiste punt heeft gekeken, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan leiden tot overtreding van artikel 6 WVW. De advocaat bepleit ook dat er onvoldoende bewijs is voor artikel 5 WVW en verzoekt te volstaan met een veroordeling voor het meer subsidiaire feit (overtreding van artikel 49 lid 2 RVV). In dit verband verzoekt de advocaat om de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1222) te volgen, daar de tenlastelegging wat betreft de feiten overeenkomt met onderhavig dossier. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.2. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij alles goed gedaan heeft; hij heeft vaart geminderd en goed naar links en naar rechts gekeken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen primaire feit De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (het overtreden van artikel 6 WVW) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. 3.3.2 Bewijsoverwegingen Juridisch kader De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het ongeval. Voor een bewezenverklaring is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft daarbij opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Beoordeling Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt. De rechtbank stelt vast dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan een voetganger die overstak op een voetgangersoversteekplaats. Juist bij voetgangersoversteekplaatsen geldt dat verkeersdeelnemers extra oplettend moeten zijn voor overstekende voetgangers. De verdachte was bovendien goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat daar veel zebrapaden zijn, dat er veel dode hoeken zijn, en dat je daar dus goed moet opletten. Ook heeft hij verklaard dat het donker en nat was en dat het zicht slecht was, slechter dan normaal. Het regende harder dan normaal. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij zijn ruitenwisser op de hardste stand had staan. De rechtbank is van oordeel dat hij in de gegeven omstandigheden – het was donker en regenachtig, het wegdek was nat, en er was sprake van een onoverzichtelijke verkeerssituatie- extra oplettend had moeten zijn voor een overstekende voetganger en dat hij zijn rijgedrag aan de omstandigheden had moeten aanpassen. Van een voorzichtige verkeersdeelnemer die ter plaatse bekend is en wiens zicht beperkt kan worden door de harde regen, mag worden verwacht dat hij tijdig zijn snelheid aanpast aan de gegeven situatie, de voetgangersoversteekplaats behoedzaam nadert, en continu kijkt of er mogelijk voetgangers op of nabij de voetgangersoversteekplaats zijn Verdachte verklaart dat hij bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats niet heeft geremd met het rempedaal, maar wel vaart heeft geminderd door gas los te laten en goed links en rechts heeft gekeken. Hij heeft het slachtoffer op dat moment niet gezien. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest gelet op de (ook ter zitting bekeken) camerabeelden waarop onder andere te zien is dat het slachtoffer om 19:42:35 uur de voetgangersoversteekplaats naderde, dat om 19:42:38 uur het licht van de koplampen van de auto van verdachte op het slachtoffer scheen, en het slachtoffer (die gezien verdachtes rijrichting van rechts naar links overstak) recht voor de auto van verdachte overstak, waarna verdachte met de linkerzijde van zijn personenauto het slachtoffer heeft geraakt. Hieruit volgt dat verdachte gedurende enkele seconden het slachtoffer heeft kunnen zien en ook had moeten zien. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien voorafgaand aan de aanrijding. De verdachte heeft daar zelf ook geen aannemelijke verklaring voor. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien doordat hij bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de weersomstandigheden en het daardoor verminderde zicht. Als verdachte voldoende zijn snelheid had aangepast, had hij - net als de getuige die achter hem reed - de voetganger mogelijk wel gezien en de aanrijding kunnen voorkomen. Verweer verdediging De verdediging heeft verzocht om in deze zaak de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1222) te volgen en verdachte vrij te spreken van het primaire (artikel 6 WVW) en het subsidiaire feit (artikel 5 WVW) omdat in die zaak sprake zou zijn van dezelfde omstandigheden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ‘enkel’ sprake was van een kort moment waarop verdachte niet naar het juiste punt heeft gekeken, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan leiden tot overtreding van artikel 6 WVW. In voornoemde zaak van de rechtbank Arnhem naderde verdachte de oversteekplaats vanaf de rotonde waarbij hij naar rechts stuurde om de rotonde te verlaten waarbij de verlichting van zijn auto in mindere mate de rechts van de rijbaan gelegen delen kon verlichten. Verdachte heeft in die zaak ook ter zitting verklaard dat hij het slachtoffer pas zag toen zijn koplampen haar beschenen nadat hij een klap hoorde. De rechtbank overweegt dat, anders dan in de zaak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, het slachtoffer in deze zaak niet buiten het gezichtsveld van de verdachte is geweest; uit de beelden blijkt dat hij meerdere seconden in het gezichtsveld van de verdachte is geweest, voordat hij het slachtoffer aanreed. