RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1136 uitspraak van de rechtbank van 13 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster en de heffingsambtenaar van de gemeente Almere , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft op 9 januari 2025 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft gehandhaafd. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 10 april 2025 laat verweerder weten dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan verzoekster is opgelegd en bereidt is deze alsnog te vernietigen. Verzoekster kan zich hierin vinden en heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Verweerder heeft hier niet op gereageerd. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- Verweerder heeft op 10 april 2025 een e-mail aan verzoekster gezonden waarin hij vermeldt dat hij tot de conclusie is gekomen dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan verzoekster is opgelegd omdat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan en omdat zij de betaling vervolgens heeft gecontroleerd. Daarom stelt verweerder voor om de beroepsprocedure door middel van een schikking te beëindigen. Dit houdt naar zeggen van verweerder het volgende in; de naheffingsaanslag wordt alsnog vernietigd, de door verzoekster betaalde griffierechten ten bedrage van € 53,- worden vergoed en verzoekster trekt haar beroepsschrift in.
- De rechtbank overweegt dat verweerder weliswaar tegemoetgekomen is aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Bij de intrekkingsverklaring heeft verzoekster geen proceskostenformulier gevoegd. Er zijn dus geen gemaakte kosten geclaimd. Overigens is ook niet gebleken dat verzoekster kosten heeft gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
- De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
- Verweerder heeft reeds aangeboden het griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Dit volgt ook rechtstreeks uit de wet (artikel 8:41 Awb). In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.