← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:620

RECHTBANK Midden-Nederland Erfrecht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/587276 / BE ZA 25-4 Vonnis van 28 januari 2026 in de zaak van [eiser] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna: [eiser] , advocaat: mr. D. Vong, werkzaam in Rijen, tegen [gedaagde] , gedagvaard zowel in hoedanigheid van executeur als in persoon, wonende in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna: [gedaagde] , advocaat: mr. M.G. Hees, werkzaam in Laren. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025;- de brief (akte) van [eiser] met daarbij een akte van depot;- de antwoordakte van [gedaagde] . 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  3. De rechtbank heeft [eiser] in het tussenvonnis opgedragen om bewijs te leveren van haar stelling dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. [eiser] heeft vervolgens een verklaring van [A] overgelegd, waarin hij bevestigt dat de handtekening onder de overeenkomst van hem is. [eiser] heeft de handtekening van [A] onder deze verklaring laten legaliseren. [gedaagde] heeft zich daarop gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2.
  4. [eiser] is in haar bewijslevering geslaagd en de rechtbank stelt daarmee vast dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. Zoals in het tussenvonnis al is beslist, brengt dit mee dat [eiser] recht heeft op een afschrift van een deel van de door haar gevorderde stukken. De rechtbank zal [gedaagde] tot het verstrekken daarvan veroordelen. 2.
  5. [eiser] heeft in haar akte betoogd dat de rechtbank moet terugkomen van de bindende eindbeslissing die zij in 3.
  6. over de wettelijke rente heeft genomen. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank zal hier niet toe overgaan, omdat er naar haar oordeel geen sprake is van een beslissing die berust op een onjuiste juridische grondslag. 2.
  7. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 136,72 - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat - nakosten € 1.228,00 178,00 (2 punten × € 614,00) (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.230,72 De rechtbank kent geen punten toe aan de akte van [eiser] . [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij [eiser] meerdere keren heeft gevraagd om bewijs dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. [eiser] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven en het op een bewijsopdracht laten aankomen. De kosten die zij daarvoor in deze procedure heeft gemaakt, zal zij zelf moeten dragen. 3De beslissing De rechtbank 3.
  8. veroordeelt [gedaagde] om binnen 8 weken na vandaag (dus uiterlijk op 25 maart 2026) een afschrift aan [eiser] te verstrekken van: de boedelbeschrijving, met bewijsstukken betreffende de schulden en de kosten van de uitvaart en een taxatierapport betreffende het onroerend goed; een bankafschrift van alle bankrekeningen van erflater met het saldo op de overlijdensdatum; een overzicht van de polissen levensverzekeringen en de uitkeringen die in verband daarmee zijn gedaan; de aangifte erfbelasting; een opgave van alle giften die erflater tijdens zijn leven heeft gedaan; alle bankafschriften vanaf zeven jaar voor overlijden van erflater of vanaf een latere datum als blijkt dat de desbetreffende bank daar (deels) niet meer over beschikt, in dat laatste geval dient [gedaagde] hiervan een schriftelijke onderbouwing (een verklaring van de bank) aan [eiser] te verstrekken; de aangiften inkomstenbelasting in de periode van zeven jaar voor overlijden van erflater; de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de vooroverleden echtgenote van erflater en de aangifte erfbelasting in die nalatenschap; 3.
  9. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.230,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 3.
  10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.