← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:574

vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/601574 / HA ZA 25-537 Vonnis in incident van 11 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [plaats] ,

  1. [eiseres sub 2], wonende te [plaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat mr. K. Straathof te Alkmaar, tegen
  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. G.N. van Kooten te Rotterdam,
  3. [gedaagde sub 2], wonende te [plaats] , gedaagde, eiser in het incident, advocaat mr. G. Bosma te Utrecht,
  4. [gedaagde sub 3], wonende te [plaats] , gedaagde, eiser in het incident, advocaat mr. G. Bosma te Utrecht. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. 1De procedure 1.
  5. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , de incidentele conclusie van antwoord. 1.
  6. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
  7. Tijdens de verbouwing van het souterrain/de kelder van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is aan het woonhuis van [eisers] schade ontstaan. Daar gaat de hoofdzaak over. In dit incident vragen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] of ze in vrijwaring mogen oproepen: [bedrijf 1] , hun architect [bedrijf 2] , hun adviseur/constructeur [gedaagde sub 1] B.V., hun aannemer [bedrijf 3] B.V., hun adviseur voor het veilig bouwen van de kelder. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen dat deze personen/bedrijven zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeenkomsten die er met hen waren, dan wel dat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Zij hebben volgens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten onrechte niet voldaan aan hun waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW. 2.
  8. [eisers] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 2.
  9. De rechtbank zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toewijzen. De door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aangevoerde gronden kunnen de vordering dragen. 2.
  10. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
  11. staat toe dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] : [bedrijf 1] uit [plaats] , [bedrijf 2] uit [plaats] , [gedaagde sub 1] B.V., statutair gevestigd in [vestigingsplaats] , en [bedrijf 3] B.V., statutair gevestigd in [vestigingsplaats] , dagvaarden tegen de terechtzitting van 11 maart 2026, 3.
  12. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 3.
  13. bepaalt dat er pas een mondelinge behandeling wordt gepland als de partijen in de vrijwaring van antwoord hebben gediend en bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de vrijwaring. Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.