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat – anders dan door de verdediging is bepleit- sprake is van één geheel van gedragingen van verdachte en geen op zichzelf staande ‘momentane onoplettendheid’. Verdachte moet het slachtoffer gedurende enkele seconden gezien kunnen hebben. Aangezien verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, kan het niet anders dan dat verdachte gedurende enige tijd onvoldoende oog heeft gehad en gehouden voor het verkeer en de verkeerssituatie. Er is dus geen sprake geweest van een momentane onoplettendheid. Conclusie De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan het slachtoffer, [slachtoffer] , is komen te overlijden. Het primair ten laste gelegde kan dus wettig en overtuigend bewezen worden. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 11 februari 2025, te Rhenen , als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,- terwijl het regende en het wegdek nat was en- terwijl het donker was en- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg en een bord conform model L2 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was aangeduid en- (gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was te rijden en- zich er daarbij in onvoldoende mate van te vergewissen dat eenvoetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats – gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links – over te steken, en- daarbij geen voorrang te verlenen aan die [slachtoffer] , en- (vervolgens) niet voldoende af te remmen en niet uit te wijken voor voornoemde [slachtoffer] en- (vervolgens) in botsing en/of aanrijding te komen met die [slachtoffer] ,waardoor die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2025 is overleden. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. 4.2 Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar. 5Straf 5.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert; - een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van één jaar. 5.2 Standpunt van de verdediging De advocaat heeft geen strafmaatverweer gevoerd voor overtreding van artikel 6 WVW. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit Op 11 februari 2025 heeft de verdachte een tragisch verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hij heeft op de [straat 1] in Rhenen in een verkeerssituatie die om extra oplettendheid vroeg, niet voldoende afgeremd toen hij een voetgangersoversteekplaats naderde. Het was donker, het regende hard en hierdoor was het zicht slecht. Verdachte heeft door zijn rijgedrag niet op tijd kunnen anticiperen op de verkeerssituatie en heeft [slachtoffer] op de voetgangersoversteekplaats aangereden. Het slachtoffer [slachtoffer] is drie dagen later aan de gevolgen van het ongeval op 70-jarige leeftijd overleden. De familie van het slachtoffer is hierdoor veel leed en verdriet aangedaan. Dat dit ongeval en de daaropvolgende dood van het slachtoffer voor veel leed en verdriet hebben gezorgd bij de nabestaanden, is gebleken uit de door de partner van slachtoffer [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring tijdens de zitting. Zij heeft op de zitting op indrukwekkende wijze verwoord wat het verlies van haar overleden partner voor haar en de familie betekent; hun leven is door het verlies onomkeerbaar veranderd. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2025 waaruit volgt dat verdachte een blanco strafblad heeft. Ook na dit verkeersongeval is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee. Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden onder meer verklaard dat hij in 1990 een ongeluk heeft gehad en dat hij voor 100% is afgekeurd. Omdat hij niet alle dagen thuis wil zitten, werkt hij desondanks halve dagen. Verdachte heeft voor dit werk zijn rijbewijs nodig. Strafkader De rechtbank stelt voorop dat geen straf bestaat die de vreselijke gevolgen van dit verkeersongeval ongedaan kan maken en die in verhouding kan staan tot het verlies van de nabestaanden. Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan moet de rechtbank de bewezenverklaring als uitgangspunt nemen. Er wordt bij de strafoplegging gekeken naar de (in dit geval grote) gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar de straf moet ook en vooral in verhouding blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In dit geval is aanmerkelijke schuld bewezenverklaard. De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.